Kamperen bij Minto

Vanwege de schatplichtigheid van mijn werk aan dat van Barbara Minto, de bedenker van het piramideprincipe, vond ik het grappig toen ik zag dat we op onze Arctic Tour door Canada zouden overnachten in ‘Minto’. Dat zou zijn halverwege vier lange dagen tussen Whitehorse en Dawson, globaal de Yukon-rivier volgend door dunbevolkt gebied.

Welnu, Minto is niet eens een dorp, al wonen er wel wat mensen in de buurt. Het is een ‘resort’, al is dat een wat weidse naam voor hoe wij het aantroffen: een camping met als faciliteiten een douche, tuinslang en wasmachines. Het resort heeft waarschijnlijk betere tijden gekend. Dit bord bijvoorbeeld lag op de grond, en op veel minder dan 1600 voet (voet??? Canada heeft al sinds de jaren ’70 het metrische systeem):

minto1

Maar toch grappig, en het was een prachtige plek langs de Yukon:

minto2

Over die rivier zijn aan het einde van de 19e eeuw duizenden mensen op zoek gegaan naar goud: verder stroomafwaarts komt de Klondike erin uit, en die rivier was de bestemming van de laatste grote gold rush. Vanaf Skagway volgden we die historische route, helemaal naar Dawson City. Ik heb rond deze reis enkele heerlijke boeken gelezen over die periode, en had af en toe het gevoel in die boeken rond te fietsen. Ik houd daar enorm van, als lezen en reizen samen opgaan. Hier dus drie leestips, al hebben die niet met tekst en communicatie te maken (althans, niet anders dan dat ik het belangrijk vind om goede boeken te lezen om mijn gevoel voor mooie taal op peil te houden – in dit geval dan voor het Engels):

  • The Klondike Fever van Pierre Berton, een historisch overzichtswerk, zeer boeiend geschreven, en kennelijk zo levendig en accuraat in zijn beschrijvingen dat ik Dawson City meende te herkennen toen ik er binnenfietste en rondliep: ja, het klopte helemaal; zo had ik het me voorgesteld.
  • Gold rush groom van Jenna Kernan, een perfect boek voor onderweg, als e-book, maar ook omdat het heerlijk weglas. Het is een simpel krijgt-ze-hem-of-krijgt-ze-hem-niet-romannetje, maar dan terwijl het stel diezelfde weg aflegt van Skagway naar Dawson, op zoek naar avontuur en fortuin.
  • The call of the wild van Jack London – dé auteur van de wildernis van de Yukon, die zelf gedurende de goudkoortsjaren één winter in Dawson doorbracht (we zagen zijn hut). Een klassieker, en inderdaad een verbluffend geschreven en aangrijpend verhaal. Ik kocht het boek in Dawson en heb het terug thuis gelezen, om met mijn hoofd nog even terug te keren naar Canada!

 

Deze borden spreken Canadees

Zoals ik eerder al schreef, ben ik net terug van een fietsvakantie in Canada (2105 kilometer, en 23 kilometer in Alaska). Vanaf de fiets zie je nogal wat borden aan je voorbij trekken. Twee veel voorkomende verkeersborden vielen me op, omdat ze iets visualiseerden op een manier die ik zou afraden.

bergopofaf

Dit zie ik toch echt als een vrachtwagen die achteruit de berg oprijdt, want ik lees zo’n beeld van links naar rechts. Maar het werd een vreugdevol bord voor ons: joepie, lange, steile afdaling!

gedraaid

En van dit bord krijg ik nog steeds lichte kortsluiting in mijn hoofd. Ik moet het perspectief namelijk halverwege het beeld draaien, en dat voelt alsof ik een snoeppapiertje oprol. De weg is immers vanuit vogelperspectief, en de vrachtauto is zij-aanzicht. Dat gaat voor mij niet samen in één plaatje. De betekenis is overigens: opgelet, vrachtverkeer van rechts.

Verder zagen we onderweg één van de mooiste borden die ik ooit zag:

NextServices

Dit bord stond aan het begin van de Dempster Highway, en er was daarna inderdaad 370 kilometer lang helemaal niks. Hoe leeg wil je het hebben? Om die leegte te ervaren, daarom was deze hele reis begonnen.

Na die 370 kilometer volgden nog eens ongeveer zoveel lege kilometers, en die ‘services’ bestaan uit niet veel meer dan een garage, benzinepomp en een hotel met kampeerplekken erbij (Eagle Plains). Maar dat ervoeren we na vier dagen dus al als heel veel! Over het hotel zei trouwens één van de groepsgenoten dat hij het een optimale combinatie vond van ‘German friendliness and Latin efficiency’, en dat was een adequate karakterisering. Maar een keer weer binnen een biertje drinken was niet verkeerd, zeker niet omdat het die avond stortregende.

Dan nog iets over de tweetaligheid. Ver weg van Quebec komt het verplichte Frans soms wat geforceerd over. Zo namen we afscheid van de provincie Yukon, op de laatste pas voor de definitieve afdaling naar zeeniveau:

TweetaligYukon

(Ja, die pas lag in de mist, maar zodra we afdaalden hadden we gelukkig weer zicht op het prachtige toendra-landschap.)

Op diezelfde pas dit bord:

tweetaligNWT

Die keuze vind ik daar passender: naast Engels ook Gwich’in. Mij lijkt dat Frans namelijk pijnlijk voor de sprekers van die oorspronkelijke talen. Overigens heb ik ze niet horen spreken: er is in die regio niet veel meer van over. Wel mooi gezegd trouwens: ‘walk softly on our land’.

We gingen toen dus van de Yukon naar de Northwest Territories, en in de NWT houden ze duidelijk enorm van borden. Er stonden er ineens veel meer langs de kant van de weg, ook wel in onze ogen tamelijk overbodige, zoals hier, op een bruggetje in finishplaats Inuvik:

veelborden

Uh, sta ik daar nou eigenlijk illegaal?

 

Alle foto’s: Henk Vermaas; klik op de foto’s om ze beter te kunnen zien (vergroot)

Walk the Talk, Talk the Walk: conferentie over spreken in het openbaar.

Op 10 september houdt het Agile Consortium Nederland zijn jaarlijkse conferentie, dit keer met als thema ‘Walk the Talk, Talk the Walk’: de conferentie gaat over spreken in het openbaar. Ik geef daar zelf een workshop over hoe het piramideprincipe je kan helpen om je speech helder te maken. De titel is ‘How to Push your Thinking for Optimal Clarity in your Talk’ . Het wordt een experimentele workshop waarin we samen een piramide gaan maken die meteen bruikbaar is, en waardoor de deelnemers ter plekke de input leveren. Ik ben benieuwd!

De rest van het programma en de andere informatie staat op de site van het Agile Consortium. Er zijn nog meer mensen welkom, dus als je interesse hebt, meld je aan!

Zomercolumn 6 en slot: Stoerder

De afgelopen weken verschenen hier resterende fietsvrouwcolumns. Ondertussen was ik zelf op fietsvakantie – ik had ze van tevoren klaar gezet, als nuttige en aangename vulling van dit weblog tijdens mijn afwezigheid. Tijdens die vakantie heb ik nog één column geschreven, om het af te leren. Hier is dus aflevering 6 van de zomercolumns, de laatste, vers van de pers, uit Canada. En ik ben dus weer terug!

Stoerder

Ik ben niet de stoerste fietser die er is. Ik vind mezelf bijvoorbeeld best een koukleum. Maar het is maar net met wie ik mezelf vergelijk. De afgelopen weken waren mijn man en ik de enige Europeanen in een groep met één Australiër en de rest Noord-Amerikanen uit de VS en Canada. We fietsten in West-Canada, deden de Tour Arctic helemaal naar de Noordelijke IJszee. Ja, dan is het wel eens fris. En wat die Amerikanen dan allemaal aantrokken, niet normaal. Deze toch-niet-zo-koukleum reed nog vrolijk rond in korte broek en dito mouwen toen zij met lange broek, trui, jasje, overschoenen en winterhandschoenen aan kwamen zetten. Mijn verwondering sloeg om in hilariteit toen er bij het dreigen van anderhalf spatje regen gele hoezen over de helmen gingen, en dito regenpakken aan.

En dat was niet het enige. Amerikaanse fietsers  vinden het nodig om zich te behangen met allemaal veiligheidsdingen waarvan het voor ons moeilijk inschatten is in hoeverre die nuttig zijn. Okee, een helm is wettelijk verplicht, maar dat gaat in onze ogen natuurlijk al ver. Voor de rest dachten wij wel eens: tikje overdreven. We moesten altijd een reflecterende driehoek achterop hebben, en de meesten voegden daar nog een knipperend rood achterlichtje aan toe. Plus een spiegel op hun helm of bril. Zo’n spiegeltje, dat is voor ons toch iets wat je alleen maar draagt als je doof bent, of te stijf om om te kijken.

Dan moesten ze zich ook nog helemaal van top tot teen in fietskleding hullen, ook al was het maar 10 vlakke kilometers fietsen van hotel naar veerboot. In het donker fietsen vonden ze doodeng, zelfs al was het maar 2 kilometer van de pont naar het volgende hotel. In elkaars zuchtje rijden konden of durfden ze ook niet zo goed, maar dat snap ik wel: daar zou je ook gek van worden, de hele tijd dat rode geknipper voor je ogen. En mijn fiets, mijn standaard vakantiefiets die me ook door Afrika heeft geholpen, was de zwaarste van de hele groep. Het leek erop dat ze verder allemaal speciaal voor deze trip een nieuwe fiets gekocht hadden, want je zal eens een kilo teveel mee de berg op moeten nemen. Ik moest wel heel sterk zijn dus. Maar mijn fiets hield het wel uit in de modder van de 736 kilometer onverharde weg (Dempster Highway), waar 9 van de 25 derailleurs afbraken.

Zo voelde ik me dus langzaam maar zeker steeds stoerder worden. Maar ach, het is natuurlijk allemaal uiteindelijk alleen maar een cultuurverschil. Ik dacht regelmatig: doe toch niet zo moeilijk jongens, over dat fietsen. Ik ben blij dat ik meestal fiets in een land dat wat relaxter is op dit gebied. Hoe prachtig Noord-West Canada ook was. Want dat was het, zeer zeker!

Een indruk van onze reis geeft het weblog van onze Canadese vrienden Rae en Ursula. Ik zal later ook nog, zoals gebruikelijk na een vakantie, een paar dingetjes posten die te maken hebben met tekst en communicatie. Als we de 1500 foto’s hebben uitgezocht!

Zomercolumn 5: fietsen en sex

Zoals ik hier eerder beschreef, ben ik een ik jaar geleden vrij abrupt gestopt als fietsvrouwcolumniste. Ik had nog enkele columns liggen, en het leek mij een leuk idee om daar toch wat mee te doen, en ze te publiceren als zomerblog-feuilleton. Vandaar: in de zomerperiode publiceer ik hier elke week een nooit eerder verschenen fietsvrouwcolumn. Heel andere koek dan anders, maar in de vakantie mag dat wel! Hier is aflevering 5, over vrouwen, fietsen en zin in sex!

Zin in sex

Fietsende vrouw minder zin in sex’ en ‘Minder zin in sex na fietsen’ kopten enkele kranten en sites een tijdje terug. Pardon? Okee, na een lange, zware tocht kan ik me er iets bij voorstellen, maar mijn man is dan ook niet op zijn best, zal ik maar zeggen. Vermoeidheid speelt ons dan parten. En wat een heel enkele keer ook wel hindert, is hygiëne. Tijdens de Tour d’Afrique hadden we wekenlang dat we ons alleen maar mochten wassen met water dat we over hadden gehouden in onze bidons. Dan is ook een totale libido-killer, wat mij betreft, zeker als ik ook nog uren aan een stuk met die ongewassen kont op een zeem druk moet zetten in de warmte. Bah.
Nou is dat wel heel zeldzaam – over zulke dingen zal het toch echt niet gaan in zo’n krantenartikel. Wat bedoelen ze dan wel? Want je krijgt toch juist méér zin in sex door sport? Want meer energie en lekkerder in je lijf. Toch eens verder lezen.
Ik lees dat het gaat om onderzoek onder vrouwelijke fietsers die minstens 15 kilometer per week fietsen. 15 km per week, dat valt wat mij betreft bepaald niet onder de lange, zware tochten. Het lijkt me sterk dat vermoeidheid dan een grote rol speelt. En het is Amerikaans onderzoek, dus de hygiëne vast ook niet.
Aan het eind begin ik het te begrijpen. Daar staat de conclusie: het is belangrijk dat zadel en stuur goed zijn afgesteld, om tintelingen en gevoelloosheid te voorkomen. Aha, het gaat niet om vermoeidheid, het gaat om zadelpijn. Op mijn eigen fiets moet ik heel lange en zware tochten rijden om er last van te hebben, maar op de spinningfiets heeft een uurtje soms al desastreuze gevolgen, zeker als er een tampondraadje op een gevoelige plek klem zit. Dat noem ik inderdaad wel eens een voorbehoedend effect van spinning, ja. Al is het ook gauw weer over.
Maar als ik het goed begrijp, is het dus zo dat een heleboel vrouwen minder zin in sex hebben doordat ze last krijgen van hun edele delen, al na 15 kilometer fietsen. Dan is de conclusie wat mij betreft niet dat fietsen een negatieve invloed heeft op de sex drive van vrouwen, maar dat een heleboel vrouwen op een verkeerd afgestelde fiets rijden – zoals ik bij spinning, waar het lompe zadel veel meer druk uitoefent op de verkeerde plek dan het smallere exemplaar op mijn fiets.
Er zijn misschien uitzonderingen, maar met een beetje passen en meten aan fiets, zadel en broek moet het voor de overgrote meerderheid van de dames toch mogelijk zijn om minstens 100 kilometer comfortabel te kunnen fietsen. Zeker als je het een beetje opbouwt. Zitvlees is ook trainbaar immers. En dan heeft fietsen geen effect op je sexleven.
Pardon, geen negatief effect.

 

 

Zomercolumn 4: je vrouw aan het fietsen krijgen

Zoals ik hier eerder beschreef, ben ik een jaar geleden vrij abrupt gestopt als fietsvrouwcolumniste. Ik had nog enkele columns liggen, en het leek mij een leuk idee om daar toch wat mee te doen, en ze te publiceren als zomerblog-feuilleton. Vandaar: in de zomerperiode publiceer ik hier elke week een nooit eerder verschenen fietsvrouwcolumn. Heel andere koek dan anders, maar in de vakantie mag dat wel! Hier is aflevering 4, waarin ik een door mannen veelgestelde vraag beantwoord: hoe krijg ik m’n vrouw aan het fietsen?

 

Hoe krijg je haar zo ver?

Dit keer behandel ik een FAQ: een (door mannen) vaak gestelde vraag: hoe krijg ik mijn vrouw/vriendin ook aan het fietsen? Goeie vraag – want ja, samen fietsen is geweldig! Ik heb alleen geen pasklaar antwoord, ik heb vooral wedervragen.
In de eerste plaats: wat wil je precies samen kunnen doen? Is dat op een mooie zondagmiddag lekker een eindje peddelen door de polder, terrasje, beetje keuvelen, zeg maar niveau Drentse Fiets4daagse? Of is het dat zij ook gaat leren zich dusdanig af te beulen dat ze een aantal Alpencols op rij kan bedwingen? Een vriendin van mij noemt dat het verschil tussen ‘bewegen’ en ‘trainen’ – en trainen is voor haar en veel andere vrouwen niet aanlokkelijk. Het kan zelfs intimiderend voor haar zijn, het idee zich het snot voor ogen te moeten gaan rijden met de sterke mannen. Het eerste doel is wellicht een stuk haalbaarder. Is dat okee voor jou? En welk mogelijk afschrikwekkend voorbeeld geven jij en je fietsmaatjes?
Ten tweede: je wil je eigen lol in fietsen overbrengen – waar zit die ‘m in? Ook hier een grove tweedeling: je kunt willen fietsen omdat je je niks leukers en lekkerders dan dat kunt voorstellen, of je kunt fietsen om een ander doel te bereiken. Voor veel vrouwen is dat slank en strak worden of blijven, en ook wel gezelligheid; voor jou misschien wedstrijden winnen. Het lijkt mij dat je het meest succesvol samen kunt fietsen als je doel gelijk gericht is. Als de een geniet van het ritje en de ander blij is na 500 verbrande calorieën op de teller niet meer te hoeven, zit je wel op erg verschillende golflengten. Ik denk ook dat het uiteindelijk het leukste, lekkerste, gezondste en meest zingevende (jaja) is om te fietsen voor het plezier in de activiteit als zodanig. Kun je dat aanboren, bij jezelf en bij haar?
En tenslotte: ben je bereid je aan te passen. Echt? Want de kans is groot dat zij op haar best nog steeds minstens zo’n 20 procent minder is dan jij. Dus zul je op haar moeten wachten, zal ze altijd in jouw wiel moeten rijden, kun jij niet hard trainen, enzovoort. Waak ervoor haar niet totaal af te raggen, want fietsende vrouwen raken tussen mannen nogal eens overtraind. Kun je ook de spanning aan die het mogelijk in je relatie kan geven als zij altijd de beperkende factor is (‘nee, we pakken niet dat klimmetje ook nog even mee, we gaan nú naar het hotel’)?
Bij ons en bij de meeste andere samenfietsende stellen die ik ken is het zo dat de man daar niet zo mee zit: die wacht wel; hij vindt het allang leuk om samen te kunnen fietsen. Maar wij vrouwen knarsentanden allemaal wel eens. We zijn prestatiegericht genoeg om het vervelend te vinden altijd de tweede viool te spelen, altijd degene te zijn die aan de rem trekt.
Dus, de slotvraag: wat is je inschatting, kan zij dat hebben?

 

Zomer-, nee, wintercolumn (aflevering 3)

Zoals ik hier eerder beschreef, ben ik een jaar geleden vrij abrupt gestopt als fietsvrouwcolumniste. Ik had nog enkele columns liggen, en het leek mij een leuk idee om daar toch wat mee te doen, en ze te publiceren als zomerblog-feuilleton. Vandaar: in de zomerperiode publiceer ik hier elke week een nooit eerder verschenen fietsvrouwcolumn. Heel andere koek dan anders, maar in de vakantie mag dat wel! Hier is aflevering 3, een echte wintercolumn, dus deze vraagt wat inlevingsvermogen!

 

Vet op je gezicht

Weten jullie nog, begin 2013 duurde de winter eindeloos. Er was zo’n weekend in maart dat het steenkoud was en woei, waardoor de gevoelstemperatuur tot min tien daalde. Dat maakte lang naar buiten gaan op de racefiets voor mij onmogelijk. Sinds een paar jaar doe ik dat ’s winters namelijk niet meer (maar loop ik hard, en spin en zwem ik), zodat ik geen geschikte spullen meer heb om bij die temperatuur op de racefiets te stappen – nog los van de vraag of ik dat überhaupt had gewild, want er zijn grenzen.
Maar maart was al een eind op weg, het licht gaf aan dat het lente was, en toen was er ook nog een ingekorte maar prachtige Gent-Wevelgem op tv. O, wat ging het kriebelen! Ik had enorme fietsdrang. Ik móest gewoon.
Vandaar dat ik op maandag heen en weer naar Den Haag fietste, 25 km enkele reis. De gevoelstemperatuur was gestegen tot -9,5 en er scheen een flauw zonnetje, dus dat kon best. Ik moest naar Den Haag om kennis te maken met een potentiële nieuwe opdrachtgever. Vanwege de enigszins nette kleren reed ik daarom op m’n stadsfiets.
Ik kwam met héél koude handen en voeten en een knalrode kop in Den Haag aan, gelukkig vroeg genoeg om even te acclimatiseren voor ik aanbelde. Dat ik uit Rotterdam op de fiets was gekomen, kwam niet vanzelf ter sprake, en ik begon er zelf ook niet over, uit angst al te excentriek gevonden te worden. Wel ging het even over de kou. Eén van de aanwezigen had voetballende kinderen en die hadden voor het afgelopen weekend het advies gekregen om vaseline op hun wangen te smeren, vanwege de extreme kou.
‘Vaseline op hun gezicht?’ vroeg de baas aan haar, ‘Kunnen we dan tegenwoordig nergens meer tegen?’
Besmuikt voelde ik aan mijn eigen wangen. Zou het zichtbaar zij, het laagje cold cream? Dat daar niet eens zozeer zat om de kou tegen te houden, maar meer omdat zonder die bescherming de kou en de droge wind mijn vel in schuurpapier zouden veranderen.
Verder zei ik maar niks, maar helemaal prettig voelde ik me niet. Pas onderweg terug naar huis realiseerde ik me waarom. De redenering van die baas, dat was de omgekeerde wereld. Ik durfde er wat om te verwedden dat meneer de directeur het hele weekend in zijn warme huis had gezeten en op maandagochtend in de garage de auto in was gestapt. Niet voetballers en fietsers met vet op hun wangen kunnen nergens meer tegen, maar zulke binnenzitters! Zij kunnen zich er niets meer bij voorstellen dat je je tegen sommige omstandigheden maar beter kunt beschermen.
Het inzicht versterkte mijn goede gevoel. Want natuurlijk, 50 kilometer fietsen heen en weer naar een zakelijke afspraak is al excentriek, en bij -9,5 graden helemaal. Mijn voeten werden zo koud dat ze de rest van de dag raar bleven voelen. Maar ik moest. En wat was het lekker. En stoer. Daarom dus.

Zomercolumn 2: Verstrooid

Zoals ik hier eerder beschreef, ben ik een jaar geleden vrij abrupt gestopt als fietsvrouwcolumniste. Ik had nog enkele columns liggen, en het leek mij een leuk idee om daar toch wat mee te doen, en ze te publiceren als zomerblog-feuilleton. Vandaar: in de zomerperiode publiceer ik hier elke week een nooit eerder verschenen fietsvrouwcolumn. Heel andere koek dan anders, maar in de vakantie mag dat wel! Hier is aflevering 2, over verstrooidheid.

 

Verstrooid

Om zo veel te kunnen fietsen als ik wil, is het altijd schipperen met mijn andere bezigheden. Ik zoek naar praktische afstemming en combinaties met dingen die ik ook nog wil of moet. Eén daarvan is het huishouden. Echt combineren lukt niet. Misschien kun je tegelijk fietsen en swifferen of afstoffen als je tacx in een héél klein kamertje staat, maar verder is het toch meer een kwestie van afstemmen. Ik doe dat op een manier die ik noem: mezelf het huis uit dweilen.
Ik bedoel daarmee dat de keukenvloer kan drogen terwijl ik fiets. Die vloer heeft zwart-wittte tegels en om die mooi te houden, moeten ze regelmatig gedweild, en daarna mag er niet op gelopen worden totdat hij droog is, want anders blijf je de voetafdrukken zien. Dus dweil ik hem en stap ik daarna op de fiets. Na een béétje duurtraining is hij echt wel droog, hartstikke handig.
Behalve dan dat deze aanpak complicaties met zich meebrengt. Die keuken is namelijk het knooppunt van ons hele huis: je moet er voor zo’n beetje alles doorheen. Aan de ene kant grenst hij aan de woonkamer, met daarin, naast allerlei andere handige en prettige dingen, de voorraadkast met energierepen. De tweede doorgang is richting trap naar boven, waar de kledingkasten en het wasrek zijn. De derde richting is die van de bijkeuken. Daar staat mijn racefiets, ik vind er helm en schoenen, er staat een kastje met onder andere fietshandschoentjes, en hij heeft een deur naar buiten.
Vanuit die bijkeuken vertrek ik. Ik moet er dus voor zorgen dat daar alvast alles is wat ik nodig heb, zodat ik niet door de natte keuken moet naar boven of naar de woonkamer om nog iets te pakken. Ik trek alvast fietskleren aan, leg de andere spullen klaar, dweil richting bijkeuken, en fiets daarna zó weg. Dat is het plan.
In theorie.
Tsjongejonge, zeg, hoe moeilijk kan het zijn, alles alvast klaarleggen? Dat gaat echt ongehoord vaak mis, ook al denk ik er nog zo goed over na.
Alles in de bijkeuken? Ja? Okee, nou, dan ga ik nu dweilen.
Kwartiertje later. Dweilen achter de rug, keuken prachtig schoon, mooi, nu lekker fietsen. Schoenen aan, helm op, ik pak m’n fiets, en… Nee hè, energiereep vergeten. O, chips, m’n bidon na het vullen op het aanrecht laten staan. Ah, hangen m’n handschoentjes nog boven te drogen? Het is toch frisser dan gedacht, even m’n armstukken pakken…Ik kijk naar de blinkende keukenvloer, en zucht.
Ik vind wegkomen sowieso lastig. Meestal kan ik mijn gehannes verbloemen door gewoon een paar keer heen en weer te lopen. Met een beetje verstrooidheid is dan prima te leven. Maar na het dweilen word ik stevig met mijn neus op de feiten gedrukt: ik ben een warhoofd.
Het maakt dat ik fietsen zo lekker vind: als ik eenmaal op de fiets zit, hoef ik nergens meer aan te denken. Alleen maar te trappen. En zelfs dat zou ik nog bijna kunnen vergeten.