Nieuwe taalcoaches: veel succes gewenst

Een paar weken terug was het uitgebreid in het nieuws: de plannen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken om extra mensen en middelen in te zetten voor begrijpelijker taal. Ik heb het met interesse gevolgd: de berichtgeving, de reacties o.a. op Twitter, de toelichting van de staatssecretaris bij Pauw.

Het is zonder twijfel een loffelijk initiatief. Ja, er kan een boel verbeteren aan de communicatie tussen overheid en burgers. Ik heb op dit blog ook wel eens gehakt gemaakt van slechte overheidsbrieven (voorbeeld). Met wat zorg en aandacht is daar een boel te winnen. Ik hoop van harte dat dat gaat gebeuren.

Ik heb me wel verbaasd over de wat al te simplistische en oppervlakkige beeldvorming: alsof beter schrijven door de overheid een kwestie is van het rechttrekken van wat zinnen. Want die ambtenaren, die formuleren raar. ‘Wartaal’ las ik zelfs in een reactie. Ik ben bang dat als je er zo over denkt, je weinig verbetering kunt verwachten, en een boel weerstand.

Er zijn veel redenen waarom ambtenaren schrijven zoals ze doen, waarom dat verbeteren niet zo makkelijk is, en waarom alleen maar aan wat zinnen schaven op z’n best symptoombestrijding is. Ik licht de drie meest specifieke en moeilijk te veranderen eruit:

  • Als je zinnen verandert, verandert de inhoud mee. Dat kan (bijna) niet anders. Wat ‘stijl’ heet, is vaak óók een inhoudelijke kwestie. Ik zag daar in de nieuwsberichten ergens een voorbeeld van, ik weet het niet meer letterlijk, maar het kwam erop neer dat de juridische standaardzin over het kunnen aantekenen van bezwaar of beroep tegen een beslissing was veranderd in iets als ‘Als u het hier niet mee eens bent, kunt u dat laten weten op…’ Sohee, da’s een stevige inhoudelijke verandering!
  • Niet altijd is begrijpelijkheid, duidelijkheid en leesbaarheid in het belang van de schrijver. Dat laat het voorbeeld uit de vorige bullet ook zien: die nieuwe zin zal, zo verwacht ik, tot meer reacties leiden dan de oude. Wie zit daarop te wachten? Bovendien moeten in zo’n politieke omgeving altijd een heleboel mensen het eens zijn met wat er op papier komt te staan, en daarin sneuvelt leesbaarheid ook nogal eens. Niet fijn, maar lastig te voorkomen. Je moet in elk geval als tekstadviseur sterk in je schoenen staan om het belang van de lezer te verdedigen.
  • Je kunt nog zulke simpele zinnen schrijven, als je kijk op de zaak waar je over schrijft sterk afwijkt van die van de lezer, is het nog onbegrijpelijk. Wie nu niet weet waar ik het over heb: verplichte leesstof is De brievenbus van mevrouw de Vries. In dat geweldige boek wordt duidelijk hoe zeer de beleving van instanties, met bijvoorbeeld gejubel over toenemende marktwerking, haaks staat op die van een hulpbehoevende, oudere dame. Of als je iets wilt zien: kijk ‘De brief van de burgemeester‘. Die brief maakt het probleem van de bewoners erger; een hoogtepunt van botsende wereldbeelden vind ik het fragment waarin de ‘eigen kracht coördinator’ een ‘plan’ op een flipover heeft gezet en voor zijn gevoel de zaak dus heeft opgelost. Hij glundert, maar de bewoners kijken alleen maar glazig. Zijn taal is begrijpelijk genoeg – dat is hier echt het probleem niet. Ik heb me zelf ook nog wel eens druk gemaakt over hoe Rijkswaterstaat één van de vele nieuwe snelwegen hier in de omgeving omschreef als ‘groene boog‘. Echt, ik snap alles wat er staat, althans, qua formuleringen. Maar hoe je het voor elkaar krijgt om zo te ronken over een nieuw stuk snelweg, daar begrijp ik niks van.

Ik denk dat je deze verschijnselen goed moet doorgronden om ambtenaren écht te helpen met schrijven. Dat inzicht, die wijsheid, wens ik de nieuwe taalcoaches bij BZK van harte toe.

Laten we Kymrië zeggen

Geen foto, maar ook een leukigheidje, tot slot van de reeks naar aanleiding van mijn vakantie: ik heb in Wales ook nog een Nederlands woord geleerd. Er is namelijk een mooi Nederlands woord voor Wales: Kymrië. Ik had het nooit gehoord, maar googlend kwam ik het tegen. De taal is dan het Kymrisch en de inwoners Kymriërs.

Kymrië sluit veel meer aan bij hoe de bewoner zichzelf noemen: Cymry. Dat betekent in het Kymrisch net zoiets als Dutch: de gewone mensen, landgenoten. Hun land heet Cymru.

Wales en Welshmen zijn Engelse namen, en die betekenen juist iets als vreemd/vreemdelingen. In de middeleeuwen wisten Engelse koningen het Keltische gebied met wat strubbelingen onder hun gezag te brengen.

Wales is dus het woord van de machthebber, die die lui maar vreemd vond. Kymrië is daarom eigenlijk een vriendelijkere naam voor Wales. Jammer dat we dat woord niet vaker gebruiken.

Een zin ontwarren met wij/ ons

Ik zag laatst een zin waar ik behoorlijk op moest puzzelen om hem te begrijpen. Ik heb hem geanonimiseerd, hij was afkomstig van BedrijfA:

Na .. fijne jaren van iets doen wordt 2020 een jaar van verregaande samenwerking met BedrijfB dat BedrijfA in september volledig  gaat overnemen. BedrijfB is een ervaren organisatie met een ruim aanbod tegen aantrekkelijke prijzen.

Wie gaat nou wie overnemen? Aan de eerste zin kan ik dat niet goed zien, en het is meer uit de context dat ik afleid dat BedrijfB de overnemer is, en BedrijfA de overgenomene.

Hoe zou je dat ook in de zinsbouw duidelijk kunnen maken? Een passief kan: ‘.. met BedrijfB waardoor BedrijfA in september volledig gaat worden overgenomen’. Opdelen in kortere zinnen kan ook, maar dezelfde verwarring sluipt daar makkelijk in.

De beste oplossing vind ik dat BedrijfA het over zichzelf zou hebben als wij of ons. In één knap helder, en persoonlijker.



Wales: andere bordjes

Ik had het eerder al over de tweetalige, maar we zagen op onze vakantie in Wales nog wat andere leuke bordjes – als vorm van schriftelijke communicatie een ‘hobby’ op dit weblog.

Deze spreekt mij als fietsen natuurlijk erg aan – ook al waren we in Wales vooral om te wandelen:

Dit bordje om de weg te wijzen naar de wc vond ik hilarisch:

En ook deze is leuk, let op de woordspeling met toad (towed)

En deze, in de kerk van onze startplaats Chepstow, vond ik vooral mooi, en daar hoef je niet religieus voor te zijn:


Mijn ogen uitgekeken op tweetalig Wales

Tijdens onze vakantie in Wales heb ik mijn ogen uitgekeken op de bordjes. Alle officiële en ook een heleboel minder officiële bordjes zijn er tweetalig, en dat terwijl er maar zo’n 20 procent van de bevolking Welsh spreekt en die zijn altijd tweetalig. Dat is bovendien vooral in het Noord-Westen, waar we niet zijn geweest – ik heb het dan ook niet horen spreken, niet anders dan de stationsomroep en op TV.

Maar ik heb het dus wel veel gezien. Dit was het eerste bordje waar ik op heb staan studeren, op het station van Newport, waar we op de heenreis overstapten:

Het ziet er heel exotisch uit, en dat is het ook, maar het wordt iets simpeler als je weet dat de w een klinker is, onze oe. Dan herken je de leenwoorden balwns en heliwm – je mag op het spoor niks met ballonnen en helium.

Welsh spelt consequent op de eigen manier, wat soms hilarisch is, bijvoorbeeld als het gaat om het land Wrwgway (tegenstander op het WK Rugby, erg belangrijk in Wales).

Veel weet ik niet van het Welsh, maar ik kwam er wel achter dat het consequent de kern voorop zet:

Llwybr is pad, en dat is de kern, dat is wat het is (een pad, we wandelden daar een week op), dus de woorden staan precies omgekeerd als in het Engels of bij ons – de Germaanse talen rommelen op dat punt wat.

En wat ik ook zag, was dat vervoegingen aan het begin van het woord kunnen plaatsvinden. Het Welsh gebruikt het Engelse leenwoord platform voor perron, maar als daar een voorzetsel voor komt te staan, verandert de eerste letter – een naamval:

Dat is zo ongeveer hoe ver ik ben gekomen, maar als taalkundige vind ik dat dus erg leuk.

Ik heb verder geleerd de naam van een van de dorpen waar we overnachtten uit te spreken: Llangatock Lingoed. Om de een of andere reden kwam de naam van de ll zomaar ineens in me opploepen: dat is een laterale fricatief. Waarom heb ik dat onthouden, van, uh, wanneer had ik fonetiek, 1988?

Verder heb ik een paar losse woordjes opgepikt. Het woord dat je het meest ziet staan is croeso, ‘welkom’ – in de B&B van Llangatock Lingoed bijvoorbeeld:

Maar ook elke keer dat we de grens overstaken – Offa’s Dyke Path loopt óp de grens:

Welkom hebben we ons zeer zeker gevoeld: het was makkelijk om contact te maken en we ervoeren de Welsh als vriendelijk en makkelijke praters.

Onderweg had ik me afgevraagd of al die moeite voor de minderheidstaal niet wat overdreven was. Wales heeft weliswaar een goede reputatie op dat gebied: Welsh groeit en bloeit en heeft een hoge status. Maar in sommige wijken van Cardiff zouden bordjes in het Hindi of Chinees nuttiger zijn. En het kost heel wat natuurlijk.

Maar het was wel dankzij de tweetalige bordjes dat ik steeds wist of ik in Engeland of in Wales was. Het verschil is verder niet groot, niet zichtbaar althans. De taal is voor de Welsh mogelijk een van de weinige manieren om hun eigenheid uit te drukken.

Naast rugby natuurlijk.

So what in the London Underground

Ik ben net terug van twee fijne weken vakantie in Wales – en een beetje Engeland. Op Wales kom ik later nog terug: ik heb onder andere weer een paar leuke en interessante bordjes op de foto gezet, en mijn ogen uitgekeken op de tweetaligheid.

Nu eerst een bordje dat ik maandag zag, op de terugweg uit Cardiff met de trein. Het was in de London Underground die ons van het ene station naar het andere bracht. Ik kan dat bordje zó gebruiken als voorbeeld in een training, om uit te leggen wat de verhouding tussen hoofdboodschap (so what) en onderbouwing is:

Ik zou die twee zinnen omdraaien:

Please keep your belongings and clothing clear of the doors. Items trapped in the doors cause delays.

Dat is wat ‘hoofdboodschap voorop’, en de tweede zin beantwoordt dan de waarom-vraag. Maar die hoef je als lezer eigenlijk alleen maar te lezen als je dat wilt – als je jezelf dat waarom afvraagt.

Bij de oorspronkelijke volgorde is de eerste zin alleen maar een algemene mededeling, waarvan je je als lezer kunt afvragen ‘nou en?’ of ‘dus?’ of ‘wat betekent dat voor mij?’ of, in de toepasselijke taal: ‘so what?’ Precies die vragen zetten je in het algemeen op het spoor van de hoofdboodschap – het zijn in de piramide de bottom-up-vragen.

In dit geval, om daar antwoord op te krijgen, of de voor jou relevante strekking te lezen, moet je méér lezen, en nog kleinere lettertjes ook.

Ik vind het onhandig zo. Maar misschien is dit wel een verschijnsel van de wat indirectere Britse communicatiecultuur?

Vliegplaats

Ik wandelde laatst in de duinen bij Zoutelande en toen kwam ik dit wat verbleekte bordje tegen:

Tsja, dat zei me toch even helemaal niets. Vliegplaats? Dat is iets anders dan een vliegveld, en vliegvelden heb je niet in de duinen en/of bij Zoutelande. Ik had dus ook geen idee waar ik op moest letten. Toch niet iets met die insecten?

Toen ik iets verder liep en een afgetrapt stukje duin zag, bovenop een heel steil en hoog stuk, viel het kwartje wel: oja, voor van die paragliders enzo. Heb ik vroeger wel eens gezien, dat ze dat daar deden.

Maar dan weet ik nog steeds niet waar ik precies op moet letten. Die lui springen eraf, niet op het wandelpad, toch? Of moet ik oppassen daar zelf niet naar beneden te kukelen? Vaag woord toch, opletten.

Het is ook niet zo heel gek dat ik het woord niet ken, zie ik als ik google. De eerste pagina staat vooral vol met resultaten van… Zoutelande. Er zijn bovendien, zo lees ik, maar drie vliegplaatsen in Nederland.

Vliegplaats is ongetwijfeld een heel gewoon woord in Zoutelande en omgeving. Maar niet voor de vele bezoekers en toeristen.

Prima is niet zo goed

In mijn vakgebied is wel eens wat discussie over de betekenis van het woord prima – als ik me goed herinner, was het laatst op Twitter weer zo, en ik vond bijvoorbeeld ook deze blogpost.

Waar het om gaat is dat prima van z’n woordenboekbetekenis af aan het glijden is. Die is iets als eerste, fijnste, voornaamste, uitstekend, bijzonder goed. Maar inmiddels is gewoon goed positiever, en is prima verschoven naar ‘niet zo veel tegenin te brengen’. Overigens hangt dat wel af van de intonatie.

Of ook dat al niet meer? Ik kreeg onlangs een enquête toegestuurd over een sportevenement met daarin de volgende vraag met keuze-opties:

Prima staat hier tussen ‘ja’ (= deelname was naar wens) en ‘redelijk naar wens’ in en is dus ook bepaald niet bijzonder goed of uitstekend maar duidelijk wat lauwer dan dat.

Voor mij is dat toch gek. En interessant: een betekenisverschuiving die zich voor mijn ogen voltrekt.

Betekenisverschuivingen van woorden die een waardering uitdrukken is trouwens van alle tijden. Ik krijg het ‘jeugdige’ gebruik van vet bijvoorbeeld niet uit mijn mond. Of denk aan verschrikkelijk tegenover verschrikkelijk goed. Als taalgebruikers hebben we kennelijk veel behoefte aan uitdrukkingsmogelijkheden voor hoe we iets vinden.

Gaaf is dat.

PowerPointLol live

Vorig jaar schreef ik hier over de hilarische Powerpoint-persiflage van Arnout Vandenbossche. Eergisteren heb ik hem diezelfde act live zien doen, in Vlaardingen. Geweldig!

En er was meer: zijn show heet ‘Burnout voor beginners’ en gaat over ellende op het werk. Meer thema’s raakten aan ‘tekst & communicatie’: de e-mail-stortvloed, mislukkende vergaderingen, zinloze trainingen. Bovendien maakt Vandenbossche veel gebruik van visuele middelen, zoals een flipover. Daarop verscheen het ene kwadrant na het andere, om hilarische indelingen te maken van bazen, collega’s, klanten enzovoort.

Toen ik gisteren aan het werk was op een kantoor van een opdrachtgever, had ik de hele tijd flashbacks naar de avond ervoor – en dan zat ik weer even te gniffelen.

Vandenbossche heeft een goed inzicht in hoe het gaat op het werk, en hij heeft een maffe, droogkloterige manier van daarover praten. Ik vond het zeer de moeite waard.

Zijn Nederlandse tournee duurt nog even, en is nog net niet helemaal uitverkocht, dus ik zou zeggen: grijp je kans!