Zomercolumn 4: je vrouw aan het fietsen krijgen

Zoals ik hier eerder beschreef, ben ik een jaar geleden vrij abrupt gestopt als fietsvrouwcolumniste. Ik had nog enkele columns liggen, en het leek mij een leuk idee om daar toch wat mee te doen, en ze te publiceren als zomerblog-feuilleton. Vandaar: in de zomerperiode publiceer ik hier elke week een nooit eerder verschenen fietsvrouwcolumn. Heel andere koek dan anders, maar in de vakantie mag dat wel! Hier is aflevering 4, waarin ik een door mannen veelgestelde vraag beantwoord: hoe krijg ik m’n vrouw aan het fietsen?

 

Hoe krijg je haar zo ver?

Dit keer behandel ik een FAQ: een (door mannen) vaak gestelde vraag: hoe krijg ik mijn vrouw/vriendin ook aan het fietsen? Goeie vraag – want ja, samen fietsen is geweldig! Ik heb alleen geen pasklaar antwoord, ik heb vooral wedervragen.
In de eerste plaats: wat wil je precies samen kunnen doen? Is dat op een mooie zondagmiddag lekker een eindje peddelen door de polder, terrasje, beetje keuvelen, zeg maar niveau Drentse Fiets4daagse? Of is het dat zij ook gaat leren zich dusdanig af te beulen dat ze een aantal Alpencols op rij kan bedwingen? Een vriendin van mij noemt dat het verschil tussen ‘bewegen’ en ‘trainen’ – en trainen is voor haar en veel andere vrouwen niet aanlokkelijk. Het kan zelfs intimiderend voor haar zijn, het idee zich het snot voor ogen te moeten gaan rijden met de sterke mannen. Het eerste doel is wellicht een stuk haalbaarder. Is dat okee voor jou? En welk mogelijk afschrikwekkend voorbeeld geven jij en je fietsmaatjes?
Ten tweede: je wil je eigen lol in fietsen overbrengen – waar zit die ‘m in? Ook hier een grove tweedeling: je kunt willen fietsen omdat je je niks leukers en lekkerders dan dat kunt voorstellen, of je kunt fietsen om een ander doel te bereiken. Voor veel vrouwen is dat slank en strak worden of blijven, en ook wel gezelligheid; voor jou misschien wedstrijden winnen. Het lijkt mij dat je het meest succesvol samen kunt fietsen als je doel gelijk gericht is. Als de een geniet van het ritje en de ander blij is na 500 verbrande calorieën op de teller niet meer te hoeven, zit je wel op erg verschillende golflengten. Ik denk ook dat het uiteindelijk het leukste, lekkerste, gezondste en meest zingevende (jaja) is om te fietsen voor het plezier in de activiteit als zodanig. Kun je dat aanboren, bij jezelf en bij haar?
En tenslotte: ben je bereid je aan te passen. Echt? Want de kans is groot dat zij op haar best nog steeds minstens zo’n 20 procent minder is dan jij. Dus zul je op haar moeten wachten, zal ze altijd in jouw wiel moeten rijden, kun jij niet hard trainen, enzovoort. Waak ervoor haar niet totaal af te raggen, want fietsende vrouwen raken tussen mannen nogal eens overtraind. Kun je ook de spanning aan die het mogelijk in je relatie kan geven als zij altijd de beperkende factor is (‘nee, we pakken niet dat klimmetje ook nog even mee, we gaan nú naar het hotel’)?
Bij ons en bij de meeste andere samenfietsende stellen die ik ken is het zo dat de man daar niet zo mee zit: die wacht wel; hij vindt het allang leuk om samen te kunnen fietsen. Maar wij vrouwen knarsentanden allemaal wel eens. We zijn prestatiegericht genoeg om het vervelend te vinden altijd de tweede viool te spelen, altijd degene te zijn die aan de rem trekt.
Dus, de slotvraag: wat is je inschatting, kan zij dat hebben?

 

Zomer-, nee, wintercolumn (aflevering 3)

Zoals ik hier eerder beschreef, ben ik een jaar geleden vrij abrupt gestopt als fietsvrouwcolumniste. Ik had nog enkele columns liggen, en het leek mij een leuk idee om daar toch wat mee te doen, en ze te publiceren als zomerblog-feuilleton. Vandaar: in de zomerperiode publiceer ik hier elke week een nooit eerder verschenen fietsvrouwcolumn. Heel andere koek dan anders, maar in de vakantie mag dat wel! Hier is aflevering 3, een echte wintercolumn, dus deze vraagt wat inlevingsvermogen!

 

Vet op je gezicht

Weten jullie nog, begin 2013 duurde de winter eindeloos. Er was zo’n weekend in maart dat het steenkoud was en woei, waardoor de gevoelstemperatuur tot min tien daalde. Dat maakte lang naar buiten gaan op de racefiets voor mij onmogelijk. Sinds een paar jaar doe ik dat ’s winters namelijk niet meer (maar loop ik hard, en spin en zwem ik), zodat ik geen geschikte spullen meer heb om bij die temperatuur op de racefiets te stappen – nog los van de vraag of ik dat überhaupt had gewild, want er zijn grenzen.
Maar maart was al een eind op weg, het licht gaf aan dat het lente was, en toen er ook nog een ingekorte maar prachtige Gent-Wevelgem op tv. O, wat ging het kriebelen! Ik had enorme fietsdrang. Ik móest gewoon.
Vandaar dat ik op maandag heen en weer naar Den Haag fietste, 25 km enkele reis. De gevoelstemperatuur was gestegen tot -9,5 en er scheen een flauw zonnetje, dus dat kon best. Ik moest naar Den Haag om kennis te maken met een potentiële nieuwe opdrachtgever. Vanwege de enigszins nette kleren reed ik daarom op m’n stadsfiets.
Ik kwam met héél koude handen en voeten en een knalrode kop in Den Haag aan, gelukkig vroeg genoeg om even te acclimatiseren voor ik aanbelde. Dat ik uit Rotterdam op de fiets was gekomen, kwam niet vanzelf ter sprake, en ik begon er zelf ook niet over, uit angst al te excentriek gevonden te worden. Wel ging het even over de kou. Eén van de aanwezigen had voetballende kinderen en die hadden voor het afgelopen weekend het advies gekregen om vaseline op hun wangen te smeren, vanwege de extreme kou.
‘Vaseline op hun gezicht?’ vroeg de baas aan haar, ‘Kunnen we dan tegenwoordig nergens meer tegen?’
Besmuikt voelde ik aan mijn eigen wangen. Zou het zichtbaar zij, het laagje cold cream? Dat daar niet eens zozeer zat om de kou tegen te houden, maar meer omdat zonder die bescherming de kou en de droge wind mijn vel in schuurpapier zouden veranderen.
Verder zei ik maar niks, maar helemaal prettig voelde ik me niet. Pas onderweg terug naar huis realiseerde ik me waarom. De redenering van die baas, dat was de omgekeerde wereld. Ik durfde er wat om te verwedden dat meneer de directeur het hele weekend in zijn warme huis had gezeten en op maandagochtend in de garage de auto in was gestapt. Niet voetballers en fietsers met vet op hun wangen kunnen nergens meer tegen, maar zulke binnenzitters! Zij kunnen zich er niets meer bij voorstellen dat je je tegen sommige omstandigheden maar beter kunt beschermen.
Het inzicht versterkte mijn goede gevoel. Want natuurlijk, 50 kilometer fietsen heen en weer naar een zakelijke afspraak is al excentriek, en bij -9,5 graden helemaal. Mijn voeten werden zo koud dat ze de rest van de dag raar bleven voelen. Maar ik moest. En wat was het lekker. En stoer. Daarom dus.

Zomercolumn 2: Verstrooid

Zoals ik hier eerder beschreef, ben ik een jaar geleden vrij abrupt gestopt als fietsvrouwcolumniste. Ik had nog enkele columns liggen, en het leek mij een leuk idee om daar toch wat mee te doen, en ze te publiceren als zomerblog-feuilleton. Vandaar: in de zomerperiode publiceer ik hier elke week een nooit eerder verschenen fietsvrouwcolumn. Heel andere koek dan anders, maar in de vakantie mag dat wel! Hier is aflevering 2, over verstrooidheid.

 

Verstrooid

Om zo veel te kunnen fietsen als ik wil, is het altijd schipperen met mijn andere bezigheden. Ik zoek naar praktische afstemming en combinaties met dingen die ik ook nog wil of moet. Eén daarvan is het huishouden. Echt combineren lukt niet. Misschien kun je tegelijk fietsen en swifferen of afstoffen als je tacx in een héél klein kamertje staat, maar verder is het toch meer een kwestie van afstemmen. Ik doe dat op een manier die ik noem: mezelf het huis uit dweilen.
Ik bedoel daarmee dat de keukenvloer kan drogen terwijl ik fiets. Die vloer heeft zwart-wittte tegels en om die mooi te houden, moeten ze regelmatig gedweild, en daarna mag er niet op gelopen worden totdat hij droog is, want anders blijf je de voetafdrukken zien. Dus dweil ik hem en stap ik daarna op de fiets. Na een béétje duurtraining is hij echt wel droog, hartstikke handig.
Behalve dan dat deze aanpak complicaties met zich meebrengt. Die keuken is namelijk het knooppunt van ons hele huis: je moet er voor zo’n beetje alles doorheen. Aan de ene kant grenst hij aan de woonkamer, met daarin, naast allerlei andere handige en prettige dingen, de voorraadkast met energierepen. De tweede doorgang is richting trap naar boven, waar de kledingkasten en het wasrek zijn. De derde richting is die van de bijkeuken. Daar staat mijn racefiets, ik vind er helm en schoenen, er staat een kastje met onder andere fietshandschoentjes, en hij heeft een deur naar buiten.
Vanuit die bijkeuken vertrek ik. Ik moet er dus voor zorgen dat daar alvast alles is wat ik nodig heb, zodat ik niet door de natte keuken moet naar boven of naar de woonkamer om nog iets te pakken. Ik trek alvast fietskleren aan, leg de andere spullen klaar, dweil richting bijkeuken, en fiets daarna zó weg. Dat is het plan.
In theorie.
Tsjongejonge, zeg, hoe moeilijk kan het zijn, alles alvast klaarleggen? Dat gaat echt ongehoord vaak mis, ook al denk ik er nog zo goed over na.
Alles in de bijkeuken? Ja? Okee, nou, dan ga ik nu dweilen.
Kwartiertje later. Dweilen achter de rug, keuken prachtig schoon, mooi, nu lekker fietsen. Schoenen aan, helm op, ik pak m’n fiets, en… Nee hè, energiereep vergeten. O, chips, m’n bidon na het vullen op het aanrecht laten staan. Ah, hangen m’n handschoentjes nog boven te drogen? Het is toch frisser dan gedacht, even m’n armstukken pakken…Ik kijk naar de blinkende keukenvloer, en zucht.
Ik vind wegkomen sowieso lastig. Meestal kan ik mijn gehannes verbloemen door gewoon een paar keer heen en weer te lopen. Met een beetje verstrooidheid is dan prima te leven. Maar na het dweilen word ik stevig met mijn neus op de feiten gedrukt: ik ben een warhoofd.
Het maakt dat ik fietsen zo lekker vind: als ik eenmaal op de fiets zit, hoef ik nergens meer aan te denken. Alleen maar te trappen. En zelfs dat zou ik nog bijna kunnen vergeten.

Zomercolumn 1: Doping

Zoals ik hier eerder beschreef, ben ik een jaar geleden vrij abrupt gestopt als fietsvrouwcolumniste. Ik had nog enkele columns liggen, en het leek mij een leuk idee om daar toch wat mee te doen, en ze te publiceren als zomerblog-feuilleton. Vandaar: in de zomerperiode publiceer ik hier elke week een nooit eerder verschenen fietsvrouwcolumn. Heel andere koek dan anders, maar in de vakantie mag dat wel! Hier is aflevering 1, over doping.

 

Doping

Van EPO-gebruik of dat soort echte prestatieverbeteraars heb ik om me heen nog nooit wat gemerkt. Wel van pijnstillers. In grote hoeveelheden zelfs. Niet op de dopinglijst, maar toch. Ik kan me er wel over verbazen. Een keer ging ik ’s ochtends spinnen, en toen zei één van de andere vrouwen in de kleedkamer: ‘Ik ben gisteravond hartstikke diep gegaan, en ik was daar vanochtend nog zo brak van dat ik een aspirientje heb geslikt om weer te kunnen sporten nu.’ Arm lichaam, dat zo duidelijk aangeeft dat het moe is, maar baasje zegt: ‘Niet zeuren, lijf;  pil erin, en trainen jij!’
Vergelijkbaar gedrag zag ik tijdens mijn deelname aan de Tour d’Afrique, toen deelnemers hele bergen pijnstillers slikten om maar te kunnen blijven fietsen, in plaats van rust te nemen. Alles fietsen, de hele vier maanden en 12.000 kilometer van die tocht lang, every fucking inch zoals dat heet, is een enorme prestigestrijd. Vandaar dat daar klonk: ‘Niet zeuren, knie; pil erin, en fietsen jij!’
Ik slik wel pillen om beter te worden, zoals laatst nog, toen een cactusnaaldje in mijn duim uit de hand liep en er een rood streepje richting mijn hand ging trekken: aan de antibiotica! Maar ik slik geen pillen om te kunnen fietsen. Ik zou te bang zijn om daarmee alleen aan symptoombestrijding te doen en het onderliggende probleem erger te maken. Met een pijnstiller kun je met een overbelaste knie nog wel doorfietsen, maar misschien maak je dan wel écht iets kapot. Kom nou, zeg… Als ik ergens om fiets, naast dat ik het leuk vind, is het om mijn gezondheid. Heel blijven staat daarom bovenaan mijn verlanglijstje.
Ik ben ook bang voor de bijwerkingen. Want ook al zijn pijnstillers onschuldig, het zijn en blijven pillen. Mijn vader heeft mogelijk z’n eigen hersenen beschadigd door een foute medicijnen-mix. Als daardoor iemand weet dat pillen geen snoepjes zijn, ben ik dat wel.
Het kan mij daarom verbazen dat het in alle doping-verhalen uit het profpeloton zo weinig over de angst voor bijwerkingen gaat. In The Secret Race beschrijft Tyler Hamilton hoe hij behoorlijke hoeveelheden testosteron wegwerkte. Heeft hij zich nooit afgevraagd wat hij daaraan over zou kunnen houden? Want dat is niet mis – krimpende ballen is nog wel het meest plastische mogelijke gevolg.
Als mijn lijf pijn heeft, zie ik dat als signaal om het kalmer aan te doen. Dat is niet alleen een edele overweging, maar ook simpelweg angst. Maar dat is misschien typisch vrouwelijk. Over hun hele leven genomen slikken vrouwen gemiddeld meer pijnstillers dan mannen, bijvoorbeeld vanwege hoofdpijn en menstruatiekramp. Maar áls mannen ze slikken, is dat in veel grotere hoeveelheden tegelijk, in een korte periode. En dat is typisch vanwege blessures waarmee ze toch door willen sporten.
Ik kan alleen maar zeggen: mannen, pas op! Dat lijf moet nog langer mee dan tot aan de volgende topprestatie.

Verschillende manieren van klantvriendelijk schrijven

Twee e-mails die ik onlangs van mijn internetprovider ontving kunnen voor mij illustreren wat ik versta onder klantgericht schrijven. Ik dacht namelijk meteen: hé, hier is aandacht besteed aan klantvriendelijkheid, hartstikke goed, en toch denk ik mwah… Ik bedoel: dit zijn echt geen slechte mails, sowieso niet, en al helemaal niet van een helpdesk. Maar er ligt een net iets andere opvatting van klantgerichtheid aan ten grondslag dan de mijne. Ik leg het uit.

Dit was de eerste:

[Provider] heeft uw schrijven ontvangen, waarin u verzoekt het rekeningnummer te wijzigen. Het is goed dat u dit meldt.

Naar aanleiding van uw schrijven hebben wij het betreffende rekeningnummer aangepast. Automatische incasso’s zullen derhalve in het vervolg van het nieuwe rekeningnummer worden geïncasseerd.

Als u nog vragen heeft, dan hoor ik dat graag van u.

Het zit hem in dat zinnetje ‘het is goed dat u dit meldt’. Ik stel me voor dat er een instructie is waar staat: herhaal de vraag van de klant en zeg daarna iets begripvols/empathisch ofzoiets. Dat kan heel aardig en netjes zijn, maar hier denk ik toch even: hallo, dat moet ik toch zelf weten? Er lijkt een oordeel in te zitten (er zijn kennelijk ook dingen die ik zou kunnen melden die niet goed zijn?), en dat komt zelfs een tikje arrogant over.

Waar het mij om gaat, is dat gewoon gebeurt wat ik zeg, dus dat mijn verzoek wordt ingewilligd, zonder verdere oordelen:

[Provider] heeft uw schrijven ontvangen, waarin u verzoekt het rekeningnummer te wijzigen. Wij hebben het betreffende rekeningnummer aangepast. Automatische incasso’s zullen derhalve in het vervolg van het nieuwe rekeningnummer worden geïncasseerd.

In een volgende mail ging het nog net iets verder:

In uw e-mail geeft u aan graag uw gebruikersnaam voor [service] te willen ontvangen. Ik kan me voorstellen dat dit belangrijk voor u is.

In verband met privacy- en veiligheidsoverwegingen kunnen wij deze gegevens helaas niet via e-mail verstrekken. Uw gebruikersnaam staat echter op alle brieven die [provider] stuurt. Het is ook het deel voor het apenstaartje van uw e-mailadres.

(voor alle duidelijkheid: dit gaat over dienst en e-mail-adres dat ik in geen jaren nodig heb gehad, en nu alleen vanwege het wijzigen van dat rekeningnummer)

Daar is de begripvolle, empathische zin weer: ‘Ik kan me voorstellen dat dit belangrijk voor u is’. geeft me enige jeuk, hoe goed bedoeld ook. Maar nu vind ik dat het te lang duurt voor ik antwoord krijg. Sterker nog, eerst lijk ik géén antwoord te vinden (‘helaas niet verstrekken’). Beter had ik gevonden:

In uw e-mail geeft u aan graag uw gebruikersnaam voor [service] te willen ontvangen. Die gebruikersnaam staat op alle brieven die [provider] stuurt. Het is ook het deel voor het apenstaartje van uw e-mailadres. Hopelijk kunt u hem zo vinden; in verband met privacy- en veiligheidsoverwegingen kunnen wij deze gegevens namelijk niet via e-mail verstrekken.

Klantgericht is dus volgens mij de klant helpen door een antwoord te geven op diens vraag, liefst zo snel mogelijk. Níet door klantgerichte tussenzinnetjes, hoe vriendelijk bedoeld ook. Maar daar kun je zeker verschillend over denken, en ik waardeer de poging.

Vertrouwen op je intuïties?

Vorige week had ik in een supervisie-groepje twee ‘slechte schrijvers’, zoals ze zelf zeiden, maar ze lachten er meteen al besmuikt bij, want ze hadden van mijn training opgepikt dat dat heel relatief is: ze vonden zichzelf slechte spellers, maar ik had gezegd dat spelling maar een klein, en bijzonder overgewaardeerd, onderdeel is van het totale schrijfproces. Zij zijn niet de enigen die denken dat ze niet kunnen schrijven, terwijl ze alleen maar niet zo goed zijn in de d’s en de t’s. Daar word je nogal hard op afgerekend, op school al, en later vaak ook nog. Terwijl het toch vooral een kwestie van pech is als je daar niet helemaal het hoofd voor hebt, en/of op een basisschool hebt gezeten die er onvoldoende aandacht aan besteedde. Jammer!

Maar goed, wij dus over de d’s en de t’s, en toen zei ik dat een groot gedeelte daarvan helemaal geen probleem is als je leert luisteren naar jezelf, als je het desbetreffende woord langer maakt. Daar het je ‘t kofschip niet voor nodig. Je wéét dat het ‘hij heeft het beseft’ is en niet besefd, omdat besefde niet kan, en besefte wel. Dat wéét elke moedertaalspreker gewoon, dat zijn diens feilloze intuïties.

Toen beweerden zij dat volgens hen besefde net zo goed kan, dat ze dat echt kunnen schrijven en zelfs zeggen, en dat het net zo normaal klinkt als besefte, dus dat ze niks aan hun intuïties hadden. Ik geloofde (geloofte?) dat niet, en ik zei dat ik er wat om durfde (durfte?) te verwedden dat ze in onze bijeenkomst van nog zo’n 2,5 uur echt geen enkele fout zouden maken op dat gebied. En natuurlijk gebeurde dat ook niet: ik heb geen rare werkwoordsvorm uit hun mond horen komen.

Natuurlijk zeggen ze niet besefde, geloofte en durfte. Ze gaan pas dat soort rare dingen denken op het moment dat ze het niet meer automatisch zeggen, maar erbij stil gaan staan. Hun probleem is niet dat ze niet beschikken over de intuïties van de moedertaalsprekers, hun probleem is dat ze van die intuïties vervreemd zijn, waarschijnlijk doordat ze er veel fouten mee hebben gemaakt en er dus niet meer op durven te vertrouwen. En zulke vervreemding, die ken ik ook wel – dan is er een woord dat ik al talloze malen klakkeloos heb opgeschreven, en ineens ziet het er raar uit en zoek ik het voor de zekerheid toch maar op.

Hoe je dit soort zwakke spellers weer wel in contact brengt met die feilloze moedertaalkennis, geen idee. Alle instructie leidt tot nog meer nadenken en mogelijk nog meer vervreemding. Maar er is één troost: dit soort problemen lost de spellingchecker voor je op. Ik zie nu hierboven rode kringeltjes staan onder besefde, geloofte en durfte. En die paar problemen die dan wel overblijven, zoals gebeurd/gebeurt, die wil een kritische collega of goede secretaresse er misschien wel uithalen? Een spellingcheck kun je uitbesteden. Gewoon doen!

 

De verschillende rollen van de tekstdeskundige

De laatste tijd ben ik een paar keer in de positie geweest dat ik mijn rol moest verduidelijken. Voor mij natuurlijk ook altijd goed om te te bezinnen. Hier het resultaat daarvan.

1. Tekstadvies heeft een andere gerichtheid dan schrijftraining en -coaching
Bij training en coaching staan de vaardigheden van de schrijver centraal: ik ben erop gericht om die persoon een stap vooruit te laten zetten in wat hij of zij zelf doet bij het schrijven. Bij tekstadvies staat de tekst centraal, en ben ik erop gericht die te optimaliseren, met het oog op de lezer. Soms ligt bij tekstadvies de lat hoger: deze tekst gaat de deur uit, dus alle puntjes moeten op de i. Soms ben ik echter bij tekstadvies juist pragmatisch: het moet nou gewoon af, dus vooruit dan maar. Terwijl ik ben een training of coaching juist streng kan zijn: nee, het móet echt zo, want als je nu al water bij de wijn gaat doen, leer je het nooit echt goed.

2. Tekstadvies is geen redactie
Bij tekstadvies geef ik de schrijver feedback op zijn of haar tekst, op basis van mijn eigen leeservaringen, al dan niet in samenhang met richtlijnen die voor deze tekst gelden (bijvoorbeeld: de organisatie heeft afgesproken altijd met de hoofdboodschap voorop te schrijven). De schrijver moet dan vervolgens zelf aan de slag om een nieuwe versie te maken. Ik kom zelf niet aan de tekst, of hooguit om een voorbeeld te geven van hoe iets niet moet of wel kan.
Bij redigeren neem ik de tekst juist over, en maak ik de nieuwe versie, al dan niet in overleg met de schrijver.
De twee bezigheden verschillen nogal van elkaar in hun tijdsbeslag: redigeren kost veel meer tijd dan tekstadvies. Bij tekstadvies is mijn tijdsbesteding bovendien flexibeler: ik kan in een paar minuten al iets zinnigs zeggen over een tekst, maar ik kan er ook een paar uur mee aan de slag, bijvoorbeeld om een voorstel te maken voor een verbeterde structuur. Het is maar net hoe veel tijd en budget er is en wat de schrijver wil. Redigeren kan ik alleen als ik ruim de tijd heb. Ik ga meestal uit van een uur per pagina, en dan heb ik ook nog overlegtijd met de schrijver nodig, om te checken of ik op de goede weg ben.

3. Mijn kennis is niet genoeg
Ik heb wel een boel globale, algemene kennis over zakelijk lezen en schrijven, over tekst en taal en visuele middelen. Maar die kennis, die moet altijd toegepast worden binnen een wereld waar ik niet zo veel van weet. Ik weet hoe je een goed rapport schrijft, maar ik weet niet precies hoe ‘goed’ eruit ziet voor die ene specifieke schrijver in die ene organisatie, schrijvend voor die bepaalde klant over een specialistisch onderwerp. Dat kunnen we wel samen uitdokteren, bijvoorbeeld tijdens of voorafgaand aan een training. Maar ik ben daarvoor dus wel afhankelijk van mijn bronnen, dus bijvoorbeeld wat schrijvers en hun leidinggevenden mij vertellen.

4. Ik heb geen schrijftoverstaf
Ik zou het wel eens willen…dan zitten we samen gebogen over een tekst waarvan de structuur niet logisch is, en dan denk ik: als ik nou eens ‘simsalabim’ kon doen en daar verschijnt ineens de perfecte structuur op papier! Maar zo werkt het niet, en zo werkt het voor mij ook niet: ik zie niet altijd, en zeker niet altijd meteen, hoe het dan wél moet. Soms wel, hoor, maar soms ook niet. Ik hoop natuurlijk wel de goede vragen te stellen, of de gedachten van de schrijver de juiste kant op te duwen. Maar soms voel ik me bij tekstadvies wel eens wat bezwaard: dan heb ik het gevoel het de schrijver alleen maar moeilijker te maken met mijn kritische vragen. Zo bedoel ik het natuurlijk niet, maar dat zijn wel de momenten waarop ik verlang naar de schrijftoverstaf!
Aan de andere kant: met zo’n toverstaf zou ook de lol van schrijven minder zijn. Want het allermooiste aan schrijven is wanneer je materie eindelijk in de plooi valt, en er uit al die inhoud in je hoofd en op papier dat heldere verhaal tevoorschijn komt. Soms ineens (eureka!), soms geleidelijk, maar altijd is dat bevredigend, dat moment waarop je denkt: ja, zó ga ik het vertellen. Die in elkaar vallende puzzelstukjes – voor jezelf is dat fijn, en voor de lezer helemaal. Dáár doe je het voor, als schrijver, en daar is mijn tekstadvies dan ook op gericht.

Moei-

Onlangs realiseerde ik me dat ik een verkeerd woord gebruik als ik praat over logisch en klantgericht structureren. Ik zeg dan vaak dat het moeilijk is, maar dat is net niet precies geformuleerd. Het moet zijn: het kost moeite. Het verschil is alleen een uitgang achter moei-, maar het scheelt wel. Dat leg ik uit.

Als ik kijk in de on-line woordenboeken, dan zijn er die moeilijk en moeite doen over één kam scheren, maar er zijn er ook die beter uitdrukken waar moeilijk óók naar kan gaan klinken:

benard, beroerd, difficiel, heavy, moeizaam, ongemakkelijk, zwaar, lastig, hachelijk, netelig, penibel, bezwaarlijk, onhandelbaar

En dat bedoel ik dus allemaal níet als het over structureren gaat.

Wat ik wél bedoel, is dat goed structureren niet vanzelf gaat, maar dat het inspanning kost en denkwerk. De feiten vallen niet automatisch in een bepaalde plooi, althans, soms wel, maar vaak niet. Om wat je te zeggen hebt helder te maken voor de lezer, moet je de materie zelf goed doordenken – dan denk ik altijd aan die uitspraak van Einstein:

Als je het niet simpel zeggen kan, dan heb je het nog niet goed begrepen.

Om tot dat begrip te komen, daarvoor moet je moeite doen. De moeite van je hoofdboodschap tot één kernachtige uitspraak te synthetiseren, en de structuur op te bouwen aan de hand van een doodsimpele lezersvraag, ‘hoe’ of ‘waarom’. Zodat jíj de moeite doet om duidelijk te maken wat je te zeggen hebt. Want anders moet de lezer dat doen namelijk. En dat doen ze vaak niet, of ze komen uit op iets wat jij niet wilde zeggen.

Want daar doe je die moeite voor: voor je lezer.

Halfproducten vragen om discipline

Het voordeel van een goed schrijfproces voor zakelijk schrijven is dat het tot halfproducten leidt die je met elkaar kunt bespreken. Schrijven in een organisatie doe je immers niet alleen, en het is jammer als je er pas bij je perfecte eindproduct dat veel tijd en moeite gekost heeft achter komt dat je baas de inhoud anders had gewild.

Een goed schrijfproces leidt na de eerste fase, voorbereiden, tot een ontwerp van de tekst (bouwplan, piramide), en na de tweede fase, doorschrijven, tot een ruwe versie van de tekst. Op beide halfproducten kun je commentaar vragen; over allebei kun je van gedachten wisselen. Dat betekent wel dat het voor de commentaargever of gespreksgenoot helder moet zijn waarom het gaat.

Bij de eerste versie gaat het erom of de juiste inhoud op de goede plaats staat. Daar zou de lezer zich over moeten buigen. Kenmerkend voor de eerste versie is dat die nog onafgewerkt is. De zinnen zijn bijvoorbeeld te lang, er staan kromme zinnen in, typ- en spelfouten, en de interpunctie rammelt nog aan alle kanten. Ofzoiets – afhankelijk van de sterke en zwakke kanten van de schrijver, want zo’n eerste versie is schrijvergericht. Pas in de tweede versie maakt de schrijver hem lezergericht: haalt hij alle gekke dingen eruit, redigeert ‘m kritisch en werkt hem netjes af.

Van de lezer van de eerste versie vraagt dat om bezig te zijn met het enige wat dan telt: staat de juiste inhoud op de goede plaats? Niet met de lange en kromme zinnen en de fouten in woorden en komma’s. Nouja, daar mag zo’n lezer best in het algemeen en zijdelings iets over zeggen, zo van: ‘let bij het redigeren vooral op de d’s en t’s’ – maar meer ook niet. Het heeft geen zin en kan de schrijver ontmoedigen om de eerste versie terug te krijgen met op elk redactioneel slakje zout. Dat was nog helemaal niet aan de orde!

Voor sommige lezers vraagt het veel discipline om over fouten heen te lezen. Ik kan me dat wel voorstellen: sommige spelfouten komen bij mij ook aan als een klap in het gezicht. De verleiding is dan groot om eraan te gaan zitten verbeteren. Maar soms is dat dus gewoon niet aan de orde. Misschien staat die spelfout wel in een stuk tekst dat er toch nog uit gaat. En misschien haalt de schrijver hem er in de volgende schrijffase heus zelf wel uit. En niets zo flauw als zeuren over spelling terwijl de schrijver feedback vroeg op de inhoud. Dat kan een creatief proces ook aardig doodslaan: de angst om  nog meer fouten te maken gaat dan overheersen.

Omgaan met halffabricaten in het schrijfproces vraagt dus van beide kanten discipline: van de kant van de schrijver om helder te maken wat voor feedback hij wil (en dat vraagt trouwens ook lef: om met iets wat nog niet ‘af’ of ‘perfect’ is voor de dag te treden), en van de kant van de lezer om de schrijver passend commentaar te geven. Ook al storen de fouten nog zo. Echt, de afwerking, die komt nog wel. In de laatste schrijffase, de redactionele, mag je niet alleen, maar móet je hartstikke kritisch zijn. Want een goede tekst is natuurlijk ook netjes afgewerkt.

(PS ik moet hierbij wel erg aan die prachtige tekst uit Prediker denken: ‘Voor alles wat gebeurt is er een uur, een tijd voor alles wat er is onder de hemel’).