Waarom niet lezergericht?

Vanochtend met een groep trainees van verschillende universiteiten het spanningsveld besproken tussen lezergericht schrijven en de praktijk van schrijven in organisaties. Centraal stond de vraag: waarom zijn er eigenlijk zo veel teksten niet lezergericht? We kwamen tot negen antwoorden:

  1. Omdat het schrijfproces rammelde. De schrijver was of de schrijvers waren bijvoorbeeld nog niet uitgedacht en dus is de tekst niet helder.
  2. Vanwege ‘copy-paste’: er is een oude tekst gebruikt en die is min-of-meer aangepast, maar niet voldoende voor deze nieuwe lezers.
  3. Omdat de verhouding met de lezer niet goed is ingeschat. Op de universiteiten is het meest typerende voorbeeld daarvan dat alle teksten worden geschreven zoals academische: alsof de lezer een kritische peer is. Een ander inschattingsprobleem is dat er in de meeste teksten meer staat dan de lezer wil weten.
  4. Uit conventie: we schrijven ‘nou eenmaal’ zo, omdat ‘het hoort’.
  5. Vanwege de organisatiecultuur is bijvoorbeeld wollig, omslachtig en voorzichtig (punt 4 en 5 samen zou je ook ‘gewoonte’ kunnen noemen).
  6. Vanwege ego-belangen van de schrijver. Die wil zich bijvoorbeeld geleerd voordoen door moeilijke woorden te gebruiken. Uit onderzoek is ook bekend dat mensen formeler gaan schrijven als ze onzeker zijn over hun positie.
  7. Omwille van tactiek: de tekst moet tot consensus leiden in een politiek speelveld.
  8. Omdat de tekst uitdijt door alle inspraak en feedback.
  9. Omdat de tekst een verplicht nummer is, zoals bijvoorbeeld maand- en kwartaalrapportages.

Allemaal misschien niet verheffend voor de lezer, maar wél de realiteit van schrijven in complexe organisaties. Kunst is natuurlijk om een goede afweging te maken – goed schrijven is bewuste keuzes maken!

Voor elk wat links

Op de laatste werkdag van het jaar doe ik nog weer eens even een paar leuke links, zo verschillend dat er vast voor iedereen wel wat tussen zit:

  • Over schrijven: een mooi verhaal van een ‘echte beta’ die het schrijven vroeger is tegengemaakt (fijn, een leraar die zegt ‘je hebt toch niks te vertellen’) maar die zichzelf toch heeft leren schrijven en inmiddels gelooft dat iedereen een verhaal heeft. Met dat laatste ben ik het eens; ik weet niet zeker of iedereen kan leren schrijven. Maar wel veel meer mensen kunnen het die nu denken dat ze het níet kunnen.
  • Over denken: kort nadat ik hier had gepost over mijn opleiding tot hardlooptrainer en de mogelijke link met mijn dagelijkse werk via denken zag ik deze post, uit niet minder dan de New York Times, over hoe lopen cognitieve functies stimuleert. Wat ik er uit mijn opleiding uit herken is dat lopen inderdaad helemaal geen simpele beweging is. Het is voor ons een super-natuurlijke beweging waar we helemaal op zijn aangepast, maar hij is juist heel complex en nog niet alles eraan is uitgeplozen zelfs.
  • Over taal, voor de grammatica-liefhebbers onder jullie: dit vind ik nou een leuk soort grammaticaal geneuzel, over de zin ‘Het boek verkoopt 80.000 exemplaren’. Je kunt het volgens mij sowieso niet afdoen als ‘fout’ of ‘slordig’.

Value add(-ed)

Drukke week gehad waarin ik bijna alle tijd die ik nog tussendoor over had besteed heb aan het redigeren van een grote, Engelstalige offerte van een opdrachtgever. Daarover één klein dingetje: de term value add kwam daar regelmatig in voor. Ik dacht: ‘Wat is dat nou weer, iemand die geen value added kan schrijven?’

Maar na een tijdje ging ik aan mezelf twijfelen. Vanwege de frequentie in de tekst, maar ook omdat ik van mezelf weet dat ik ‘waarde toevoegen’ een jeuk-uitdrukking vind, dus misschien al te geprikkeld reageer. Ik bedoel: ik heb niets tegen de strikt economische betekenis van value added (toegevoegde waarde, zoals de TW van BTW), maar wel tegen het managementjargon-gebruik ervan (eerder Nederlands meerwaarde). Bij McKinsey maakten we daar onderling als communicatiespecialisten wel grappen over, dan hadden we geluncht en zeiden we daarna tegen elkaar ‘Zo, ik ga vanmiddag weer eens lekker waarde toevoegen!’

In de tekst was value added gebruikt op de jargonmanier. En dan ook nog fout, op een manier die mij deed denken aan hun hebben, dat schrijf je toch ook niet in een nette tekst. Ergens schemert het woord ad er ook nog tussendoor voor mij, en dat is helemaal gek – waardeadvertentie?

Toch sloeg de twijfel dusdanig toe dat ik maar eens ben gaan googlen. Wat blijkt? Value add komt veel voor. Zo vaak dat het voor veel mensen inmiddels geaccepteerd is – inderdaad net hun hebben. Maar er trekken ook nog mensen dapper tegen ten strijde. Ik was blij met de website Stop Saying ‘Value Add’ bijvoorbeeld. Op grond daarvan ben ik dus maar gaan verbeteren.

‘Mijn’ schrijver kon er niet zo veel aan doen, overigens, aan value add. Hij had de schrijfwijze overgenomen van zijn cliënt…

Over het vertalen van de lijdende vorm

Het is bepaald geen recent artikel van me (1998), maar het is wel recentelijk online gekomen, vandaar dat ik het hier aankondig: Passief en perspectief in vertaling, in Filter. Ik vind het fijn dat het online staat nu, voor iedereen toegankelijk, want het artikel bevat ook een mooie samenvatting van de ideeën over de lijdende vorm die ik in mijn proefschrift ontwikkelde, geïllustreerd met die prachtige passage uit Kinderjaren die laat zien hoe mooi passieven kunnen zijn… als je ze goed gebruikt!

Klant of cliënt?

Op Neerlandistiek.nl sneed eerder deze week niemand minder dan Jan Renkema een kwestie aan die mij ook af en toe bezighoudt: schrijf ik klant of cliënt? De officiële betekenis van die woorden is gelijk, maar ze verschillen in gevoelswaarde. Dat ervaar ik zo, en Renkema zegt hetzelfde.

In de meeste van mijn teksten gebruik ik klant/cliënt in de hoedanigheid van de afnemer van een dienst van een adviseur en lezer van een adviesrapport. Ik gebruik ze door elkaar. Toen ik bezig was met de derde druk van Adviseren met perspectief heb ik over die keuze zelfs nog overlegd met een vakgenoot, want toen wilde ik wel consistent zijn.

Het werd klant. Mijn overweging was vooral: als het verder niet zo veel uitmaakt, gebruik dan maar het gewonere, informelere woord. Dat vind ik in het algemeen, en voor deze keuze dus ook. Vandaar ook adviseur en niet consultant. In mijn verantwoording voor de keuze (p. 14) schrijf ik ook nog dat ik cliënt eigenlijk wel gelijkwaardiger vind, daar waar de klant koning is.

Met Renkema’s drie associaties kom ik er niet uit. Op basis van de eerste, dat cliënt meer voor diensten is en klant voor producten, zou ik het over cliënten moeten hebben. De andere twee herken ik niet en ik vind de voorbeelden ook niet overtuigend, eerder managementblabla (van cliënt- naar klantgericht, alsof dat preciezer is) en dikdoenerij (een prostituée die geen klanten heeft, maar cliënten). 

Ik heb zelf een andere associatie: aan cliënt hangt een zweem van hulpverlening, van eufemisme voor patiënt zelfs. Bij het losse woord ervaar ik het nog niet zo sterk, maar bij cliëntgericht, als in cliëntgericht schrijven dat ik dan zou bepleiten, dan zie ik ineens de GGZ voor me. Klantgericht is voor mij neutraler. (Ik zie nu net dat er een reactie is gekomen op het stuk van Renkema waarin de associatie van cliënt met zorg er inderdaad blijkt te zijn)

Juist om dikdoenerij te vermijden koos ik in mijn boek voor klant. Het woord komt er nogal vaak in voor en een heel boek vol cliënt, cliënten en cliëntgericht, pfoe, da’s heavy!  

 

Jongeren maken nauwelijks sociale-media-spelfouten

In de huidige editie van Tijdschrift voor Taalbeheersing (2016 nr. 3) staat een geruststellend artikel over de spellingsvaardigheid van jongeren (althans, in Vlaanderen). Reinhild Vandekerckhove en Dominiek Sandra hebben in een grote stapel schools schrijfwerk van allerlei jongeren gekeken welk aandeel ‘gewone’, klassieke spelfouten hebben ten opzichte van fouten die komen door interferentie van de normen van de sociale media. Dus schrijven jongeren ook op school ff, w8nie en egt, doorspekt met smileys? Dat is wel waar veel ouders en andere ouderen bang voor zijn.

Welnu, in de stapel zitten weliswaar veel spelfouten, maar het grote gros daarvan zijn gewoon de d’s en de t’s en de samenstellingen. De typische schrijfwijze van de sociale media is goed voor dik vijf procent van alle fouten. Dus dat valt hartstikke mee. Lager opgeleide jongeren maken ze wel meer dan de hoger opgeleide, maar dat is niet verrassend. Er is een licht verband met de overall spelvaardigheid, dus als een jongere slecht spelt, zal die mogelijk ook wat meer chatspelling gebruiken, maar dat is niet heel duidelijk. De meest voorkomende soort fout is het weglaten van de slot-n: wille, eige en overdreve.

Dus ja, jongeren gebruiken in schoolse schrijftaken ook de schrijfwijze van de sociale media. Maar niet heel veel. Geen reden tot paniek dus.

Trainen: een kwestie van organiseren

Louise aan het hardlopenNu dan de blogpost waar ik vrijdag niet aan toe kwam. Ik wilde toen vertellen over de vraag die ik de laatste weken een paar keer kreeg, maar daarvoor eerst wat achtergrond: ik ben een maand geleden begonnen met een opleiding om hardlooptrainer te worden. Het praktijkgedeelte van die opleiding bestaat eruit dat we elkaar stukjes training geven. Vorige week was ik voor het eerst aan de beurt, en ik vond dat (1) best veel werk: ik moest een hele trainingsvoorbereiding uitschrijven, inleveren, verbeteren, naderhand een zelfreflectie schrijven, inleveren en verbeteren, en (2) spannend! Ik was echt wel een beetje zenuwachtig.

In die tijd van de zenuwachtige voorbereiding kreeg ik een paar keer zo’n soort vraag als ‘Maar dat kun jij toch al, want je geeft toch al jaren trainingen?’ Dat laatste: ja. Maar ik zou in zo’n setting als van mijn opleiding ook zenuwachtig zijn als ik een schrijftraining zou gaan geven: naast de docent kijken ook elf ‘leerlingen’ naar mijn reilen en zeilen, en die zijn niet alleen de objecten van mijn training, maar ook kritische vak- en lotgenoten. 

Bovendien: de trainingen die ik geef zijn toch wel heel anders dan hardlopen. Om maar één voorbeeld te geven: mijn gewone deelnemers zitten over het algemeen in een veilig, rustig zaaltje in een overzichtelijke u-vorm, in plaats van dat ze door een bos lopen waar ze kunnen verdwalen, struikelen en aangereden worden. Dat is een heel verschil!

In de derde plaats: schrijftrainingen geef ik al jaren, en een groot deel van wat ik doe, hoef ik daarom niet meer vooraf te doordenken. De organisatie van bepaalde oefeningen, die schud ik zo uit mijn mouw (‘tekst allemaal één plek naar rechts doorschuiven voor de nieuwe feedback’). Maar wat een handige opbouw is voor een looptechniektraining, en waar ik dan moet staan om iedereen goed te kunnen zien en feedback te geven – uh…

Als ik de organisatie van mijn ‘gewone’ trainingen helemaal zou uitschrijven, zou dat ook een heleboel werk zijn. Ik ben me sowieso deze maand in één klap een stuk bewusten geworden van dat aspect van mijn werk, dus van de organisatie van mijn trainingen. En zag dus ook dat er ook met mijn ervaring best vaak dingetjes (bijna) in mis gaan. Twee voorbeelden van de laatste tijd:

  • Twee weken terug werd ik ‘gered’ door mijn co-trainer die op tijd zag dat ik niet goed had nagedacht over de afronding van een complexe werkvorm in een nieuwe training. Ik had de deelnemers aan het werk gezet en zij vroeg ‘en hoe gaan we dat nou nabespreken?’ Uh, oja, nou, dat moet ik nu gauw bedenken! Oeps…  Ik was dat gewoon vergeten te doordenken.  
  • Vorige week had ik niet overzien dat één persoon twee keer dezelfde tekst voor zijn neus zou krijgen voor dezelfde oefening. Dat kwam toevallig zo uit omdat niet iedereen een eigen tekst had meegenomen, dus zaten er een paar dubbele tussen. Dat was op zich ook weer geen probleem – het gebeurt wel eens vaker, en dan meldt iemand zich wel en dan is het zo op te lossen door met een ander van tekst te wisselen. Maar wat ik in 20 jaar trainingen geven nog niet eerder had meegemaakt: deze persoon verscheurde die dubbele tekst, nog voor ik er iets over had kunnen zeggen, omdat hij dacht dat het een fout was dat hij ertussen zat! Ook dat was weer geen ramp, maar ik was wel even helemaal verbouwereerd.

Deelnemers helpen altijd wel, en soms is het ook goed voor de sfeer als er dingen misgaan – even lachen, en zo wordt duidelijk dat mevrouw de trainer ook maar een mens is. Maar dit soort steekjes, die wil ik in die opleiding niet laten vallen. Ik moet ‘kwaliteiten’ scoren om straks mijn diploma te halen namelijk! Tot nu toe gaat dat goed – komende zaterdag moet ik weer aan de bak!

Dus: hardlopen of schrijven, om het te trainen is best wel andere koek. Voorlopig zijn het voor mij ook twee aparte wegen. Wat ik precies als hardlooptrainer wil gaan doen, weet ik ook nog niet. Maar het zou kunnen dat er wel een keer een vorm van kruisbestuiving komt, want er is wel iets gemeenschappelijks tussen die twee bezigheden, in de vorm van denken. Om te schrijven, moet je denken, en alle duursporters weten dat je nooit zo lekker denkt als tijdens het hardlopen/fietsen/wandelen/enzovoort. Ik las daar laatst ook weer een mooi boek over: Mark Rowlands’ Filosofie van de duurloop.

Mocht het tot die kruisbestuiving komen, dan meld ik het hier natuurlijk. Maar eerst maar eens het trainersdiploma halen!

Trouwens, die intensieve werkwijze waarin je eigenlijk steeds ‘in dialoog’ bent met de opleider, met veel en snelle feedback op wat je doet en schrijft, en op basis daarvan aanpassingen maken, dat vind ik wel een geweldige manier van leren! Daar leer ik ook weer van, van de kunst afkijken.

 

Leren argumenteren met Peter van Straaten

Ik had een andere blogpost in gedachten, maar hoor net het nieuws over het overlijden van Peter van Straaten, dus dan wil ik graag hier vertellen dat ik dankzij hem toegang heb gekregen tot de argumentatieleer van de pragmadialectiek. Dat zat hem in dit boekje:

coverHet boek is uit 1996. Het is helaas al lang niet meer verkrijgbaar, anders had ik het talloze malen weggegeven. Ik heb dat toch nog één keer te veel gedaan, want ik heb het zelf helaas niet meer. Nu ik de cover zo weer eens zie, denk ik: Vader was z’n tijd ver vooruit.

Het boek heeft die geweldige combinatie van goed, leerzaam en leuk. Leuk? Hilarisch! Vader & Zoon vliegen elkaar zoals gebruikelijk in de haren, en Van Eemeren en Grootendorst analyseren die discussies met behulp van de argumentatieleer. Dat zijn nog eens drogredenen, die de revue passeren – heerlijk! In hapklare brokken gepresenteerd: op de ene pagina een strip, op de pagina ertegenover de analyse.

En zo kreeg ik toegang tot het gedachtegoed van Van Eemeren en Grootendorst, de grote namen uit de pragmadialectiek (al is Rob Grootendorst er ook al niet meer). Dat is een stroming in de argumentatietheorie waarvan het wel lijkt alsof je er alleen helemaal voor of helemaal tegen kunt zijn. De taalbeheersing is als het ware verdeeld in twee kampen: je doet pramgadialectiek of iets anders. Ik ben opgeleid en heb zelf gewerkt in ‘iets anders’, en heb de pragmadialectiek leren kennen door mijn collega’s in Leiden. Ik vond het eerst maar een vreemde benadering, het is echt heel anders dan wat ik gewend was. De pragmadialectiek gaat namelijk  uit van redelijkheid, en ik bleef eerst maar denken: maar mensen zijn toch helemaal niet redelijk?

Maar toen kreeg ik via hen, als ik me goed herinner van Henrike, dit boekje. En dat hielp! Onder aanname van die redelijkheid kun je goede en slechte argumentatie van elkaar onderscheiden. En onredelijk, dat zijn Vader & Zoon zeer zeker! Inmiddels kan ik de pragmadialectiek zeer waarderen, vooral in de manier waarop die benadering wil stimuleren tot kritisch denken.

Jarenlang heb ik gezegd dat ‘Leren argumenteren met Vader en Zoon’ het enige boek uit de pragmadialectiek was dat ik helemaal gelezen had. Dat is niet meer zo. Maar het is in elk geval wel het grappigste, en het best geïllustreerde.