Dwarsverbanden bij de NACV

Het was alweer een paar jaar geleden – te veel jaren, zo concludeerde ik vrijdag: dat ik naar de NACV-expertmeeting was geweest. Ik vond het eerder altijd de moeite waard, en vrijdag ook, dus toch echt mijn agenda voor vrijhouden. Het zijn jaarlijkse bijeenkomsten voor docenten schrijf- en spreekvaardigheid in het hoger onderwijs. Dat ben ik zelf zo af en toe ook, maar bovendien geef ik natuurlijk ook aan hogeropgeleiden schrijfonderwijs, dus zijn er sowieso dwarsverbanden.

DwarsverbandEN, ja, want het is mij niet gelukt één hoofdconclusie te trekken uit wat ik vrijdag hoorde. Dus hier komt een waslijst, gericht op schrijven, en gedestilleerd uit de sessies van Fieke van der Gucht, Wilma van der Westen, Carel Jansen, Renske Bouwer, Janneke van der Loo, Caro Struijke en Myrte van Hilten en de plenaire sessie van Stan van Ginkel (de andere plenaire sessie, van Miles Wischnewski, was erg vermakelijk maar leverde niks op voor deze lijst):

  • Er waren veel verschillende werkvormen, dus veel alternatieven voor het praatje van 20 minuten met vragen na. We moesten soms echt wat dóen, wat ik erg leuk vond. Het zorgt in elk geval voor veel dynamiek!
  • Opvallend is de sterke opmars van de technologie: in heel veel praatjes ging het over digitale schrijfcentra en virtual reality. Iets te veel, wat mij betreft; ik miste de ‘ouderwetse’ didactiek en wat een computer kan nagaan is toch altijd reductionistisch en analytisch.
  • Mijn indruk: op hogescholen lijkt het besef inmiddels alomtegenwoordig dat de praktijk andere eisen stelt aan schrijven dan het hoger onderwijs; op de universiteiten is dat er nog veel minder. Het is daar bijvoorbeeld nogal vanzelfsprekend dat je schrijft om te tonen wat je geleerd hebt of hoe het proces verliep. Dát leren studenten.
  • Eén spreker zei letterlijk dat schrijven = conventies leren. Toen dacht ik: aha, vandaar dat er rond schrijven voor veel hogeropgeleiden zo’n sfeertje hangt van ‘zo hoort het’. Een conservatieve houding zit als het ware in de bezigheid ingebakken. Ze zei dat bij het topic ‘hedging’ waar studenten leren om voorzichtig en met disclaimers te formuleren – wat ze soms dus later niet meer willen laten.
  • Een andere spreker zei dat door de informalisering van de gewone taal de academische taal steeds verder weg staat van de studenten. Ze zei dat met als strekking: dus moeten studenten harder hun best doen om die ‘ver weg’ taal aan te leren. Ik dacht: je kan dat ook omkeren – wat als academisch schrijven ‘gewoner’ zou mogen?
  • Het blijft leuk en vaak ook leerzaam om, als de inhoud me niet zo boeit, na te gaan hoe de spreker het doet en wat voor effect dat heeft op mij. Belangrijkste wat ik daarvan meeneem is dat timemanagement er echt toe doet. In één sessie moesten groepjes terugrapporteren en het eerste groepje nam meteen zo veel tijd dat er voor ons, het derde van vier, amper meer tijd was, laat staan voor het vierde. Ook in de kleine groepjes namen sommigen uitgebreid de tijd – ik praatte met iemand na die de indruk had dat enkele collega’s nogal ‘omhoog’ zaten met hun verhaal en het dus graag spuiden.
  • Fictieve cases zijn demotiverend; studenten doen beter hun best op ‘echte’ dingen, zoals hun eigen stageverslag. In die echte dingen komt er een boel bij, zoals ethische en strategische en morele kwesties. Daar wordt schrijven een stuk complexer van.
  • Over motivatie gesproken: docenten klagen steen en been over het gebrek eraan bij hun studenten, dat viel me echt op. Woorden als sceptisch en cynisch over communicatieve vaardigheden zijn ook gevallen. Maar ze bakken er niks van en vinden alles al gauw te moeilijk en te theoretisch. En, o, die vermaledijde telefoon….
  • Klassieke retorica is nog steeds erg relevant en de moeite waard en verdient dus een plek in het onderwijs. De spreker illustreerde dat met indrukwekkende filmpjes van enerzijds Tutu en anderzijds Goebbels.
  • Er is een proefschrift over wat voor eisen de praktijk stelt aan het schrijven van accountants en adviseurs, dat klonk super interessant, en het verbaasde me dat ik het verschijnen daarvan gemist had. Ik kon het gelukkig wel online vinden, dus ik kom er later op dit blog op terug.
  • Ik weet eindelijk wat ‘flipping the classroom’ is: omdraaien van wat je in de klas doet en thuis. En ‘comparative judgment’ is het jargonwoord voor teksten met elkaar vergelijken als vorm van feedback.

Het was ook erg leuk om een aantal oude bekenden weer eens te zien! Tot volgend jaar!


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.