Zeldzaam bloopers in leuk boek

De afgelopen weken heb ik het boek Blauwgeruite ziel. Vlissingse verhalen gelezen, een bundel columns met anekdotes en verhalen uit de Vlissingse geschiedenis. Ik ben geboren in Vlissingen en heb er tot mijn achttiende gewoond, en kom er nog steeds regelmatig. Enerzijds had ik verrassend veel ‘haakjes’ met de verhalen in de columns, dingen die ik ooit had gehoord, soms maar deels en regelmatig heel lang geleden. Anderzijds las ik ook nieuwe wetenswaardigheden over mijn vaderstad. Samen maakte het dat boek erg leuk.

Waar ik me echter ook mee heb vermaakt, waren de vele grammaticale bloopers in de tekst. Vooral die van dit type, ook wel Tante Betje genoemd, het gaat over een bezoek van Napoleon aan de stad:

Met saluutschoten werd afscheid genomen, en liet hij weten in oktober voor een langer bezoek terug te komen.

Daarbij talloze enkelvoud/meervoud-problemen, sommige van het type ‘‘Een groep scholieren ging naar huis en werden daar opgewacht door…’ (de gedachte aan het meervoud roept de fout op) of deze:

Het gebeurde tijdens de Spaanse burgeroorlog toen troepen van dictator Franco Bilbao belegerde.

Daar is het waarschijnlijk Franco of misschien zelfs Bilbao dat de troepen overrulet in de werkwoorduitgang.

En als het dan grammaticaal goed gaat, dan is er nog wel af en toe een uiterst moeizame zin, zoals deze over het nieuwe ziekenhuis, Bethesda:

Want zo luidde de naam vroeger, nadat na een jarenlang slepende ziekenhuiskwestie het na een royale schenking van een weldoend echtpaar op 26 augustus 1931 werd geopend.

Al dit soort stijlproblemen vind je terug in de naslagboeken over goed schrijven, maar ik zie ze in de praktijk van mijn eigen werk maar zelden. Het zijn namelijk fouten die vooral voorkomen bij mensen die weinig schrijven en ook weinig lezen. Het is opmerkelijk dat iemand jarenlang columns schrijft en dan toch nog zulke fouten maakt. 

Het níet maken van dit soort fouten is namelijk vooral een kwestie van een goed gevoel voor schrijftaalzinnen. Je kunt het wel met ontleden beredeneren allemaal, maar dan moet je eerst voelen dat er iets fout gaat. Anders zou je elke zin die je opschrijft moeten ontleden, en dat doet geen mens. Een ervaren schrijver ‘weet’ hoe een zin moet lopen.

Dat schrijftaalgevoel ontwikkel je vooral door doen – oefening baart kunst – en door te lezen. Niet zomaar lezen. Goede dingen lezen, dat werkt. Goede boeken, literatuur, en in elk geval verzorgde, goed geredigeerde tekst. Misschien eens iets uit de canon?

Logisch vet

Psychologie Magazine maakt over het algemeen goed gebruik van vet om de ogen van haastige lezers langs de hoofdzaken van de tekst te leiden,  zoals bijvoorbeeld hier, uit het huidige nummer (maart 2017):

Stukje tekst over schuldgevoel

Een paar pagina’s verderop wordt de haastige lezer echter op het verkeerde been gezet:

Stukje tekst over goed slapen

 

Als je de vetgedrukte zin niet leest, is de suggestie dat dik, lelijk, onaardig en dom de redenen zijn om je slaap te koesteren. Voor een journalistieke tekst is dat nog wel te rechtvaardigen: het kan een manier zijn om de lezer juist tot wat grondiger lezen te prikkelen. Zo van: huh, hoe zit dat? Ik moest zelfs even grinniken ook.

Maar voor een zakelijke tekst zou ik zeggen: gebruik vet zo dat het de logica van je betoog ondersteunt.

 

 

Links tussendoor

Nee, ik ben niet alleen met het college overtuigende teksten bezig, hoor! Integendeel, ik heb het juist vrij druk, en deze week vervalt daardoor het college zelfs, want ik moet ergens anders heen, training geven. Maar vandaag wel even tusssendoor een paar leuke en nuttige links:

  • Je kan de nieuwe Amerikaanse president en zijn entourage van alles naar het hoofd slingeren, zelfs slecht spellen, zegt dit nieuwsbericht van maandag.
  • Nog een actuele, met een raakvlak met de politiek: deze nieuwe tijd vraagt om nieuwe drogredenen. Fraaie analyse van moderne argumentatie!
  • Een aanbesteding kun je verliezen op tekst. Lees hier hoe je dat voorkomt.
  • En over goed schrijven (van overtuigende teksten!) gesproken: met handige technieken wist een Britse toezichthouder de respons op brieven te verzevenvoudigen!

Overtuigende teksten: gedrag en verwerking

In het college van afgelopen vrijdag (thread) ging het niet zozeer over overtuigende teksten, maar over wat daarmee gebeurt in het hoofd van de lezer. Of althans, wat daarmee in het ideale geval zou gebeuren, want we blijven bescheiden: zo heel veel gedragsverandering bereik je niet met tekst. Ook adviesrapporten bereiken lang niet altijd wat ze beogen, daar kan elke adviseur over meepraten.

Als je dan toch gedrag met tekst wil beïnvloeden, dan zal de tekst moeten aangrijpen op mogelijke ‘determinanten van gedrag’, en dat was het eerste onderwerp van het college. Van de twee soorten gedrag, bewust versus automatisch, gaat de stof vooral over bewust gedrag, en voor adviesrapporten is dat ook de belangrijkste van de twee.

Aan bewust gedrag (stoppen met roken) liggen volgens het model van Fishbein & Ajzen drie dingen ten grondslag: attitude (hoe sta je tegenover roken?), de waargenomen sociale norm (hoe acceptabel is roken?) en de inschatting van de eigen effectiviteit (kun je wel stoppen met roken?). Daarvan wordt in het boek de attitude het diepst uitgewerkt. Een attitude is een evaluatie, bijvoorbeeld ‘roken is slecht’. Daaraan ligt weer kennis ten grondslag, geformuleerd als overtuigingen: ‘roken veroorzaakt longkanker’. Om gedrag te veranderen, moet je sleutelen aan de attitude en dat kan via de overtuiging. Maar je ziet meteen al dat alleen maar informeren dat roken slecht is, niet bepaald bij iedereen leidt tot ermee stoppen.

Adviesrapporten doen ook veel op basis van kennis. Die kennis moet dan via de overtuiging en attitude van de lezer tot het in het advies verwoorde gedrag leiden. Het is over het algemeen een heel rationele manier van gedragsbeïnvloeding. De eigen effectiviteit speelt volgens mij ook een rol, als het adviesrapport niet alleen zegt waarom het advies goed is, maar ook hoe je het uit moet voeren. Dat is dus niet alleen praktisch handig, maar helpt ook met het overtuigen.

En ja, ook de sociale norm speelt een rol. Althans, dat vermoed ik toch wel op basis van de modevlagen die ik zie in adviezen: je doet mee met de rest. Een paar jaar terug was het operational excellence, daarna customer intimacy, op het ogenblik is het agile en disruptief wat de klok slaat (of loop ik alweer achter?). Dat doet iedereen, dus dat zal wel goed zijn. Dat is een stuk minder rationeel, maar zo zitten menen én adviseurs wel in elkaar. Klanten willen die modewoorden horen; adviseurs praten er graag in (als je hier enig cynisme mijnerzijds in door hoort klinken, dan klopt dat).

Het tweede onderwerp van het college was wat er gebeurt in lezershoofden als ze een overtuigende tekst tot zich nemen. Ook daarbij weer een toonaangevend model: ELM. Volgens dat model kun je op twee manieren tot een standpunt komen: door het grondig verwerken van argumenten of op basis van simpele vuistregels. Ik gaf als voorbeeld in het college dat ik me vorig weekend echt had verdiept in een artikel in de krant om tot een standpunt te komen over interessante maar voor mij  niet zo bekende materie (‘centrale verwerking’), maar dat ik in de gauwigheid bij het boodschappen doen voor een potje vitaminepillen had gedacht ‘doe maar het huismerk, dat is meestal wel een goede prijs-kwaliteitverhouding’ en dus bijvoorbeeld niet de ingrediënten had staan lezen. Dat is typisch een keuze op basis van een vuistregel (‘perifere verwerking’).

Die intensieve manier van verwerken doen mensen niet zo veel, alleen als het ‘moet’. Dat herken ik van hoe lezers adviesrapporten lezen: grillig en eigenzinnig, en lang niet altijd alles zo grondig als de schrijver beoogt. Zo zitten we in elkaar, wij allemaal, we kiezen de weg van de minste weerstand. Dat ene artikel in de krant, dat was volgens mij het enige stuk in de hele week dat ik echt intensief heb verwerkt. Ja, en de twee hoofdstukken uit het boek ook. Dat moest, dat was werk!  

 

Overtuigende teksten: van nepnieuws tot adviesrapporten

Afgelopen vrijdag was het eerste college over overtuigende teksten (zie eerdere post met de aankondiging). Het is een relatief kleine groep van 12 studenten – allemaal vrouwen! Die omvang is prima werkbaar, het gebrek aan diversiteit qua sexe vind ik vooral opmerkelijk – dat heb ik nog nooit eerder zo extreem gehad in een college, al waren mannen altijd wel een kleine minderheid. 

We moesten een boel praktische zaken regelen en ik heb gedemonstreerd wat ik van de studenten verwacht in hun presentaties over het boek, namelijk een checklist-achtige samenvatting (de theorie vertaald naar praktische punten), geïllustreerd met een voorbeeld. Ik had daarvoor de tekst gekozen die Claudia de Breij in haar oudejaarsconference had gefileerd: het Hitteplan van het RIVM. Typisch zo’n tekst waarvan ik denk: wat zouden ze daar nou mee hebben willen bereiken, en bij wie? Nouja, je bereikt met teksten sowieso weinig gedragsverandering – we zullen bij het vak bescheiden moeten zijn en ons richten op de vraag wat je als tekstdeskundige wél kunt doen.

De twee kenmerken van overtuigende teksten die mij het meest opvielen in het eerste hoofdstuk van het boek waren:

  • Als lezers weten dat de tekst overtuigend bedoeld is, zetten ze zich als het ware schrap en laten ze zich minder gauw overtuigen. Reclamemakers spelen daarop in door hun uiting er zo veel mogelijk als redactioneel stuk uit te laten zien, de advertorial. Maar daar moet dan dus wel in staan dat het een advertorial is.. De RIVM-tekst geeft overigens weinig hints dát het om een  overtuigende tekst gaat, anders dan de tekst zelf. Van die bron zou je bovendien net zo goed een informatieve tekst kunnen verwachten. Dit punt is trouwens heel actueel vanwege de relatie met nepnieuws.
  • Een overtuigende tekst kan sturend of niet-sturend zijn. Bij sturende overtuigende teksten staat in de tekst waarvan die je wil overtuigen of tot welk gedrag die wil aanzetten. De RIVM-tekst bevat bijvoorbeeld gebiedende wijzen en we vermoedden dat het standpunt expliciet aan het eind van de eerste alinea staat: ‘U kunt eenvoudig maatregelen nemen om overlast door hitte te beperken voor u en de mensen in uw omgeving.’ Sturend, dus. Niet-sturende overtuigende teksten zetten bijvoorbeeld de nadelen van iets (roken) op een rijtje, zonder te zeggen dat je dat dus beter niet kunt doen.

Beide punten zijn actueel vanwege nepnieuws. Je kunt lullige dingen over je politieke tegenstander verspreiden alsof het nieuws is. Lezers herkennen het niet als poging tot overtuiging. Je stuurt niet, maar je wint misschien wel de verkiezingen…

Dan weer naar de adviesrapporten en voorstellen: dat zijn nadrukkelijk overtuigende genres, en dat lijkt me niet anders kunnen en geen probleem, ook al maakt het de lezers kritisch. Ik denk trouwens dat dat bij adviesrapporten wel meevalt, tenminste, als de adviseur zijn werk goed gedaan heeft en vertrouwen heeft opgebouwd. Die teksten zin op dat punt niet te vergelijken met massamediale teksten. Wel denk ik dat je als adviseur wordt ingehuurd om te sturen – maak maar expliciet, dat standpunt en die acties!

 

Start college overtuigende teksten

Als je dit weblog al een tijdje volgt, weet je dat ik af en toe college geef – ongeveer één keer per academisch jaar wel ergens iets; voor het laatst vorig jaar om deze tijd in Utrecht. En morgen begint het weer: ik ga in Leiden het vak ‘Tekstontwerp en persuasieonderzoek’ geven. Daarin gaan de studenten aan de slag met een zelfgekozen tekst die bedoeld is om gedragsverandering teweeg te brengen. Ze gaan:

  • De tekst analyseren aan de hand van een boek dat een overzicht geeft van het onderzoek naar overtuigende teksten.
  • Lezersonderzoek uitvoeren (pre-test).
  • Voorstellen doen voor verbetering, inclusief minstens een stuk herschrijving.

De teksten zijn bijvoorbeeld voorlichtings- of reclamemateriaal, of campagneteksten (de verkiezingen naderen immers). Dat zijn andere teksten dan waar dit weblog over gaat, maar ik zal zelf een vertaalslag maken naar de praktijk van adviesrapporten.

Eerste vraag natuurlijk: is een adviesrapport wel gericht op gedragsverandering? Ik denk veel wel: ik denk dat een adviseur graag wil dat de klant een bepaalde beslissing neemt. Beter zichtbaar is dat trouwens bij een aanverwant genre: het voorstel, bijvoorbeeld een investerings- of projectvoorstel. Ik heb in trainingen wel eens besproken bijvoorbeeld dat de impliciete hoofdboodschap van een voorstel eigenlijk is ‘ga met ons in zee’, en dan lijkt dat genre ineens op reclame (‘koop dit product’). 

Maar ook bij adviesrapporten zou het toch gek zijn als de adviseur, hoe onafhankelijk die ook is, niet wil dat de klant het advies opvolgt. De mate waarin de tekst de klant nog moet overtuigen verschilt echter. Veel overtuigingswerk gebeurt immers tijdens het adviesproces. Dat valt buiten het bereik van het college. Maar voor de tekst hoop ik de komende maanden (het vak loopt door tot in mei) samen  met de studenten wijzer te worden. Ik houd jullie op de hoogte!

 

 

Onderbouw het maar

Gister maakte Lubach op hilarische wijze gehakt van enkele vragen uit de inburgeringstoets. Op Twitter (Koen Steenman) zag ik daarnet een vervolg erop voorbijkomen, namelijk deze vraag uit de Cito-toets voor groep 7:

Aanvulvraag

Ik had geen idee; het blijkt B te moeten zijn, want dan zijn alle vijf boeken.

Eerder al was er veel kritiek op het eindexamen Nederlands (voorbeeld van dit jaar). Wat er in elk geval altijd in misgaat, in die toetsen, is de gedachte dat er maar één juiste manier van interpreteren is. Wat Lubach gister ook zei: een inburgeraar moet gaan zitten raden naar wat iemand anders zou kunnen vinden van…

Dat onze hoofden allemaal op dezelfde manier interpreteren is een illusie. Het is jammer dat het onderwijs die illusie zo voedt. Daardoor denken veel mensen ook later nog bij lezen en interpreteren (en dus ook bij schrijven) veel te zeer in goed-fout-termen. Terwijl het niet gaat om goed of fout, maar om kunnen onderbouwen.

Terecht rekende twitteraar Koen Steenman dan ook elk redelijk onderbouwd antwoord goed.

Waarom niet lezergericht?

Vanochtend met een groep trainees van verschillende universiteiten het spanningsveld besproken tussen lezergericht schrijven en de praktijk van schrijven in organisaties. Centraal stond de vraag: waarom zijn er eigenlijk zo veel teksten niet lezergericht? We kwamen tot negen antwoorden:

  1. Omdat het schrijfproces rammelde. De schrijver was of de schrijvers waren bijvoorbeeld nog niet uitgedacht en dus is de tekst niet helder.
  2. Vanwege ‘copy-paste’: er is een oude tekst gebruikt en die is min-of-meer aangepast, maar niet voldoende voor deze nieuwe lezers.
  3. Omdat de verhouding met de lezer niet goed is ingeschat. Op de universiteiten is het meest typerende voorbeeld daarvan dat alle teksten worden geschreven zoals academische: alsof de lezer een kritische peer is. Een ander inschattingsprobleem is dat er in de meeste teksten meer staat dan de lezer wil weten.
  4. Uit conventie: we schrijven ‘nou eenmaal’ zo, omdat ‘het hoort’.
  5. Vanwege de organisatiecultuur is bijvoorbeeld wollig, omslachtig en voorzichtig (punt 4 en 5 samen zou je ook ‘gewoonte’ kunnen noemen).
  6. Vanwege ego-belangen van de schrijver. Die wil zich bijvoorbeeld geleerd voordoen door moeilijke woorden te gebruiken. Uit onderzoek is ook bekend dat mensen formeler gaan schrijven als ze onzeker zijn over hun positie.
  7. Omwille van tactiek: de tekst moet tot consensus leiden in een politiek speelveld.
  8. Omdat de tekst uitdijt door alle inspraak en feedback.
  9. Omdat de tekst een verplicht nummer is, zoals bijvoorbeeld maand- en kwartaalrapportages.

Allemaal misschien niet verheffend voor de lezer, maar wél de realiteit van schrijven in complexe organisaties. Kunst is natuurlijk om een goede afweging te maken – goed schrijven is bewuste keuzes maken!