Slotweek in de taalbeheersing

Deze week was de laatste collegeweek van het vak over de methodologie van de taalbeheersing dat ik in Leiden gaf; ik schreef er al een paar keer eerder over. Of liever gezegd: ik probeerde al een paar keer eerder de vertaalslag te maken van zo’n op de wetenschap gericht vak naar de praktijk. Dat was nog wel eens lastig.

Dat de taalbeheersing relevantie heeft voor de praktijk, mag je eisen. Alleen is het zo dat er ook wel eens fundamenteel of theoretisch onderzoek moet gebeuren dat hopelijk op de lange termijn praktisch nut zal opleveren. Wat die ‘lange termijn’ is, is onduidelijk: soms lijkt het praktisch nut wel heel ver weg; de ene taalbeheerser heeft meer geduld dan de ander. In het slotcollege dat ik samen met collega Henrike Jansen afgelopen dinsdag gaf, was dat één van de thema’s.

Dus we hebben het wel over de praktijk gehad, maar een nieuwe tip of inzicht leverde dat niet op – daar was het het college niet naar. Het was echt een synthese van de stof van het hele vak, aan de hand van stellingen die deels gebaseerd waren op inbreng van de studenten, en deels op een prikkelend overzichtsartikel.

Een ander onderdeel van het vak was het bijwonen van een taalbeheersingslezing. De sectie organiseert drie van die lezingen per jaar, en de studenten van dit vak moesten er minstens één bijwonen. De eerste heb ik zelf helaas gemist, die was van de Argumentenfabriek en daar was ik wel nieuwsgierig naar, maarja, ik zat in Canada.

Gisteren was er een lezing van Peter Jan Schellens over de toon van het politieke debat – iets wat mooi aansloot, zowel bij het methoden-vak als bij het debatteren-vak dat ik vorig semester gaf. Het onderzoek bevindt zich nog in een eerste, explorerende fase. ‘Toon’ is bijvoorbeeld een lastig te definiëren iets. Toch was er al wel iets over te zeggen: het lijkt erop dat een ‘hoge toon’ (denk aan: heftige debatten) zich kenmerkt door enerzijds geïntensiveerd taalgebruik (een containerbegrip – er vallen woorden als zeer en uitermate of woorddelen als knetter-  in knettergek onder, maar ook metaforen en werkwoordelijke uitdrukkingen en dergelijke onder), en dan vooral de negatieve variant daarvan (dus niet reuzeleuk) en anderzijds het gebruik van drogredenen, vooral drogredenen die de andere partij in de verdediging drukken of die suggereren dat de andere partij moreel inferieur is. Daartoe zijn vooral drogredenen als het ad hominem, de stroman en het ad misericordiam geschikt. Je zou zulke drogredenen interactief kunnen noemen: ze doen vooral iets met de andere partij.

Lastig aan de analyse van verhitte debatten is dat het venijn soms zit in dingen die niet gezegd worden, maar alleen maar gesuggereerd. Geert Wilders maakt op dit moment gebruik van ‘Henk en Ingrid‘, de ‘hardwerkende Nederlanders die het niet cadeau krijgen’. Suggestie: er zijn dus mensen in Nederland, die het wél cadeau krijgen. Hoe breng je zoiets onder in een analyse van het taalgebruik? En hoe tel je dat – als je kwantitatief onderzoek wil doen? Dat vergt nog nader onderzoek…


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.