Boel andere leestips #6: Troost voor adviseurs

Cover van het boekNog zo’n boek dat ik móest lezen: De imperfecte adviseur, onder redactie van Thijs Homan. Alleen al vanwege de titel, en Homan lees ik graag.

Vormdingetjes lopen als rode draad door dit ‘andere-leestips-thema’ en wat dat betreft is dit ook wel weer een bijzondere. Toen ik het boek uit de verpakking haalde, dacht ik dat het een misdruk was: het had geen rug. Maar dat hoort kennelijk zo: het boek oogt, is imperfect.

Door de ‘open rug’ zie je ook duidelijker dat het een bundel is. Van ‘narratieven‘: verhalen van organisatieadviseurs over iets wat niet goed ging bij hun werk, met een reflectie erop en ook een soort reflectie op de reflectie. Met achteraan nog weer een eindreflectie van Homan.

De narratieven vind ik stuk voor stuk herkenbaar. Het gaat over van die dingen als: al vanaf het begin je opdrachtgever onsympathiek vinden, hoe je in een bijeenkomst voelt dat het niet goed gaat, maar niet weet wat je eraan moet doen (en dat dan – fijn – bij de lunch een paar deelnemers je er nog op aanspreken ook maar die laten je daarna gewoon verder ploeteren), je loyaliteitsconflict tussen degene door wie je bent ingehuurd en de mensen tegenover je in een bijeenkomst, niet op één lijn zitten met je collega en dan uit het project gebonjourd worden. Het is troostrijk om dat eens allemaal zo te lezen – ik ben niet de enige die voor haar gevoel vaak maar wat aanklungelt. En ook vaak het gevoel heeft dat het eigenlijk beter zou moeten.

Uiteindelijk is dat laatste het kernthema van het boek: waarom stellen adviseurs zulke hoge eisen aan zichzelf? Want binnen de kortste keren wordt imperfect mogen zijn ook weer iets hoogs en edels: nou moet je ook nog imperfect zijn, en dat wel even heel goed: perfect met je imperfectie omgaan. Of zelfs imperfect – maar in elk geval moet het.

Waar komt dat toch vandaan, die hoge werkethiek? In de slotbeschouwing stelt Homan dat aan de orde zonder er een eenduidig antwoord op te geven. Dat is er misschien ook niet. Het ‘moet’ in elk geval het meest van onszelf en van elkaar – we praten het elkaar aan.

De reflecties op de narratieven, van de schrijvers ervan, vind ik nogal wisselend van kwaliteit. Een enkele schrijver maakt zich er makkelijk van af met een beroep op de imperfectie van de reflectie. Imperfectie – of gemakzucht? Ik deed eerder een opleiding bij Homan en toen had ik dezelfde twijfel: waar gaat een gezonde flexibele omgang met aanpakken, planningen en voorbereidingen (want het is toch allemaal niet zo maakbaar) over in gemakzucht? 

Andere reflecties zijn wel de moeite waard, zeker als ze de kwetsbaarheid van de adviseur tonen (daarin verschillen ze ook). Regelmatig gaat het over het schrijven zelf, wat dat doet, en wat je er ook niet mee doet – ook schrijven is nooit perfect, geen enkele tekst is perfect:

(…) als wij iets zeggen, opschrijven of aantekenen met de illusie daarmee iets vast te leggen of af te ronden, daaraan altijd iets ontsnapt en dat precies daarin, in wat wij dus niet snappen (zowel letterlijk als figuurlijk), of in wat geen vaste plek heeft, of tussen de regels verdwijnt, de betekenisruimte zit.  (p. 120, Mieke Moor).

Mijn eigen verhaal over het ‘mislukte’ project ‘we gaan hier niet populistisch schrijven’ (te lezen in mijn e-boek), dat ik schreef na diezelfde opleiding, is overigens een vergelijkbaar narratief + reflectie. Voor mij is de eerlijkheid over wat er niet lukt dus niet nieuw. Maar ik merk wel regelmatig dat anderen, zeker jongeren, veel meer het glamourbeeld van adviseren hebben: je komt, je doet iets, en de dingen veranderen in de gewenste richting. Zeker als je een beproefd recept gebruikt – een framework, theorie, werkvorm, benadering die zich al bewezen heeft.

Maar zo werkt het dus vaker niet dan wel. Laten we daar eerlijk over zijn. En dán gaan kijken naar wat we wél kunnen doen. Dit boek kan daartoe inspireren. 

Boel andere leestips #5: Piekschrijven

Cover van het boekSoms zijn er van die boeken waar ik niet omheen kan. Die móet ik wel lezen. Kopen zelfs. Zo’n boek is Peak Performance, en het maakte mijn verwachtingen waar.

Het boek was een ‘must’ voor mij omdat het twee bekende en belangrijke domeinen in mijn leven samenbrengt. Steve Magness is hardlooptrainer en zijn boek The science of running vind ik het beste boek over hardlooptraining – maar wel een taaie pil. Brad Stulberg is oud-McKinsey-consultant en tegenwoordig schrijver.

Als klap op de vuurpijl werd vroege intekenaars een extra stuk van Stulberg beloofd over ‘peak performance’ in het schrijven. Ik watertandde! Nou moet dat extra stuk nog komen, dus daar kom ik later nog op terug. Nu over het boek.

De samenvoeging van inzichten, kennis, onderzoeksresultaten en voorbeelden uit de twee verschillende sport en bedrijfsleven/organisaties is interessant en zeldzaam. Kern van wat je moet doen om tot topprestaties te komen is het hanteren van de formule ‘stress + rust = groei’. In de sport is het belang van herstel na een trainingsprikkel weliswaar algemeen bekend, maar het blijkt in de praktijk vaak met de voeten getreden te worden, met de nadruk op afzien en hard werken. In de top van het bedrijfsleven is doorbuffelen helemaal de norm en wordt rust gezien als een vervelende hindernis onderweg naar de top (zo van: jammer dat je af en toe moet slapen). Ook al weten ook daar best veel mensen beter.

Stulberg en Magness bespreken allerlei vormen van rust: door de dag heen, ’s avonds na je werk, slaap, weekends, vakanties. Het gaat over het belang ervan, en over hoe je ze goed invult. Daarbij voegen ze om tot die topprestatie te komen nog twee andere elementen: ‘priming’ (voorwaarden scheppen in je dagelijks leven die topprestaties mogelijk maken) en ‘purpose’: gericht bezig zijn, liefst met een ego-overstijgend belang.

Het boek is toegankelijk geschreven, met veel nadruk op de dingen die je in het dagelijks leven kunt toepassen. Veel voorbeelden ook. Het frappantste daarvan vond ik in het hoofdstuk over priming, waar het gaat over het elimineren van onbelangrijke keuzes en beslissingen uit je leven: zonde van de energie. Als voorbeelden geven de auteurs daar enkele groten der aarde (Marc Zuckerberg en Steve Jobs; Barrack Obama) die altijd hetzelfde aantrekken. Nooit kledingkeuzes hoeven te maken, zodat je meer energie overhoudt voor belangrijkere beslissingen – zet op z’n minst aan tot denken….

Het boek is heel Amerikaans in die zin dat het duidelijk heilig gelooft in de maakbaarheid van succes en van piekprestaties. Het gaat nergens over het belang van aanleg en geluk in het bereiken van de top. Bovendien gaat het wel erg ver in wat er dan allemaal ten dienste zou moeten staan van je topprestatie. Van het gedeelte dat gaat over je sociale contacten werd ik een beetje naar, want over liefde, trouw en vriendschap gaat het daar niet. Ook de mensen om je heen moeten bijdragen aan jouw prestatie. Tsja.

Bovendien geloof ik ook niet zo in alles richten op je prestatie als manier om burnout te voorkomen. Een goede balans tussen stress en rust is daarvoor een noodzakelijke maar nog geen voldoende voorwaarde. Als rust ook gaat ‘moeten’, en als alles in je leven doelgericht moet zijn, dan dreigt volgens mij juist een burnout-bevorderende houdgreep.

Door het geloof in maakbaarheid lijken de auteurs te suggereren dat als je hun recept maar volgt, je wel tot de (inter-)nationale top gaat behoren, net als zijzelf en de mensen met wie ze werken. Niet dat ze dat zeggen of beloven, maar ze ontkrachten het ook nergens. Hun model voor de peak performance is een procesmodel, geen resultaatmodel: het gaat om groei. Dat speekt me aan, maar je piek is dan dus relatief (naar je eigen kunnen) en niet absoluut (bijvoorbeeld: winnen of een record vestigen). Over het verschil tussen proces en resultaat en tussen absolute en relatieve pieken gaat het niet, en dat is een manco, vind ik.

Het boek gaat dus niet over de eventuele schaduwzijden van de weg naar de top. Niet over de ethiek van alles ondergeschikt maken aan jouw succes. Niet bijvoorbeeld over wat ik wel eens heb gehoord over zowel McKinsey als over promovendi: dat er ná de topprestatie (eenmaal weg bij McKinsey respectievelijk gepromoveerd) een heleboel huwelijken strandden. Of over het aantal topsporters dat voor de rest van hun leven schade overhoudt aan de carrière (over de schaduwzijde van topsport gaat het net in het huidige nummer van Sportgericht). Om maar wat te noemen.

Al zullen de auteurs daar wellicht allemaal over zeggen dat die het juist net niet goed gedaan hebben. En misschien is het voor ultieme prestaties inderdaad nodig om de schaduwzijden te negeren of de negatieve consequenties te accepteren. Je moet sowieso niet te veel twijfelen en relativeren natuurlijk, dat kost ook alleen maar energie. Maar zit het leven zo in elkaar?

Het boek is dus een inspirerend doe-boek, maar geen panklaar recept. Het roept bovendien vragen op, en ik hoop dan ook dat deze kruisbestuiving tussen sport en bedrijfsleven een vervolg krijgt. Eén zo’n vraag is of productieve rust voor de geest (in schrijfprocessen bekend als ‘incuberen‘) wel over één kan geschoren kan worden met slapen en fysiek herstel.

Ik heb het nu een dag of tien uit en in die tijd al twee mensen aangeraden rust te nemen toen ik ze hoorde praten over vast zitten met schrijven en met vermoeidheid. Het is er tenslotte ook de tijd van het jaar voor!  

 

PS Ik schreef dit stuk vorige week al, en dankzij een stukje van Ykje Vriesinga in de NRC van afgelopen woensdag heb ik sindsdien geleerd dat er een vergelijkbaar boek is: Altijd Scherp van Jim Loehr en Tony Schwarz. Dat zet ik op mijn verlanglijst.

 

Boel andere leestips #4: lezersgeluk

In mijn tweede tip van deze serie had ik het ook al over de vorm die het boek voor mij aantrekkelijk maakt, en dat geldt ook voor #4: Geluk 2.0 The World Book of Happiness.

Dat begint al aan de voorkant: die spiegelt. Je ziet dus jezelf als je het boek oppakt (niet goed te zien op het plaatje hiernaast). Verder oogt het boek meteen aantrekkelijk: met veel foto’s, luchtig, en een fraaie en functionele lay-out, met onder andere vetgedrukte kernboodschappen.

Als je ietsje beter kijkt, blijkt het ook nog eens heel toegankelijk. Elk hoofdstuk begint met een introductie en eindigt met een samenvatting van de belangrijkste punten, ‘de sleutels’. De hoofdstukken zijn niet veel langer dan een pagina of vier en ze zijn ook nog voorzien van paragrafen en heldere alinea’s.

En dat is allemaal misschien nog niet eens zo bijzonder, ware het niet dat het gaat om serieuze kost. In het boek komen een heleboel deskundigen op het gebied van geluk aan het woord – elk één zo’n hoofdstuk lang. Die deskundigen, ‘100 geluksprofessoren’, zijn vooral wetenschappers, die vertellen over hun eigen onderzoek. En dat vind ik een huzarenstukje: wetenschappelijke onderzoeksresultaten zó toegankelijk maken.

Dat komt op het conto van de samensteller, hoofdredacteur Leo Bormans. Die verzamelde al deze recente onderzoeksresultaten uit het vakgebied van de positieve psychologie en bundelde ze tot dit boek. En dat is dus meer dan een simpel zelfhulpboek, al kun je het zeker ook wel gebruiken om aan je eigen geluk te werken.

Het enige wat er wat mij betreft aan leesbaarheid op is af te dingen is dat het boek zich op den duur nogal gaat herhalen. Geluksonderzoek komt in grote lijnen vaak op hetzelfde neer, en na ongeveer de helft zijn er nog maar weinig bijdragen die echt anders zijn en dus iets nieuws toevoegen. Die zijn dan ook wel weer de moeite waard, maar de krenten zitten dus in een steeds dunnere pap. Al blijft het ook nog wel aardig om ongeveer hetzelfde in steeds andere bewoordingen terug te zien. En ach, zo’n hoofdstuk is nooit lang en al helemaal niet langdradig.

Nouja, en dan ben je dus aan het eind van het boek ‘bijgepraat’ over de positieve psychologie en het geluk. De sleutels? Nouja, dat verschilt dus per auteur in de bewoordingen. Ik vond qua vorm de mooiste versie op p. 349, in de bijdrage van Mark Williamson, met een acroniem:

Giving: doe iets voor anderen
Relating: maak contact met mensen
Exercising: zorg goed voor je lichaam
Awareness: leef je leven bewust
Trying out: blijf nieuwe dingen leren

Direction: stel doelen om naar uit te kijken
Resilience: vind manieren om terug te veren
Emotions: kies een positieve benadering
Acceptance: wees op je gemakt met wie je bent
Meaning: maak deel uit van iets groters.

Ik werd als lezer in elk geval gelukkig van dit boek!

Boel andere leestips #3: stilistisch genot

Het derde ‘andere boek’ (zie deel 1 en deel 2) sluit aan bij iets wat ik regelmatig zeg tegen zakelijke schrijvers: dat het helpt om goed te schrijven als je regelmatig goede teksten leest, bij voorkeur literaire. Om een goed gevoel te ontwikkelen voor mooie schrijftaal, als tegengif tegen de droge rapportentaal en het zakelijke jargon.

Ik doe zelf ook mijn best en vandaar dat ik geïnteresseerd was toen ik op Neerlandistiek.nl een lovende recensie las van het nieuwste boek van Kluun, DJ. Ik denk dat ik vooral over de streep getrokken werd door de zin die erin geciteerd werd:

Thor keek erbij alsof hij op het punt stond een dorp te veroveren, de mannen de schedel in te slaan, de vrouwen te verkrachten en alle soep op te eten.

Ik schoot in de lach, en dat ‘stilistisch valt er veel te genieten’ geloofde ik prompt.

En ja, ik weet van Kluuns reputatie: licht amusement, platte kassakrakers. Maar ik vond Komt een vrouw bij de dokter goed geschreven en aangrijpend en ook Haantjes heb ik met plezier gelezen, overigens ook wel omdat ik het milieu waarin het speelt herken: de snelle Amsterdamse communicatiewereld.

Dat laatste is bij DJ niet het geval: ik heb niks met DJ’s en dance-festivals. Maar verder kan ik alleen maar onderschrijven wat vakgenoot Jos Joosten ook al schrijft: het is een bijzonder spel met zijn eigen reputatie, compositorisch zit het boek origineel in elkaar, als een soort Droste-doosje (het boek gaat over het boek), zonder gekunsteld te zijn. Je weet als lezer niet wat waar is en wat niet (literair is het een onbetrouwbare verteller maar ook weet je niet wat er ‘echt’ autobiografisch aan is). Je zit af en toe met kromme tenen omdat de hoofdpersoon er een potje van maakt. Ik heb het ademloos uitgelezen.

Het boek is ook nog eens hartstikke eigentijds voor wat betreft de rol van de nieuwe media en van de hypercommerciëlisering, die het op de hak neemt. En er zijn meer grappige en rake zinnen zoals die van hierboven.  

Kortom: ‘goede boeken’ lezen, dat hoeft echt geen klassieke literatuur te zijn. Kluun is ook helemaal prima!

 

Boel andere leestips #2: bijzonder, uniek en gek

In deze zomerboel aan andere boeken (zie deel 1) dit keer een heel gek ‘ander’ boek, bij mijn weten het enige in zijn soort: Praat maar vol, jongens! Het is de integrale tekst die door de Vlaamse wielercommentatoren Michel Wuyts en José de Cauwer werd gesproken van de wegrit tijdens de Olympische Spelen in Rio, 6 augustus 2016. De uitzending duurde zeven uur en het commentaar telt bijna 52.000 woorden.

Dat is geen boek om van A tot Z te lezen. Spannend is het niet, want wat er gebeurt en de uitkomst weten we al: Greg van Avermaet, landgenoot van de twee commentatoren, wint. In het boek ziet hun euforie daarover er zo uit:

De letters worden steeds groter

 

 

Daarmee zie je meteen één van de bijzondere kenmerken van het boek: er is met de typografie gespeeld, waardoor het óók een bladerboek is geworden.

Het tweede bijzondere blijkt meteen als ik de pagina wil vermelden van het fragment. Het boek heeft namelijk geen gewone paginanummers. In plaats daarvan staat onderaan de pagina tot aan de finish vermeld hoe veel kilometer het nog is, en na de finish hoeveel tijd die geleden is. Het boek begint dus op ‘nog 237 kilometer’, het fragment van hierboven staat op ‘8 seconden na de finish van Greg van Avermaet’ en het boek eindigt op ‘1 uur en 5 minuten en 35 seconden na de finish van Greg van Avermaet’. Hilarisch!

Nou vind ik dat soort dingen al leuk, maar wat het boek ook de moeite waard maakt is dat ik me kan vergapen aan het verschil met ‘gewone’ tekst. ik weet het al, maar dit maakt het zo zichtbaar: praten is echt heel anders dan schrijven. Zelfs als het nog redelijk verzorgde spreektaal is van mensen die zeer eloquent zijn (Michel Wuyts is een van mijn favoriete gebruikers van de Nederlandse taal). Desalniettemin ontsporen een boel zinnen of staan er gekke dingen in.

Soms is dat ‘gewoon’ ontsporen zoals gesproken taal dat doet. Er is in de taalkunde wel gezegd dat de grammaticaal correcte volzin eigenlijk alleen in de schrijftaal voorkomt. Spreektaal bestaat uit beurten in plaats van zinnen en ‘rammelt’. En dan krijg je dus haperingen, aarzelingen, woordherhalingen, ontbrekende woorden, zinnen waarvan het einde niet aansluit bij het begin, en dit soort dingen die je nooit zo zou opschrijven maar waarvan het wemelt in spreektaal:

En dan kom je daar tuurlijk, als niet echt gewoon zijn, ja, dan bots je echt wel volledig weg, hè?

Da’s José de Cauwer trouwens, op pagina ‘nog 190 kilometer’.

Maar een ander deel van de typische gekkigheid wordt direct ingegeven door de beelden. Dat maakt deze tekst bij vlagen ontzettend onsamenhangend. Het heftigste voorbeeld daarvan kon ik opzoeken, want ik had de rit gezien en ik was dus benieuwd hoe de dramatische valpartij in de finale in het boek zou zijn terechtgekomen. Welnu, ongeveer zo (p. ‘nog 10 kilometer’):

Wuyts: Ik neem aan dat u deze wedstrijd van 240 kilometer niet van bij de start gevolgd hebt. Ik kan u nog wel vertellen dat de Britten…
De Cauwer: Een valpartij.
Wuyts: En een val, en een val! En dat is vooraan gebeurd?
De Cauwer: Da’s vooraan, da’s vooraan, da’s vooraan.
Wuyts: Daar ligt….
De Cauwer: Ai ai ai, en wie is er weg?
Wuyts: Zijn dat…
De Cauwer: Majka is weg.
Wuyts: Majka alleen.
De Cauwer: Majka is weg.
Wuyts: Liggen daar Nibali en Henao?
De Cauwer: Ja ja ja ja ja.
Wuyts: Ai ai ai ai ai ai ai ai ai ai ai, te veel risico’s…

Met mijn speciale aandacht voor samenhang en structuur vind ik vooral dat begin interessant: Michel Wuyts begint net met het bijpraten van nieuwe kijkers en hij doet dat door een vooruitblik te geven waarin hij iets over de Britten aankondigt. Maar dan gebeurt er iets onverwachts. Weg zijn die Britten, of dat bijpraten überhaupt. De kijker ziet natuurlijk ook wel dat er urgentere zaken zijn. Over die Britten gaat het daarna niet meer.

Een ander interessant dingetje vind ik de nadruk die De Cauwer legt op ‘Majka is weg’. Zo’n simpel zinnetje vergt veel aanvullende kennis om het te kunnen interpreteren. Niet alleen is ‘weg zijn’ in wielertaal niet het van de aardbodem verdwenen zijn (zoals Nibali en Henao weg waren, in de zin van uit de wedstrijd, door hun val), maar het vooruit zijn, ontsnapt zijn bijvoorbeeld, en met de nadruk en de herhaling geeft De Cauwer aan dat het in zijn ogen belangrijk is: een kansrijk ‘weg zijn’. Voor schrijftaal zou zo’n mini-zinnetje te impliciet zijn.

De Cauwer zag het toen goed: inderdaad leek Majka daarna lang op weg naar Olympisch goud, om uiteindelijk als derde te finishen omdat hij vlak voor de finish werd bijgehaald en in de sprint verslagen door Van Avermaet en Fuglsang.

Nou, en zo is het dus een heerlijk boek om in te bladeren, te kijken naar de vondsten van de makers (Wim te Brake en Jeroen Duvillier), me te verwonderen over hoe gek het is om te lezen wat je zo klakkeloos aanhoort en dus over het verschil tussen gesproken en schrijftaal. Ik vind het heel erg leuk dat het boek er is!

 

Boel andere leestips #1: voor zelfstandigen

Op dit weblog bespreek ik regelmatig boeken die met schrijven te maken hebben. Ik ga nu enkele posts wijden aan boeken die daar niet direct over gaan, maar die ik wel inspirerend vond – om heel verschillende redenen; het zijn heel verschillende boeken. Ik weet nog niet precies hoe veel het er worden – ik had er eerst drie in gedachten en toen dacht ik aan een ‘drieluik’, maar terwijl ik de blogposts daarover voorbereide, kwamen er alweer drie boeken bij. Het is zomer-rustig met mijn werk op het ogenblik, dan heb ik veel tijd om te lezen, dus wie weet komt er nog meer bij. Dus: gewoon een boel ‘andere’ boeken, ter zomer-inspiratie!

Vandaag het eerste: Uurtje Factuurtje van Alex van der Hulst.

De ondertitel is:

Over hardwerkende freelancers, creatieve ZZP’ers, hippe zelfstandigen en carrière maken zonder baas.

Dus dat gaat over mij, zal ik maar zeggen, en ik vond het dan ook een feest van herkenning. Eindelijk eens geen zeur- en klaagverhalen over schijnzelfstandigheid, onderverzekerd zijn, belastingprofiteurs en noem maar op – de verhalen die de laatste jaren in de media vaak terugkomen.

Maar wel over de lamlendigheid, de disciplineproblemen, de onzekerheid veroorzakende omzet-ups en -downs, de jaloezie op het (schijnbaar?) grote en makkelijke succes van anderen, het onbegrip van mensen in loondienst én van niet-werkenden voor je situatie.

Nouja, zeur- en klaagverhalen zijn het dus eigenlijk juist niet, want het zijn eerder hilarische schetsen (portretjes, columns, ervaringsverhalen, interviews) met een boel compassie en groot enthousiasme voor het zelfstandigenbestaan. En dat herken ik dus precies: nee, het is niet allemaal rozengeur en maneschijn. Maar ik zou niet meer in loondienst kunnen of willen werken.

Eén klein stukje heb ik ondertussen al een paar keer verder verteld, want dat vond ik echt super grappig. Het staat in een hoofdstuk over waarom je als zelfstandige een kat moet hebben (p. 18) en het vergelijkt werkenden met dieren:

Een hamster is als de collega die het tot zijn 65e in het bedrijf wil uitzingen: hij eet, poept en slaapt, en loopt nergens heen in zijn looprad. Konijnen zijn als ambtenaren: niemand weet waar ze voor dienen en als je even niet oplet zijn ze met tien keer zoveel. Vissen zijn die jongens in een start-up: leuke kleurtjes, een mond die de hele dag open- en dichtgaat – en uiteindelijk mag iemand anders de boel weer schoonmaken.

Een lezer is een DEL

Een tijdje geleden deed ik bij een opdrachtgever een train-de-trainerstraject. De deelnemers daaraan gingen dus zelf trainingen ‘pyramid thinking’ geven, en moesten zich als het ware mijn gedachtegoed eigen maken. Ze hoefden mij niet na te papegaaien maar er wel een een eigen draai aan geven. Die eigen draai vond ik heel leuk om te zien, en het gaf mij nieuwe ideeën om bijvoorbeeld oefeningen die ik al jaren doe, eens net een beetje anders te doen.

Eén zo’n eigen draai vond ik een geweldige vondst. Ik zeg wel vaker dat je er als schrijver van uit moet gaan dat je lezer dom, lui en egocentrisch is. Dat bedoel ik niet lullig, het is meer een soort principe: je hebt als schrijver nogal een kloof te overbruggen met die van toeten nog blazen wetende lezer die graag zonder al te veel inspanning wil weten ‘what’s in it for me?’. Let er maar eens op, bij je eigen lezen. Ik beken het in elk geval zelf meteen: ja, als lezer ben ik dom, lui en egocentrisch (zie ook deze column over lezers als nare mensen, en zie dit recente voorbeeld van Jan Schultink over cliënten die een grafiek niet snappen – dom – omdat ze de zes maanden durende ontstaansgeschiedenis niet hebben meegemaakt).

Van drie woorden en het feit dat het om een principe gaat, maakten die nieuwe piramide-trainers het DEL-principe. Met DEL als acroniem dus: dom, egocentrisch, lui. Een lezer is een DEL. Geweldig! Dat ga ik met veel dank ook gebruiken!

Geslaagt!

Erg leuk ikje in de NRC van afgelopen vrijdag:

Over het spelen door jongeren met taalregels in het algemeen en met geslaagt en gezakd in het bijzonder schreef ik een paar jaar geleden een artikel voor The Post Online. Sindsdien houd ik Twitter elk jaar rond de examenuitslagen in de gaten. Dit jaar viel me op dat de twee spelfouten niet zo veel voorkwamen: ik heb ze niet als trending topic gezien. Ach ja, zo’n geintje duurt niet eindeloos.

 

Vlaamse juridische taal

Dat juridisch taalgebruik niet altijd even helder en begrijpelijk is voor gewone mensen, dat is niets nieuws – zie bijvoorbeeld dit stuk erover. Nu heb ik de laatste tijd om twee verschillende persoonlijke redenen af en toe te maken met brieven van Vlaamse advocaten, en ik moet zeggen: die maken het toch echt nog wel wat bonter. Het komt regelmatig voor dat ik werkelijk niet begrijp wat er staat. Dat ik denk: is dit eigenlijk nog wel Nederlands?

Hier is een voorbeeld van een zin waar ik een tijdje op heb moeten studeren om ‘m überhaupt ontleed te krijgen (zo van: hoe zit-ie in elkaar?):

Inzake onder hoofding werd de onroerende procedure gevoerd tot en met overschrijving van het beslag op het hypotheekkantoor.

Problemen:

  • Inzake onder – het begint al meteen moeilijk, want dat zijn toch twee voorzetsels achter elkaar? Dat is strijdig met de gewone grammatica van het Nederlands.
  • Ik ken het woord hoofding niet en ben geneigd het te lezen als iets werkwoordelijks, door die uitgang op -ing (zoals overschrijving verderop). Ik begrijp dat het Vlaams is voor briefhoofd, dus dat ‘inzake onder hoofding’ wil zeggen dat het gaat over het geval zoals vermeld in het briefhoofd – dat had ik ook wel geraden zonder te googlen.
  • Onroerende ken ik alleen met goederen als vaste combinatie, dus wat een onroerende procedure is…? Ja, het gaat om een onroerend goed. Maar ik betwijfel of dit niet juist eigenlijk te kort is.
  • Het passief – die procedure werd dus gevoerd. Door wie? In de brief blijkt het de ‘ik’ van de schrijver te zijn, maar het begint zo wel heel erg abstract en onpersoonlijk.
  • Beslag is voor mij toch vooral iets waar je lekkere dingen van bakt, dus die betekenis moet ik eerst opzijduwen. Hoe je zo’n beslag kunt overschrijven (en waarom) is me nog wel ook wat abstract.

En zo puzzel ik dus met wat moeite wel een betekenis van deze zin bij elkaar (‘Ik heb voor deze zaak de procedure voor de onroerende goederen uitgevoerd tot aan de overschrijving van het beslag’ ofzoiets) maar dan weet ik dus nog niet wat er staat.

Dit is een vrij extreem voorbeeld, maar bij lange na niet het enige. Nou ben ik in dit geval niet de beoogde lezer – de brief is gericht aan een advocaat. Die zal er wel soep van kunnen koken. Maar de gewone burger die dit betreft, krijgt de factuur die erbij zit. En die heeft dus ook geen idee waar hij voor betaalt. En dat is toch lullig.

In het andere geval, andere advocaat ook, hebben we moeten bellen voor opheldering omdat de brief volgens ons twee strijdige boodschappen bevatte. De persoon aan de andere kant van de lijn was niet de advocaat zelve, die krijg je nooit zomaar te pakken, en ze snapte het zelf ook niet. Ze zou het navragen, en we wachten nog op antwoord….

Het lijkt me toch dat ze daar echt wat aan moeten gaan doen! Want dit heeft mijns inziens niets met ‘juridische waterdichtheid’ te maken. Dit is gewoon slecht. Juristen doen het soms wel anders lijken, maar soms is iets gewoon vaag, krom of fout, ook als het in juridisch jargon is opgeschreven.

Aankondigen: leesteken maakt uit

Het begint hier op mijn blog een hobby te worden: problematische aankondigingen spotten. Zie de vorige, met daarin een verwijzing naar nog eentje. Ik heb weer een mooie! Uit Schrijven Magazine dit keer – nogalliefst, ben ik geneigd te zeggen, maar ook daar zit ongetwijfeld wel eens een redacteur niet op te letten.

Dit is ‘m, op p. 6 van het nummer 3 (jaargang 21, juni 2017), in een stukje met ‘Schrijfgedrag’ als titel:

De vijf meest voorkomende problemen van beginnende schrijver zijn het schrijfontwijkend gedrag: te weinig tijd om te schrijven, overmoedigheid, perfectionisme en onzekerheid.

De opsomming begint bij de dubbele punt, en dan zie ik maar vier problemen, die bovendien niet alle vier onder ‘schrijfontwijkend gedrag’ vallen. Ik denk dat het simpelweg zo is dat de dubbele punt een komma had moeten zijn, en dat ‘schrijfontwijkend gedrag’ dus het eerste probleem is:

De vijf meest voorkomende problemen van beginnende schrijver zijn schrijfontwijkend gedrag, te weinig tijd om te schrijven, overmoedigheid, perfectionisme en onzekerheid.

Nou zijn het er weliswaar vijf, maar dan heb ik nog het idee dat er iets niet klopt, omdat  oorzaak en gevolg door elkaar lopen – want veel schrijfvermijdend gedrag komt voort uit perfectionisme en onzekerheid.

En zo rammelt er wel meer aan het stukje. Maar dat ligt niet zozeer aan de aankondiging. Daarvoor geldt dat ik deze post ook ‘een leesteken maakt veel uit’ had kunnen noemen!