Carrousel van overtuigende teksten

Afgelopen donderdag was het laatste college over overtuigende teksten (draad). De studenten hadden als opdracht daarvoor om een tekst te schrijven waarin ze stelling namen over hoe je het beste een overtuigende tekst schrijft, en in die tekst dat ook te laten zien, dus te ‘practicen’ wat ze ‘preachten’. Dus stel dat je stelling is ‘een overtuigende tekst moet humor bevatten’, dan moest die tekst zelf ook proberen te overtuigen met humor.

Ik had zelf ook meegedaan, ik vond het wel leuk om mijn eigen standpunt onder woorden te brengen. Voor wie dat wil lezen: de duimen omhoog voor je tekst. Ik heb in de tekst zelf ook geprobeerd zowel de centrale als de perifere verwerkers te bereiken, door standpunt en voordelen te expliciteren (centraal) en door met een aantal vuistregels te spelen: mijn eigen autoriteit (zo gebruik ik die Dr.-titel weer eens), andere deskundigen noemen (onderzoek), een beroemdheid opvoeren, de macht van het getal, positieve associaties en herkenning oproepen. Ik vond dat wel leuk om te doen, al is de tekst er wel wat lang en ‘heavy’ van geworden, maar voor de doelgroep van studenten van dit vak moet dat wel te doen zijn geweest, lijkt me.

Met de teksten hebben we een ‘carrousel’ gedaan: de teksten gingen rond en iedereen leverde feedback, steeds op een andere tekst (degenen die wel eens met eigen teksten met mij gewerkt hebben kennen ‘m misschien wel, ik doe het vaker zo). De leestijd was afwisselend kort (30 seconden) en lang (een paar minuten), waarmee we perifere en centrale verwerking simuleerden, nog eens versterkt doordat bij de lange ronde de aandacht ook echt naar de kwaliteit van de argumenten moest gaan.

Ik vond het zelf leuk om te merken dat het echt anders is, 30 seconden of een paar minuten. In korte tijd kijk ik inderdaad vluchtig naar de tekst en dan ben ik onder de indruk of niet. Onder de indruk ben ik dan bijvoorbeeld van een grote beroemdheid (ergens kwam Martin Luther King voor) of van een ultrakort en scherp betoog, of van een leuk of interessant plaatje. Als ik langer de tijd heb, ga ik kritischer kijken naar klopt dit wel, is dit wel waar, geloof ik het wel, geldt het voor mij? En dat ‘voelt’ heel anders, is duidelijk een andere manier van lezen.

Wat ik ook leuk vond, was dat ik bij bijna alle standpunten dacht: ja, daar zit wat in. De studenten hadden als belangrijke ‘overtuigers’:

  • Zorg dat je de lezer niet met ‘poespas’ afleidt van de inhoud
  • Gebruik veel argumenten (meer-argument-vuistregel)
  • Hanteer vuistregels
  • Zorg ervoor dat de tekst kort en bondig is
  • Schrijf beeldend
  • Benadruk wenselijke dingen (schoonheid, gezondheid)
  • Gebruik krachtige woorden (zwak niet af)
  • Gebruik de probleem-oplossingsstructuur
  • Trek aandacht, maak je lezer nieuwsgierig.

Mij valt daaraan wel op dat die dingen vooral gericht zijn op perifere verwerking, of op perifere of centrale, maar niet zozeer bij uitstek op centrale verwerking, behalve misschien de ‘wenselijke dingen’, dat is een aspect van argumentatie. Ook de uitwerkingen, de teksten zelf dus, doen het over het algemeen wat mij betreft beter bij perifere dan centrale verwerking. Maar dat is okee – lezers komen niet zo vaak toe aan centrale verwerking.

Ik vond het een leuke afsluiter, die carrousel, en de studenten ook. De colleges zitten erop, ik ben nu heel benieuwd naar de eindwerkstukken!

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *