Twee twijfelachtige twitterontwikkelingen

Een dikke week geleden veranderde er iets drastisch voor één specifiek tekstgenre: de maximale lengte van een tweet ging van 140 naar 280 karakters (nieuwsbericht). Daar werd heftig op gereageerd (zie dit bericht) en ook ik moet bekennen dat ik het niks vind. De creatieve uitdaging zat hem juist in dat ultrakorte schrijven. 

Bovendien heb ik de indruk dat mijn leesinspanning voor tweets van 280 tekens meer dan verdubbelt ten opzichte van 140. Het kan zijn dat dat gewenning is, maar het kan ook zijn dat 280 tekens complexere mededelingen mogelijk maken, met dus meer verwerkingstijd. Dat werd overigens aardig geparodieerd in deze tweet van @academicssay:

Al eerder was me een ander (nieuw?) verschijnsel opgevallen, en dat was het vergroten van de tekstruimte door het opnemen van een plaatje met tekst, zoals bijvoorbeeld in deze twee van @tekstschrijver (die ik overigens met plezier volg als vakgenoot):

Nou is dit tekstplaatje nog een beetje ‘opgeleukt’ met de ballonnen, maar dat hoeft niet, zoals bij deze van @jeukendrup:

Nou goed, dat is dan weer een citaat, dus dat mag een aparte status krijgen, maar toch vind ik het niet zo geschikt: het is me te veel nadruk op de tekst. Het wordt zo een beetje een tegeltjeswijsheid, vind ik – het is ook net een lijstje eromheen. Nou, dan moet je wel iets heel bijzonders te zeggen hebben.

Helemaal moeizaam vind ik de volgende combinatie, waarin de tweet zelf het plaatje ontkent. Dat werkt niet, volgens mij, juist door die nadruk:

Overigens heb ik van Asker Jeukendrup via Twitter een boel geleerd – het gaat me om de vorm, niet om de inhoud.

 

Redigerende baas mag zich beperken

Bij een paar van mijn opdrachtgevers speelt op het ogenblik het thema van de ‘redigerende baas’: de baas klaagt erover dat hij nog veel moet verbeteren aan het eindproduct van zijn schrijvende medewerkers en/of de medewerkers begrijpen niet waarom hun baas nog zoveel verandert aan hun teksten.

Ik heb enkele voorbeelden van door bazen geredigeerde teksten geanalyseerd en in veel gevallen zie ik de rationale van de verbeteringen niet zo. Soms lijkt het erop dat de baas iets verandert om het veranderen. Of stokpaardjes berijdt. Of een stijlideaal voor ogen heeft dat ik relatief vind. Misschien verbetert de tekst wel, zeg van een 7,2 naar een 7,4, maar is dat de moeite waard? De moeite waard van enerzijds de uren werk van de baas en anderzijds van het frustreren van de medewerkers? Wetende dat lezers van zakelijke teksten veel meer gericht zijn op inhoud dan op stijl? 

Mijn antwoord schemert door de vragen heen: ik betwijfel het zeer. Redigeren is belangrijk voor zover het zorgt voor grotere lezergerichtheid van de tekst. Maar je moet het wel weten te beperken. Ik merk dat zelf ook: eigenlijk is het nooit af, en ook ik heb mezelf wel eens betrapt op het scheppen van versie 57 waarin ik die ene zin waar ik ontevreden over ben maar weer eens omgooi, en nog eens, en nog eens… Het kost heel veel tijd en het is bijna een toevalstreffer of de laatste versie beter is dan de voorlaatste, of de op-twintig-na-laatste.

Leidinggevenden mogen wat mij betreft vaak best wat terughoudender zijn in hun bemoeienis met de laatste fase van het schrijfproces. Maar ik heb al gemerkt: da’s een lastige boodschap. Het lijkt erop dat redigeren ook iets te maken heeft met het plaatsen van een stempel: de tekst gaat erdoor ook naar de leidinggevende ‘rieken’. In dat opzicht vervult het werk wel een functie. Dat is prima, maar laat dat dan wel duidelijk zijn. Voor beide partijen. 

 

 

Piramideprincipe leren trainen?

Op 16 november organiseert Kiezel Communicatie hier in Rotterdam een training over het geven van training in het piramideprincipe (in de leer van Barbara Minto), met mij als docent. Dat wordt dus een train-de-trainer-bijeenkomst, vooral bedoeld voor ervaren schrijftrainers. Als je interesse hebt om mee te doen, hoor ik dat graag – liefst zo snel mogelijk! Hieronder vind je iets over doel, aanpak en voorbereiding van de training.  

Het doel van de dag is om trainers in staat stellen om zelf goede trainingen piramideprincipe te geven, door:

  • Hen beproefde werkvormen zelf te laten ervaren. We gaan dus aan de slag met oefeningen en andere werkvormen uit mijn trainingspraktijk. Ik hoop niet alleen dat de eigen piramidevaardigheden van de deelnemers daarvan verbeteren, maar ook dat ze inzien wat de meerwaarde is van de methode – wat mij betreft veel meer een instrument om helder, logisch en lezergericht te denken dan een ‘teksttrucje’.
  • Op de ervaringen met die werkvormen te reflecteren, en het zo dus te hebben over de didactiek van het piramideprincipe.
  • Te bespreken wat er verder nog bij trainingen piramideprincipe komt kijken. We gaan het aan de hand van mijn en eigen ervaringen en hopelijk ook die van de deelnemers hebben over de grenzen aan de toepassing ervan, de (reële en ‘weerstanderige’) bezwaren ertegen, over hoe organisaties ermee werken, wat mensen er moeilijk aan vinden, wat er leuk aan is, enzovoort.

De voorbereiding betreft leeswerk (mijn boek Adviseren met perspectief en een artikel dat ik verstrek), en wie teksten of presentaties heeft van zichzelf of van opdrachtgevers/deelnemers waar mogelijk iets ‘piramidaals’ mee aan de hand is, dan die graag meenemen. 

Dus wil je een kijkje in mijn keuken en een leuke en nuttige dag samen aan de slag…. dan hoor ik graag van je! 

 

Goed adviseren duurt even

Twee jaar geleden hebben wij in onze woonkamer een nieuwe vloer laten maken. Enerzijds is dat een grote stap vooruit (vloerverwarming!), anderzijds ontdekten we de afgelopen maanden een nadeel ervan, als een soort bijwerking: de muren zijn kleddernat geworden. Vocht van onder de vloer kon eerst recht omhoog, maar dat kan nu niet meer en dus zoekt het een andere uitweg, en dat is via de muur. Nu moeten we dus naar het volgende ‘verbeterproject’: dat vochtprobleem aanpakken.

Achteraf gezien had ik graag gewild dat de mensen die ons hebben geadviseerd voor de nieuwe vloer hadden gewaarschuwd voor de veranderende vochthuishouding. Dan hadden we eerder maatregelen genomen. Maar zo ver strekt hun betrokkenheid niet: ze deden die ene klus, aan de vloer, en daarna waren ze weer weg. Misschien weten ze niet eens dat zo’n andere vloer tot kleddernatte muren kan leiden. Ze zijn immers altijd, bij al hun klanten, al weg als dat probleem zichtbaar wordt – er zat bij ons twee jaar tussen! 

In ons geval duurde het dus twee jaar voordat een gevolg van een eerder gegeven advies zichtbaar werd. Dat is lang, maar ik kan me voorstellen dat er adviezen zijn waarvoor een nog langere periode geldt. En de adviseur is dan al lang weer weg, en hoort nooit over de lange-termijngevolgen. 

Dat is gek, hè? Ik dacht laatst: eigenlijk kun je alleen maar goed adviseren als je je wél bewust bent van die lange termijn. Ik heb daar echter bij mijn weten in handboeken over adviseren nooit iets over gelezen. Als het advies is gegeven is alles daarna ‘implementatie’ en daar doet de adviseur niet aan. Maar eigenlijk zou je dus regelmatig terug moeten naar je klanten om te kijken hoe het zit met de doorwerking van je advies.

Hierover zat ik laatst wat te denken en toen vroeg ik me af: hoe zit dat eigenlijk bij mijzelf, wat weet ik van het doorwerken van mijn adviezen? Ik kom gelukkig bij enkele opdrachtgevers al wat langer. In mijn vak is dat sowieso nodig om iets te veranderen. Schrijfgedrag veranderen is immers iets heel anders dan het bouwen van een nieuwe vloer. De opdrachtgevers bij wie ik langer kom, schrijven ook echt beter dan vroeger, en er wordt meer en beter over teksten en schrijven gepraat en nagedacht.

Geen natte muren gelukkig. Nouja, in één geval hoorde ik dat hun eigen lezers af en toe wel moeite hebben met de directe schrijfstijl, ook na wat langere tijd nog, of juist na die langere tijd. Ineens vinden ze hem ‘hard’. We gaan kijken waar dat ‘m precies in zit.  Ik denk dat er iets anders speelt dan de vorm – dat het meer de inhoud is die anders is dan vroeger, dat deze adviseurs vaker slecht nieuws hebben. En ja, dat klinkt met ‘hoofdboodschap voorop’ luid en duidelijk. Ik ben benieuwd!

 

Ten Oorlog voor taalliefhebbers

Afgelopen donderdag ben ik naar een voorstelling geweest die ik iedere taalliefhebber kan aanraden, alleen moet je daar na vanavond (Heerlen is de laatste voorstelling in Nederland) wel voor naar Vlaanderen: Tom Lanoye in Solo Ten Oorlog. Met Lanoyes bewerking van de koningsdrama’s van Shakespeare, vooral van ‘Risjaar Modderfokker den Derde’, had ik kennisgemaakt in mijn Shakespeare-week bij Buitenkunst. Ik vond die toen al bijzonder.

Je ziet het eigenlijk al aan die gekke naam van Richard the Third: dat is raar Nederlands/Engels. Lanoye speelt op ongeëvenaarde wijze met de taal, en laat de taal als het ware een hoofdrol spelen. De drama’s betreffen zes koningen in de loop van de tijd, en de eerste, Richaar Deuzième, spreekt een meer archaïsch Nederlands vermengd met Frans. Langzaam-maar-zeker wordt de taal moderner, Engelser, sneller, post-moderner ook (met quotes uit blockbusterfilms), plat-Vlaamser, hipper (rap-achtig) – om aan het eind vrijwel te desintegreren, totdat de laatste koning, die Risjaar Modderfokker den Derde, er in totale waanzin nog wat uitspuugt.’Godbloddiemodderfokking ranzig rottenis, of alabaster arms vol merg en innocence’ lees ik in een recensie, maar dat had ik zelf niet meer zo precies verstaan!  

De uitvoering van het complete werk van Lanoye besloeg ooit een hele dag, hij doet het nu solo in minder dan twee uur. Daarbij speelt hij niet, zegt hij, hij is geen acteur, al komt het soms wel dichtbij, met een enkele rekwisiet en wat zang en dans zelfs. Hij vertelt, nouja, doet van alles met zijn stem. Hij doet zo zelf alle rollen. Dat doet hij geweldig, maar het is wel klein, zeker in een grote schouwburgzaal, en het gaat soms snel en met weinig context. Ik had vooral in het begin moeite om me te blijven concentreren.

Maar de toenemende gekte kreeg me wel te pakken, met Risjaar Modderfokker als hoogtepunt – die koning krijgt de meeste tijd. En zo raakte ik steeds meer onder de indruk.

Lanoye praatte er ook een beetje omheen, en legde zo ook dingen uit over de taal, onder andere over de Shakespeariaanse vijfvoetige jambe, die hij ons ritmisch liet nazeggen: ‘er zijn of nie, er is geen vraag als die’ (uit zijn Hamletbewerking). 

En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, staat er in het programmaboekje ook nog een zeer fraaie reclame, namelijk onderstaande, over een hele pagina:

Dankzij Humo staat hier geen andere onzinIk kan er niet helemaal de vinger op leggen, maar dat is ook heel erg Vlaams, hè? Of is het alleen maar heel erg Humo

Mini-columns over mijn eigen en andere sport

De nieuwe Oase Magazine is weer uit, jaargang 10, nummer 2. Daarin vier mini-columns van mij over sport, althans, over ‘mijn’ sporten: twee over triathlon, twee over wielrennen. Dat was een beetje toeval, ik probeer er meestal ook wel wat over voetbal in te stoppen, soms over hardlopen/atletiek ook en een enkele keer over andere sporten of over sport in het algemeen. In elk geval: deze vier vonden ze van de redactie wat aan de eenzijdige kant, dus inmiddels heb ik voor het volgende nummer gezorgd voor twee algemene waarvan een geïllustreerd met voetballers, nog één over voetbal en één over hardlopen.

Voetbal vind ik trouwens ook echt een must, als zo veruit de grootste sport en dus eentje die veel gebruikers van Oase zal aanspreken. Ik kijk er genoeg naar, en er is bovendien ook genoeg over te vinden en te lezen. Ik bedoel: ik hoef een sport niet zelf te doen om erover te kunnen schrijven. Maar het helpt soms wel. 

Houd het bij één simpele vraag

Ik zag laatst een mooi voorbeeld van hoe snel de goede intenties van een schrijver door de lezer niet begrepen worden. In een tekst stond de aankondiging van een grote verandering, ‘op drie fronten’, en daarna volgde deze opsomming:

  1. Wat: andere producten verkopen
  2. Hoe: verantwoordelijkheden anders beleggen
  3. Wie: personeelsbestand aanpassen

Ik snapte er niks van. Is dit nou één verandering met drie aspecten, of zijn het drie veranderingen (zo begrijp ik op drie fronten), maar dan valt 2 toch ook onder wie en ook aan 1 en 3 kleven hoe-aspecten (etcetera)?

De schrijver kon het uitleggen: het waren wel degelijk drie veranderingen. Hij had gedacht ze met die vraagwoorden duidelijker uit elkaar te halen, maar het tegenovergestelde was het geval. Voor de schrijver was het heel helder en logisch zo, maar ik vind het een typisch voorbeeld van een associatieve logica. Als lezer moet je daarvoor te veel meedenken met de schrijver; diens logica is niet altijd de jouwe.

Wat dan? Houd het zo simpel mogelijk! Drie veranderingen: aan de producten, aan de aansturing en aan het personeelsbestand. Klaar. Tussenliggende vraag is een simpele welke. Dat hoef je hier niet eens expliciet te maken. Eén vraag, met een eenduidig antwoord, dát kunnen lezers bevatten.

 

Tekstpraktijk bij het Rijk

In de meest recente editie van Tekstblad (jaargang 23, nummer 4) staat een goed artikel van mijn gewaardeerde collega Jeanine Mies over de ‘tekstpraktijk’ bij het Rijk – over waarom goede schrijfintenties vaak sneuvelen, zo staat het als vraag in de ondertitel. Mies geeft daar vijf antwoorden op, een overzicht dat ik herkenbaar vind, en waar ze adviezen aan verbindt:

  1. Schrijven in een bubbel. Je gaat schrijven zoals gebruikelijk is in een organisatie en op een gegeven moment zie je niet meer wat ‘gek’ is. Dat burgers zichzelf zo niet noemen bijvoorbeeld, of dat andere mensen echt niet weten wat PPS is (publiek-private samenwerking). Om de bubbel te doorbreken moet je af en toe de blik van een buitenstaander organiseren. 
  2. Schrijven terwijl je nog denkt. Vaak is een tekst nodig om over de inhoud met anderen te kunnen overleggen, maar voor die ‘praatversie’ gaat dan de ‘wet van behoud van tekst’ gelden. Eigenlijk zou je dat praten moeten doen aan de hand van iets schematisch. 
  3. Blindstaren op B1. Alsof heldere taal alles is. Maar een tekst met allemaal goede en heldere zinnen en woorden kan toch de plank misslaan. Met inhoud en structuur is meer leesbaarheidswinst te boeken dan met formuleringen. 
  4. Iedereen mag reageren. Dan geldt wat Mies de Wet van Scholten noemt: de kwaliteit van een tekst is omgekeerd evenredig aan het aantal mensen dat eraan heeft meegeschreven. Het is belangrijk dat de regie bij één iemand rust!
  5. Onvoldoende ondersteuning. Weliswaar doet de overheid al veel, maar dat wordt niet altijd als hulp gezien, soms eerder als wijzend vingertje. Of soms mag beter schrijven niet van de leidinggevende. Goed schrijven vraagt om een goede schrijfcutuur. Overigens niet alleen bij de overheid, voeg ik er maar aan toe! 

Aanrader, dat artikel, voor iedereen die met schrijven en tekstkwaliteit in organisaties bezig is!