Oogbewegingen en (on)begrip

Als ik in Leiden college geef, ga ik graag naar de lezingen die die vakgroep organiseert. Gister was er weer zo’n ‘taalbeheersingslezing’, van Pim Mak. Het was een nogal methodologisch verhaal dat ging over oogbewegingen en taalverwerking.

Ik had verwacht dat het zou gaan over oogbewegingen tijdens het lezen van tekst, en hoe die wat zouden zeggen over het begrijpen van die tekst, maar dat kwam eigenlijk alleen in de inleiding aan de orde. Toen ging het erover dat je door het meten van ‘fixaties’ een beeld krijgt van de woorden die extra tijd kosten om te verwerken. Die duiden dan mogelijk op een probleem in de tekst. Voorbeelden daarvan waren zinnen waarin want staat terwijl omdat meer op zijn plek zou zijn, en omgekeerd. Het verschil tussen die twee woorden is nogal subtiel en sommige talen maken het niet, maar Nederlandse ogen haperen toch echt als ze zijn omgewisseld.

Waar het echter het meest van de tijd over ging, waren oogbewegingen die gestuurd werden door taal. Het ging vooral om kinderen die twee plaatjes voorgelegd krijgen van, zeg, een ei en een toren. Op het moment dat iemand dan bijvoorbeeld zegt ‘en toen verscheen de hoge…’ gaan de ogen al naar toren. Zo zeggen oogbewegingen ook iets over het begrijpen van taal.

Dat effect werkt ook bij van die subtiele onderscheiden in de kleine woordjes. Het meest uitgewerkte voorbeeld ging over twee soorten en in het Russisch dat het Nederlands niet maakt, en dan zie je de oogjes van Russische kindjes daar inderdaad op reageren, maar van tweetalige kinderen (Russisch-Nederlands) niet, en van kinderen met een taalstoornis ook niet.

Nouja, dat is leuk om te weten en interessant om te horen, maar wel erg ver weg van de praktijk van lezen en schrijven in organisaties!


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.