Beren en andere beesten op de weg

Soms leer ik tijdens een training die ik geef zelf ook nog wel eens grappige dingen. Afgelopen vrijdag had een deelnemer het als voorbeeld van een metafoor over ‘leeuwen en beren op de weg’. Ik nam die over met alleen de beren. Toen zei hij: ja, en dan die leeuwen nog. Toen dacht ik: huh?

Ik wist niet beter of de uitdrukking was ‘beren op de weg zien’. Volgens hem was het ‘leeuwen en beren op de weg zien’. We konden ter plekke zoeken, en de spreekwoordenboeken gaven hem gelijk, althans, naast die leeuwen vond ik ook wel ‘apen en beren’ en ‘wolven en beren’. Zie bijvoorbeeld hier en hier.

Buiten de woordenboeken vind je echter vooral alleen maar de beren op die weg, zonder andere beesten. Grappig: het officiële spreekwoord is duidelijk in het dagelijks taalgebruik een paar van z’n beesten kwijtgeraakt!

Dank, Jaap!

Samenvatten doe ik zelf wel

Vorige week hadden we een bijeenkomst van de Vrouwelijke Ondernemers Overschie, het netwerk waar ik enthousiast lid van ben, over moodboards, door binnenhuisarchitect Debora Reis. Dat zag er zo uit:

Collage maken om tafe

 

 

 

 

 

 

 

 

(ik ben de tweede van rechts, in het zwart en opzij kijkend).

Zo’n moodboard maak je als collage, en dus bladerden we door allerlei tijdschriften heen. Daarbij viel mijn oog op een exemplaar van Flow (ik weet niet van wanneer, ben ik vergeten op te schrijven), met daarin achterin iets wat me verraste:

flow-samenvatting

Een samenvatting?! Wat me daaraan verbaast:

  • Ik heb dat nog nooit gezien in een krant of tijdschrift. Dat is ook niet nodig, want journalistieke teksten zijn zo geschreven dat je als lezer je eigen samenvatting kunt maken. De krant koppensnellend lezen, daar kan geen samenvatting tegenop. Meer in het algemeen zeg ik dat wel eens, een beetje provocerend: een goed gestructureerde tekst heeft geen samenvatting nodig. Of: een samenvatting is een noodoplossing om een slecht leesbare tekst toch nog een beetje toegankelijk te maken.
  • Ik vind het het raar dat je enerzijds een tijdschrift koopt en anderzijds klaagt dat er zo veel in staat (tenminste, dat begrijp ik uit wat er in het groene stukje staat). Koop het dan niet, zou ik zeggen. Of betaal je je geld om alleen die ene pagina te lezen?
  • Ik vind het een rare gedachte dat een lezer de voor hem/haar belangrijke dingen zou vergeten. Sterker nog: wat voor mij belangrijk is, dus wat ik wil onthouden uit zo’n tijdschrift, dat bepaal ik zelf wel. Dat kan een ander helemaal niet voor mij doen, want ik lees eigenzinnig. Niet alleen ik: alle volwassen lezers. We lezen allemaal  vanuit ons eigen leesdoel en -belang. Een representatieve en door een ander bedachte samenvatting is kunstmatig, schools.

Ach, het kan natuurlijk niet zoveel kwaad. Behalve dan dat het een pagina kost die met interessantere dingen gevuld had kunnen worden, en lezers het idee geeft dat ze representatief moeten lezen en onthouden. Daar gaan toch al veel volwassen lezers onder gebukt, onder dat ideaalbeeld van schools lezen. Vandaar dat ik toch blij ben dat mijn tijdschriften geen samenvatting bevatten.

De ene goede manier van lezen

Ik vind het altijd wel leuk om in deze tijd van het jaar iets te horen over het eindexamen Nederlands. Dit jaar valt me in de reacties op dat er kritiek is op de suggestie in het examen, of in de aanname erachter, dat er één juiste, objectieve manier van lezen zou zijn.

Ik lees dat bijvoorbeeld bij Marc van Oostendorp en iets in diezelfde strekking stond in de NRC bij monde van hoogleraar Nederlands Anneke Neijt (krant van dinsdag, p. 6). In beide gevallen gaat het om een passage van de tekst waarin sprake is van een ‘samenraapsel’ van gebouwen, en daaruit moet je als lezer dan afleiden dat die omgeving het beste te karakteriseren is als ‘rommelig’. Het beste in de zin van: beter dan de andere drie multiple-choice-antwoorden.

Maar, zo zeggen de deskundigen dus, elke lezer is anders, met eigen ervaringen, interpretaties, associaties. Dus vanwaar het idee dat er op zo’n vraag maar één goed antwoord is?

Eerdere jaren viel me dit type kritiek niet zo op. Was die er niet, of komt het omdat ik zelf veel bezig met de grote verschillen tussen lezers? Binnenkort verschijnt mijn Tekstblad-artikel daarover, gebaseerd op de scripties van Dorien en Kiki die ik begeleidde. En het gaat er tegenwoordig vaak over in mijn trainingen. Steeds meer raak ik ervan doordrongen dat je als schrijver je lezer zo goed mogelijk moet leren kennen, en/of schrijven voor grillige, wispelturige, onvoorspelbare lezers.

En die lezers, die ‘moeten’ niets. Ook niet meer een voldoende zien te halen voor een eindexamen. Gelukkig.

Schrijven als een sandwich

Via de (besloten) LinkedIn-groep van oud-McKinsey-communicatiespecialisten bereikte me de link naar een artikel waarin het piramideprincipe wordt vergeleken met een sandwich. Ik vind het wel een geslaagde uitleg, al zou ik graag het vlees vervangen door kaas. Het artikel betoogt vooral dat je over een complex onderwerp zo in één keer verschillende lezers kunt bedienen. Altijd leuk om dat van een ander te horen!

 

Nog meer leuks in Tekstblad

In het nummer van Tekstblad waar ik zelf een artikel in had, staan nog meer interessante artikelen. Ik pik er twee uit:

  • Meteen na het mijne staat er een van Jos Pieterse over de rol van taal bij veranderingstrajecten. Dat is sowieso leuk, en er is duidelijk een bruggetje naar mijn artikel. Het mijne gaat over een verandertraject, althans, dat is mijn visie: dat beter schrijven in een organisatie een verandertraject is (of vergt). Ik beschrijf het weerbarstige daaraan, en Pieterses artikel roept dan ook de vraag op in hoeverre de taal daarbij een rol speelt. In mijn artikel gaat het daar een beetje over: tijdens het beschreven project kwam ik erachter dat ‘klantgericht’ en ‘lezergericht’ voor mij wellicht een positievere betekenis hebben dan voor mijn deelnemers.
  • In haar column beschrijft Xaviera Ringeling hoe deelnemers aan haar workshop over bloggen alleen maar geïnteresseerd zijn in de vlugge tips en trucs, niet in haar verhaal over ‘hard werken, veel schrijven, veel doen, veel lezen, nadenken over doelgroep en doel van je tekst’. Dat vind ik heel herkenbaar: ook ik zie wel glazige blikken als ik het heb over de inspanning en moeite van goed schrijven. Al merk ik ook wel eens het omgekeerde – vorige week nog. Toen zuchtte een deelnemer juist eens van grote opluchting: hij had altijd gedacht dat het aan hem lag dat schrijven hem zo veel moeite kostte!

 

 

Flexibilisering – so what?

Deel columnIn de NRC van vorige week zaterdag staat een mooi voorbeeld van een controversiële so what: een als boodschap geformuleerde interpretatie van de data.

Randstad  hield een enquête over de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Op de vraag ‘Hoe staat u tegenover een arbeidsmarkt met uitsluitend flexibele contracten?’ antwoordde tweederde van de respondenten negatief. Marike Stellinga, NRC-columniste, vindt dat een logisch antwoord: de meeste mensen hebben liever de zekerheid van een vast contract. Dat is dus haar interpretatie.

Maar Randstad concludeerde zorgelijk: ‘Nederland niet voorbereid op flexibele arbeidsmarkt van de toekomst’. Tsja, dat verrast mij ook. Maar het is inderdaad een mogelijke so what.

Twee dingen herken ik hierin van het formuleren van (hoofd-)boodschappen bij adviseren:

  1. Als je wilt dat je lezer een bepaalde conclusie trekt, moet je hem er luid en duidelijk in zetten, want jouw logica is zeker niet altijd die van de lezer. Zonder zo’n expliciete conclusie van Randstad waren Marike en ik niet op het idee gekomen dat dat zorgelijke de strekking is van de data.
  2. Een hoofdboodschap is controversieel: je steekt er je nek mee uit. Je lezer kan het ermee oneens zijn. Dat is omdat een goede hoofdboodschap de data overstijgt. Die interpretatie, die doe je zelf, die is niet per se objectief of neutraal. Je voegt er als het ware wat aan toe – in dit geval is Randstads belang duidelijk, en misschien is de kleuring dus wat te sterk. Maar zonder kleuring kan het niet!

PROA: mooi hulpmiddel, maar schrijf liever piramidaal

Bij een van mijn huidige opdrachtgevers werken ze met PROA, een ‘krachtige en overtuigende adviesaanpak’ – althans, dat is de ondertitel van het boek erover dat ik maar eens gelezen heb, want ik was wel benieuwd. Ik kende het nog niet en ik hoorde dat het een model is voor adviserend schrijven.

Mijn indruk van Wat is nu eigenlijk het probleem is dat PROA dat laatste niet is: ik vind het geen geschrikt model voor adviserend schrijven. Het lijkt me wel een nuttig analysemodel dat adviseurs kan helpen om helder te krijgen wat precies het probleem is dat ze helpen op te lossen. PROA staat voor Probleem-Risico-Oorzaak-Advies en door die stappen bewust te zetten kun je als adviseur het eigenlijke probleem opsporen en oplossen en voorkom je dat je bijvoorbeeld aan symptoombestrijding doet.

Ik vind het dus inderdaad een krachtige adviesaanpak, maar geen schrijfrecept – terwijl het dat wel wil zijn. Ik kijk natuurlijk door een bril die sterk is beïnvloed door het piramideprincipe. Die opdrachtgever wil daarnaar overstappen en dat lijkt me terecht. Daar zijn twee redenen voor:

  • Het piramideprincipe zorgt voor grotere lezergerichtheid. Door te presenteren met het advies aan het eind (de A van PROA) duurt het lang voordat de lezer/klant het antwoord op zijn adviesvraag te horen krijgt. PROA houdt de klant aan het lijntje, op dezelfde manier als de methodologische, academische volgorde dat doet. Klanten roepen een adviseur in om een probleem op te lossen, dus voor de A, en een adviseur moet het PRO-werk goed doen, maar geef die klant eerst maar de A, zou ik zeggen – daar help je hem mee. Het piramideprincipe heeft daarom een sterke voorkeur voor ‘hoofdboodschap voorop’ (zie verder paragraaf 2.2 van Adviseren met perspectief over de voors en tegens van ‘hoofdboodschap voorop’).
  • Het piramideprincipe zorgt voor stevigere argumentatie voor het advies. Het advies als zodanig is in PROA niet onderbouwd en ik vind het daarom ook niet altijd zo overtuigend. Het moet logisch voortvloeien uit de O, maar die logica is niet zichtbaar. Ik zie dat in de teksten van die opdrachtgever, en ook een voorbeeld op p. 90 vind ik op dit punt onvoldoende overtuigend.
    Het voorbeeld in het boek gaat om een probleem in de managementinformatie, waarvan de oorzaak is dat ‘de controllers niet vaardig genoeg zijn om de informatie te analyseren’. En dan volgt het advies: ‘Wij adviseren om de controllers een training aan te bieden, waarin zij leren de financiële informatie te vertalen naar de wensen van het management’. Ik denk dan: hoezo een training? Enerzijds denk ik dat omdat het mijn eigen vakgebied betreft, waardoor ik weet dat trainingen vaak een doekje zijn voor elk bloeden in een organisatie, met een twijfelachtig rendement. Anderzijds denk ik dat omdat ik als lezer behoefte heb aan onderbouwing van dit advies. Samen komt dat erop neer dat ik behoefte heb aan argumentatie voor het advies. Zijn er bijvoorbeeld andere organisaties die met een training dit probleem doeltreffend hebben verholpen? Dat zou me helpen te overtuigen. Nu denk ik: verkoopt deze adviseur soms ook trainingen?
    Voor mijn gevoel start het overtuigen pas bij het geven van het advies, terwijl het er bij PROA eindigt. Dat is onbevredigend, en PROA lapt zo bovendien eeuwen nadenken over overtuigingskracht (de oude Grieken begonnen daar al mee) aan zijn laars. Het piramideprincipe begint daar juist: op het advies volgt een waarom-vraag, en zo werk je aan de onderbouwende argumentatie.

Neemt niet weg dat het goed kan zijn om een heldere analyse te maken van het probleem, alvorens een oplossing te bedenken. Veel oplossingen zijn immers voorbarig. Als je PROA ziet als stappen van een adviestraject, zou je voor de P, de R, de O en de A allevier een aparte piramide kunnen maken, die je op verschillende momenten bespreekt met de klant, zodat je de uitkomsten van de analysestappen gezamenlijk vaststelt. PROA is dus zeker een nuttig analysemiddel, maar schrijf en presenteer liever klantgericht dan analytisch.

 

Artikel over beter schrijven in organisaties

Ik kondigde het al eerder aan, en eind vorige week is het verschenen: mijn artikel in Tekstblad over de weerbarstigheid van beter schrijven in organisaties: ‘”We gaan hier niet populistisch schrijven”. Praten over tekstkwaliteit in organisaties’, in Tekstblad 2 van 2015, p. 6-10. Met een leuke cartoon erbij van twee sikkeneurige kerels die staan te simmen bij het koffieapparaat – en over het belang van de koffie-gesprekken gaat het stuk inderdaad!

Het artikel is bovendien het cover-artikel, dus die cartoon staat ook op de voorkant. Ook al heb ik n de loop der jaren regelmatig in Tekstblad gestaan, ik had het volgens mij nog nooit tot het cover-artikel geschopt, dus daar ben ik trots op.

De kop op de cover is  ‘Ongemak en wrevel. De weerbarstigheid van schrijftrainingen’. Die vind ik zelf een tikje ‘populistisch': de woorden ongemak en wrevel komen niet in de tekst voor (ik heb het even opgezocht, maar van wrevel wist ik dat eigenlijk sowieso wel zeker, want dat is geen Louise-woord), en ‘beter schrijven in organisaties’ is veel meer dan een schrijftraining – training kan er een deel van uitmaken. En samen is het me te negatief. Ik heb het zelf weliswaar ook over weerbarstigheid (je leert een organisatie niet ‘even’ beter schrijven), maar in het artikel ga ik juist ook in op wat bezig zijn met tekstkwaliteit wél oplevert: de medewerkers gaan erover praten, en er wordt een boel zichtbaar van wat er verder in de organisatie speelt.

Maar goed, het gaat in het stuk ook over (verzet tegen) koppen in Telegraaf-stijl. Die raad ik voor adviesrapporten af, maar Tekstblad mag het zelf weten natuurlijk!

Politieke stijlkeuzes systematisch onderzocht

stijl en politiekAfgelopen donderdag was ik bij de promotie van Maarten van Leeuwen in Leiden. Leuk om daarbij te zijn – aangezien ik af en toe college geef in Leiden, ken ik Maarten als collega, en bovendien zijn we wetenschappelijk aan elkaar verwant: we delen een promotor, Arie Verhagen. Vandaar dat ik Maartens onderzoek, weliswaar vanaf de verre zijlijn, gevolgd heb, en uitkeek naar zijn proefschrift en promotie. Hier een verslag, en dat is ook bedoeld als reclame voor het boek, Stijl en politiek geheten.

Er was nog een tweede reden waarom ik naar de promotie uitkeek, en dat is omdat ik Maarten graag over zijn onderzoek hoor praten. Hij doet dat prettig, aansprekend en helder; hij deed dat donderdag ook weer in zijn lekenpraatje. Hetzelfde kan ik zeggen over hoe hij erover schrijft. Wat dat betreft stelde het proefschrift niet teleur: ook dat is zeer leesbaar.

Dat leesbare zit hem deels in de boeiende inhoud: niet alleen is er die inhoudelijke verwantschap, ook is zijn onderwerpskeuze pakkend. Het boek gaat namelijk over parlementaire toespraken van Wilders (die vooral), Vogelaar en Pechtold uit de laatste jaren, dus dat is actueel en herkenbaar materiaal.

Het leesbare zit hem ook in de – zeker voor een proefschrift – prettige stijl. Het zou interessant zijn om te kijken welke kenmerken van Maartens schrijfstijl die toegankelijkheid bewerkstelligen. ‘Toegankelijk’ is immers een globaal oordeel, in welke stijlkenmerken wordt dat concreet, en hoe verschillen die van andere, meer weerbarstige proefschriften? Zo’n vraag stel ik wel eens in trainingen, als iemand een globaal oordeel geeft over de leesbaarheid van een tekst. En precies die vraag staat centraal in Maartens onderzoek. Niet van zijn eigen proefschrift natuurlijk, maar van die toespraken.

Maarten pakte de zaak systematisch aan. In de eerste plaats baseerde hij zich niet op zijn eigen intuïtieve oordeel over de toespraken, maar op wat daarover gezegd werd door anderen, bijvoorbeeld in de parlementaire pers. Vandaar de keuze voor dit genre: daarover zijn globale oordelen vrijelijk beschikbaar.

Vervolgens ging hij aan de hand van een checklist na of een contrast in globaal oordeel ook zichtbaar was in de stijlkeuzes. Daarbij ging het niet om woordkeuze, zoals Wilders’ knettergek of kopvoddentax, maar om subtielere grammaticale (zinsbouw-)keuzes.

De contrasten waren:

  • Wilders als heldere spreker tegenover Vogelaar als wollige, in het ‘knettergek’-debat
  • Wilders als man van het volk met afstand tot de Haagse politiek, versus Pechtold als ras-politicus met juist wat afstand tot gewone mensen, in de Algemene Beschouwingen van 2008 en 2009
  • Wilders in de loop van zijn politieke carrière, waarin hij als steeds radicaler gezien wordt, vooral sinds 2007.

Inderdaad bleken deze contrasten in globale oordelen te relateren te zijn aan stilistische keuzes. Waar Pechtold bijvoorbeeld in typisch Haags jargon praat (‘Als je herprioriteert en intensiveert, geef dan ook aan waar dat vervolgens weg wordt gehaald’) laat Wilders geen kans onbenut om naar ‘de kiezers’ en ‘de mensen in het land’ te verwijzen.

Eén van de meest opvallende stijlkeuzes is het gebruik van hoofd- en bijzinnen om een perspectief te presenteren: ‘ik vind dat X’ of ‘iedereen weet dat X’ . In de loop van zijn carrière is Wilders steeds stelliger geworden: hij gebruikt steeds vaker alleen maar X, zonder zo’n aanloop. Hij presenteert zodoende zijn mening steeds meer als feit en laat steeds minder ruimte voor discussie. Vogelaar daarentegen kan weinig zeggen zonder ‘ik vind dat’ of ‘het lijkt mij dat’ ervoor, en dat bepaalt waarschijnlijk mede de wollige indruk.

Het proefschrift heeft nogal wat media-aandacht gekregen. Dat is leuk natuurlijk, al is er ook wat tenenkrommends bij.  De kop boven het artikel in de NRC luidde bijvoorbeeld ‘Wilders’ boodschap zit verborgen in de bijzin’ (15 april) – nee juist, niet. Een deel van de aandacht was ook laatdunkend, alsof Maarten open deuren intrapt. Tsja. Ik kan me voorstellen dat het zo kan lijken, omdat het onderzoek niets anders doet dan die al bekende en algemeen gedeelte globale indrukken bevestigen. Ja, we wisten al dat Wilders radicaliseerde. Maar om te laten zien dat die radicalisering systematisch samenhangt met subtiele talige keuzes, dat had nog niemand gedaan, en dat wisten we echt nog niet, hoor. En zo is een intuïtief vermoeden ‘gepromoveerd’ qua type kennis naar het wetenschappelijke domein. Zo gaat dat wel vaker met onderzoek. En zeker in de taalwetenschap: iedereen voelt dat allemaal wel al zo’n beetje aan. Maar om het echt zichtbaar te maken, dat vergt jaren werk.

En we wisten echt heus nog niet dat, om maar iets te noemen, zelfs aanloopjes als de tweede die ik hierboven noemde, ‘iedereen weet dat…’, ontbreken in Wilders’ latere stijl, of ten opzichte van Vogelaar. Je zou immers denken dat hij daarmee zijn stijl juist stelliger maakt. Maar dat is dus niet zo. Zelfs dat soort ogenschijnlijk versterkende inbeddende zinnen vergroten de discussieruimte: zelfs ‘het is zeker dat X’  is ‘zwakker’ dan alleen maar X. Voor mij is dat één van de meest vernieuwende inzichten uit het boek, en zelfs bijna reden om nog eens naar mijn eigen oude data te gaan kijken, want ook ik heb onderzoek gedaan naar dat soort aanloopjes, maar dat in de lijdende vorm (‘er kan gesteld worden dat…’). Overigens werd Maarten precies op dit punt wel stevig aan de tand gevoeld donderdag!

Wat heb ik hier verder aan voor mijn dagelijkse praktijk? Vooral dat het stellen van die vraag van hierboven, namelijk die naar welke stijlkenmerken een globale indruk bepalen, een zinvolle vraag is. Misschien wel een vraag die je als schrijver moet stellen, bijvoorbeeld als je lezer je tekst ‘wollig’ zegt te vinden. Het is dan vooral goed om je stijl te contrasteren met die in een tekst die die lezer wel goed (minder wollig) vindt. Zo kom je ‘wolligheid’ op het spoor, en kun je er dus wat aan doen. Als je dat wilt!

En in de derde druk

Zoals ik hier al eerder meldde, komt er een derde druk van Adviseren met Perspectief. Ik heb daar sinds november aan gewerkt, en ik ben nu klaar. Binnenkort ga ik de spullen (tekst, figuren en webmaterialen voor de docentenhandleiding) inleveren bij de uitgeverij, en dan ben ik erg benieuwd wat zij ervan gaan maken qua redactie en vormgeving enzo. Ik ben over mijn deel in elk geval nu dik tevreden.

Ik had wel nog even wat uit te pluizen. Eén van mijn laatste proeflezers zei op een gegeven moment dat ze nogal wat taalfouten in het boek had aangetroffen. Nou ken ik mezelf, en het kan zeker zijn dat er nog slordigheden in staan – daarom ben ik blij met een redacteur. Maar taalfouten? Enerzijds weet ik wel dat dat echt zal meevallen, en toch schrik ik op zo’n moment.

Het duurde nog even voor ik haar detail-commentaar kreeg, dus ik vond het toch een beetje spannend. Wat bleek? Die taalfouten betroffen vooral gevallen van en na een punt of komma, en aanverwante ‘fouten’. Dat zijn wat mij betreft geen fouten. En (!) ik sta daarin niet alleen: de Taalunie noemt het verbod op en na een komma een ‘oude schoolregel’.

Diezelfde Taalunie vindt en aan het begin van de zin wat minder geschikt voor ‘zakelijke schrijftaal’ en dat illustreert meteen het punt dat ik met die ‘fouten’ wil maken: schrijftaal mag van mij stukken informeler dat wat ik gemiddeld zie. Van vele (proef-)lezers van Adviseren met Perspectief heb ik in de loop der jaren gehoord dat ze het boek prettig leesbaar vinden, omdat het is alsof ze me erin horen praten. En (!) dat zit hem dus ook in de en-nen.