Een ijzersterk boek

Soms zijn er van die boeken waarvan ik denk: huh, waarom wist ik tot nu toe nog niet af van het bestaan? Zo’n boek is coverEen ijzersterk verhaal, van Floris de Monchy, Yolanda Bakker en Heleen van der Helm. Ik heb het gekocht omdat ik had begrepen dat zij volgens het piramideprincipe werken, en ik was benieuwd hoe ze dat deden.

Welnu, ik ken, buiten mijn eigen boek (waar dit boek naar verwijst), geen betere uitleg van het piramideprincipe dan hierin. Dat doet me natuurlijk deugd (er is helaas ook veel bagger op de markt). Op de kleurige en ruime visualisatie kan ik zelfs een beetje jaloers zijn, al is dit boek dan ook duurder dan het mijne. 

Die uitleg beslaat het eerste hoofdstuk, over de compositie van het verhaal. De twee hoofdstukken erna zijn inhoudelijk ook goed. Het eerste daarvan gaat over de vertaalslag vanuit de piramide naar PowerPoint, dus over het zichtbaar maken van structuur en verhaallijn en het kiezen van beelden. Het tweede gaat  over het daadwerkelijk houden van de presentatie, en dat is gelukkig geen opsomming van moetens en magniets, maar een verhaal over contact maken en het hanteren van je angst.

Op een paar piepkleine details zou ik nog wat aan te merken hebben. Op p. 60/61 bijvoorbeeld staat een overzicht van een presentatie waar de structuuraanduiders qua kleur net niet consistent zijn, en in een voorbeeld op p. 75 duikt het Mehrabian-broodje-aap op. Dat zou ik toch niet willen, ook al is het maar een voorbeeld  – maar wel inhoudelijk relevant voor dit boek: als de inhoud echt maar 7 % uitmaakt van hoe je overkomt, hoef je al die piramide-moeite niet te doen.

Ietsje fundamenteler is misschien het punt dat hun voorbeelden wel heel ver af staan van de praktijk van bijvoorbeeld de consultants en accountants met wie ik werk – bij hen zou het boek weerstand oproepen, denk ik. Zo van: dat is wel mooi, maar dat kan bij ons helemaal niet. Sowieso hét punt van dit werk, zal ik maar zeggen. In het boek gaat het daar niet over.

Zo wordt wel weer eens duidelijk dat het mogelijk is om in één compact boek uit te leggen hoe je goed presenteert. Dat is dus ook het probleem niet. Het dóen, dat wel. Maar goed, dat begint met een basis, en die legt dit boek.

Een complex vraagstuk hoeft niet taai te zijn

Vermaak tijdens masterclassIk kom net terug van een leuke en nuttige masterclass, ‘plezier beleven aan taaie vraagstukken, van SIOO. Het was voor mij een kennismaking met SIOO; ik had daar een aantal jaar geleden wel naar gekeken toen ik uiteindelijk heb gekozen voor een opleiding organisatieverandering bij de OU (zie terugblik). Sindsdien sta ik op de mailinglijst en zo werd ik geattendeerd op deze masterclass, die me qua spreker en thematiek aanspraak en qua tijd ook goed uitkwam. Het smaakte naar meer; ik ga die masterclasses zeker in de gaten houden!

De masterclass ging over het gelijknamige proefschrift van Vermaak. Dat is honderden pagina’s dik, en het ging vanochtend dan ook in rap tempo langs de highlights. Ik ga hier geen representatieve samenvatting geven, maar er wel wat dingen uitlichten die mij opvielen.

Eerst over dat aanspreken qua thematiek: zoals ik hier al vaker heb betoogd, is beter gaan schrijven voor veel organisaties serieuze verandering, en daarmee ook nauw verbonden met taaie vraagstukken. Wat mij vooral bekend voorkwam, was dat Vermaak benoemde dat professionals vaak in de loop van een verandering nogal moeten ‘oprekken’ wat hun vak eigenlijk is. Sommigen doen dat graag, anderen maken die wending niet. Hij gaf als voorbeeld dat een brandweerman die zich als heldhaftige blusser ziet, niet aan preventie wil doen, terwijl anderen zich juist enthousiast daarop storten omdat ze het als hun taak zien de veiligheid zo veel mogelijk te vergroten. Soms moet je daarover stevig met ze in discussie.

Ik moest daarbij denken aan de vele discussies die ik heb gevoerd over rolopvatting met adviseurs en aanverwanten: adviseurs die eigenlijk geen adviseur willen zijn omdat ze zich vakspecialisten voelen (‘echte techneuten/juristen’), accountants die wel/geen adviseur kunnen/willen/mogen zijn, toetsers die eigenlijk liever zouden willen adviseren… en dat alles met consequenties voor hoe je met je klant omgaat en dus ook voor hoe je voor je klant schrijft.

Mijn interesse voor taaie vraagstukken zit ‘m ook nog anders, en dat is dat ik vaak teams help bij het schrijven in een taaie situatie. Dan is het begeleiden van die taaiheid niet zozeer mijn pakkie-aan, maar het hunne, en schrijven maakt daar een onderdeel van uit. Zo help ik op het ogenblik een management team in een grote organisatie bij het schrijven van een strategie. Ons gezamenlijke denkwerk, daar vind ik niks taais aan, dat gaat als een trein. Maar ik zie wel hoe zij worstelen met de materie, en hoe die onder hun handen verandert. Ze schrijven dus wel in en over een complexe situatie.

De masterclass was eerst anderhalf uur lang een hoorcollege, en later meer interactief met de zaal. In de tussenliggende pauze hadden we met beroepsgroepen samen gezeten om te kijken wat we met het geleerde konden en of we nog vragen hadden. Ik was bij het tafeltje ‘ZZP’ers’, en wij hadden dezelfde vraag die later door de consultants werd ingebracht: hoe praat je je opdrachtgevers af van al te simplistische oplossingen? Vermaak had twee suggesties:

  1. Zorg  dat je aan tafel komt met degenen die de verandering echt moeten doen. Vaak zijn er twee partijen: de opdrachtgever en de ‘slachtoffers’. Maar wie zijn dan de echte veranderaars? Ga daarmee in gesprek. Meestal is dat de ‘microcosmos’ van mensen die samenwerken rond een taak, zoals een paar artsen, verpleegkundigen, familie en de patiënt zelf rond één ziekenhuisbed. Sowieso is die ‘microcosmos’ (ik moest ook denken aan de petri-schaaltjes van Homan, uit die OU-opleiding) de plek waar de verandering gebeurt, van onderop.
  2. Laat je gespreksgenoot ervaren dat meer van hetzelfde niet werk, dat de oude routine (waarvoor ze bij je aankloppen) echt niet meer werkt. Je doet dan een soort anti-acquisitie – een mooi woord dat ik ook wel herken. Als er iemand bij mij aanklopt met de vraag of ik ‘even’ een schrijftraining kan geven, dan is mijn vaste antwoord tegenwoordig: ‘dat kan wel, maar het rendement daarvan is 0’. Sinds ik zo begin, heb ik interessanter werk met langdurigere klantcontacten en meer resultaat.

Tegen het eind zei Vermaak zijdelings ook nog wel iets wat ik interessant vond en onmiddellijk herkende, terwijl het er weinig over gaat: hoe modewoorden in organisaties (en daarbuiten) allemaal maar een tijdelijk bestaan hebben omdat ze afvlakken in hun betekenis. Mensen gaan ermee aan de haal op een manier die hen goed uitkomt, en daarmee verliest het begrip zijn oorspronkelijke waarde. Ze worden als het ware uitgekleed en als label geplakt op opvattingen die er toch al zijn.

Vermaak gaf als voorbeeld het begrip appreciative enquiry, waarin volgens hem enquiry de centrale notie is, en dat doe je dan op een waarderende manier. Maar in organisaties is het al verworden tot ‘laten we een beetje aardig zijn voor elkaar’. Op dezelfde manier heb ik al waargenomen dat de agile-begrippen hun oorspronkelijke betekenis verliezen: elk werkoverleg heet tegenwoordig een scrum enagile gaan werken’ het zoveelste eufemisme voor een pijnlijke reorganisatie. Agile is nu nog hip, maar ook al op z’n retour, dat kun je daaraan zien.

De ochtend vloog om, Vermaak is een prettige spreker met veel humor en zeker het interactieve gedeelte was heel flitsend. Ik vond het heerlijk om te luisteren en eens niet zo veel te hoeven, anders dan in bijvoorbeeld mijn recente ACT-opleiding. En bij dat luisteren had ik veel herkenning, ik hoorde wat mooie one-liners, en kreeg interessante inzichten in organisaties. Ik vond het ook grappig om te zien hoe Vermaak een rommeltje maakt van z’n flipovers (beetje te zien op de foto hierboven) – héél herkenbaar. Daarvoor had hij een PowerPointpresentatie van maar een handjevol slides. Ja, dat kan echt! 

Een belangrijke les: een complex vraagstuk wordt pas taai als je het probeert te versimpelen. Als je het ziet als wat het is (namelijk: complex) dan is het niet taai maar interessant en spannend. Dan kun je bijvoorbeeld zien dat een blokkade niet het werk verstoort, maar juist het werk is. Problemen ontstaan juist als je een complex vraagstuk versimpelt en omgekeerd. Die knoop ik in mijn oren! Vermaak zei dat je met een beetje complex vraagstuk rustig 30 jaar verder kan. Hé, grappig, dat is ook zo’n schrijfprocestheorie, dat het 30 jaar kost om echt goed te leren schrijven. En dat is geen probleem, dat is leuk. Dat inzicht, daar gaat het om!

 

Titel = kernzin

Binnenkort geef ik ergens een training die zowel over tekst als over presentaties gaat. Dat is uitzonderlijk: niet alleen gaat het in trainingen bijna altijd ofwel over tekst, ofwel over presentaties, maar meer in het algemeen is mijn indruk dat een organisatie, of zelfs een hele branche, ofwel in tekst ofwel met presentaties communiceert. Ik bedoel: er zijn volgens mij niet veel adviseurs die voor hun klanten ongeveer even veel schrijven als presentaties maken.

Maar goed, mijn opdrachtgever van volgende week dus wel, die maken zelfs al hun genres in beide vormen, dus een projectvoorstel kan zowel in Word als in PowerPoint gemaakt worden, maar een eindrapport ook, en alles ertussenin. Ze willen dus aan beide aandacht, in één training, voor mensen die al een stevige kennis van het piramideprincipe hebben maar die het lastig vinden een piramide in tekst dan wel een presentatie te vertalen.

In de voorbereiding realiseerde ik me iets wat ik vagelijk wel wist, maar nog nooit zo helder onder woorden had gebracht om het uit te kunnen leggen (straks) of (hier) op te kunnen schrijven: de verhouding tussen de kernzin en de rest van de alinea is hetzelfde als die tussen titel van de slide en de rest ervan, dus de visualisatie. En die relatie is er een van hoofdboodschap versus uitwerking daarvan. Niet helemaal meer zo strikt volgens die ene vraag van het piramideprincipe, maar wel vergelijkbaar.

Dus hoe maak je goede slides dan wel alinea’s? De hoofdboodschap lees je af uit je piramide, dat wordt de titel dan wel de kernzin, en die werk je dan in de rest van de slide/alinea uit. Hartstikke simpel.

Twee consequenties:

  1. Als je van een slide de titel afdekt of van een alinea de eerste zin, dan zou een niet-ingewijde lezer die ongeveer moeten kunnen raden. En het omgekeerde geldt ook: dek de rest af, en de lezer zou die op basis van de kernzin/titel moeten kunnen raden. Dat maakt straks leuke oefeningen.
  2. Een lezer met grote haast heeft aan kernzinnen of titels genoeg om de hoofdlijn van het verhaal goed te kunnen volgen, en kan dus ook op basis van alleen die zinnen steeds besluiten om de rest van de alinea/slide te lezen, of snel door te gaan. Ik ga er hierbij wel van uit dat de kernzin op de eerste plaats staat, dus vooraan in de alinea. Maar dat ‘moet’ eigenlijk sowieso, bij piramidaal schrijven.

Een kernzin kan ook nog wel  meer doen, zoals relaties leggen met eerdere alinea’s en met het hogere hiërarchische niveau. Dat is voor PowerPoint-titels lastiger te realiseren. Het is een van de mooie dingen van tekst…

 

What if het Nederlands was?

Cover What If?In het meest recente nummer van Tekstblad (nr. 4) zegt Kitty Kilian in de rubriek ‘Mijn favoriete schrijfoefening’ dat in het boek What if? de beste schrijfoefeningen staan. ‘Van dat boek heb ik meer geleerd dan van de hele School voor de Journalistiek’ zegt ze.

Dat maakte me nieuwsgierig, dus ik heb het boek gekocht en deels gelezen, althans, doorgebladerd.  Het viel mij niet helemaal mee, moet ik zeggen. Ik had door die School-voor-Journalistiek-uitspraak verwacht er meer oefeningen in aan te treffen die ook relevant zijn voor schrijvers van non-fictie, maar dat valt vies tegen.

Voor de oefening in Tekstblad weet ik bijvoorbeeld ook geen plek in mijn eigen werk. Je moet dan drie mensen die je kent beschrijven, elk in één zin, aan de hand van één detail. Leuk, maarre… de relatie met adviesrapporten schrijven is wel heel dunnetjes, en ‘mijn’ schrijvers hebben heel andere problemen. 

Verder is het vooral heel erg véél. Het zijn 82 oefeningen, alleen losjes thematisch geordend. Als je uit het boek zou willen leren schrijven en dus zelf een keuze moet maken uit de oefeningen, krijg je nergens houvast. Er is geen leerpad, geen prioritering, en als je alles wilt doen, ben je jaren bezig, want sommige oefeningen zijn best tijdrovend. Hoe bepaal je dan wat voor jou nuttig is?

Het boek zou je wel kunnen zien als goudmijn voor schrijfdocenten. Zij kunnen dan die ordening aanbrengen. Je kunt natuurlijk sowieso niet echt leren schrijven uit een boek – iets wat Kitty Kilian ook benadrukt overigens: er is altijd feedback nodig. Dus zonder een docent ofzoiets lukt het niet.

Maar als ik docent fictie was, zou ik het nut van dit boek nog beperkt vinden. Het is namelijk ontzettend Amerikaans. Het is niet alleen in het Engels geschreven, wat voor de bruikbaarheid toch wel een hobbel is – het gaat bij fictie soms om de subtiliteiten die in je moedertaal al lastig genoeg zijn. Maar het bulkt ook van de voorbeelden uit en verwijzingen naar de Amerikaanse literatuur. In de meerderheid van de gevallen heb ik geen idee.

Gelukkig staan er ook veel voorbeelden in uit het werk van cursisten. Die vond ik het leukste om te lezen.

Wat als er een What if? in het Nederlands zou zijn? Het boek vertalen zou een reusachtige klus zijn, althans, als je het ook echt zou bewerken voor de Nederlandse situatie, dus met Nederlandse voorbeelden en verwijzingen naar de Nederlandstalige literatuur. Ik weet niet of dat de moeite waard zou zijn. Want het bezwaar van de beperkte bruikbaar- en toegankelijkheid zou dan nog steeds gelden.

Enne – oja: van Bernays en Painter moet je wel een notitieboekje bijhouden 😉

 

Weer mini-columns verschenen

Het is vaste prik: in de eerder deze maand verschenen editie van Oase Magazine (jaargang 9, nummer 2) staan weer mini-columns van mij over sport, drie dit keer. Zeg aan onder andere over het gebrek aan ‘schone’ sportkleding en aan vrouwelijke rolmodellen: het eerste vind ik een groter probleem dan het tweede! Je zit immers niet aan je sexe vastgepind bij de keuze voor een held. Maar je zit helaas wel zo’n beetje vast aan de grote ‘uitbuitmerken’ voor je sportkleding.

Goed schrijven is time-management

Eerder deze week was er van mijn netwerkclub, de Vrouwelijke Ondernemers Overschie, een avond over time-management, met professional organizer Martine Vecht van Bien-être. Het was een leuke avond en ondanks dat ik mijn eigen time volgens mij aardig manage pikte ik er ook nog wel wat van op.

We kregen aan het eind ook nog tips op papier mee, en eentje daarvan viel me op. De tip luidt ‘minder mailen loont’ – want op een verstuurde mail krijg je er gemiddeld 1,6 terug, zeker als je nogal kwistig bent met cc’s en vragen voor de vorm. En de e-mail, ja, die kost ons allemaal (te) veel tijd, toch? Nou, goed schrijven helpt ook. Ik citeer Martines handout:

Wat voor jou logisch lijkt, kan toch multi-interpretabel zijn. Lees je mail dus na op onduidelijkheden. Je krijgt geheid meer mail als je slordig formuleert.

Mee eens! Sterker nog: omdat je eigen schrijven voor jezelf zo logisch is, moeten belangrijke teksten zelfs door een ander worden nagelezen op onduidelijkheden. Dat hoeft niet bij elk mailtje natuurlijk. Maar goed schrijven (en een effectief schrijfproces!), ja, dat scheelt tijd.

 

Hoogste tijd voor links

Het is alweer even geleden, maar nu dan: de regelmatig terugkerende oogst aan nuttige, relevante en leuke links:

  • Mooi bericht over dat goede tekst echt belangrijk is: de Belgische fiscus schreef een slimme brief en dat leverde 18 miljoen euro op. (Ik snap alleen niet wat er nudging is aan gewoon een korte, heldere brief schrijven met een duidelijke boodschap en goede onderbouwing. Hooguit is het beroep op de groepsdruk nudging, maar de financiële sanctie expliciteren toch echt niet.)
  • Interessant en eigenzinnig standpunt over de zo vaak gesignaleerde gebrekkige leesvaardigheid van studenten: dat het niet aan hun leesvaardigheid ligt, maar aan het beroerde schrijven van academici. Ik kan me er wel wat bij voorstellen….
  • Ook al ben ik al jaren bezig met de lijdende vorm (waar ik ooit op promoveerde), toch leerde ik de term handlijding, voor een handleiding vol met lijdende vormen, pas uit deze blogpost. Ik ga ‘m onthouden!
  • Nuttige tips om je interne criticus tot zwijgen te brengen, noodzakelijk in de creatieve schrijffase. Ik meen te zien dat het is geïnspireerd door de ACT, want ook daarin geef je bijvoorbeeld je kritische verstand een naam, leer je je gedachten te relativeren in plaats van voor waar aan te nemen, en stel je je waarden centraal. Overigens vind ik de titel ook een voorbeeld van een rare jouw, waar ik laatst over schreef.

 

Precies! Bedoel ik ook!

Eergisteren schreef ik over ‘strijken en rennen’ als effectieve probleemoplossende schrijfstrategieën. Als ik op dat moment de weekendkrant al helemaal uit had gehad, had ik er meteen iets daaruit aan kunnen verbinden. Ik las het desbetreffende artikel pas gisteren, en toen schoot ik in de lach: daar zegt iemand precies wat ik ook bedoel!

Het gaat om ecoloog Marten Scheffer, die in de Wetenschapsbijlage van de NRC geïnterviewd wordt over plotselinge omslagen. Het artikel begint zo:

creativiteit1Daar ben ik het helemaal mee eens. Het doet me denken aan die keer dat ik hoorde hoe er bij een van de vakgroepen waar ik wel eens voor heb gewerkt gesignaleerd werd dat de studenten onvoldoende ‘lef’ hadden om interessante uitspraken te doen. Tot mijn verbazing leidde dat ertoe dat er een extra methodologievak bijkwam in de opleiding. Dat kwam op mij over als het paard achter de wagen spannen. Overigens, juist dat lef zeggen pas afgestudeerden in rap tempo (praktijkshock!) te moeten ontwikkelen in hun eerste baan.

En tegen het eind staat er dit:

creativiteit2creativiteit3We delen niet alleen een inspiratiebron, aan het einde zegt Scheffer precies wat ik eergisteren ook wilde zeggen: dat werkgevers tolerant moeten zijn als je andere dingen doet dan achter de computer blijven zitten, omdat je strijkend of rennend, of pokend in een kampvuurtje, betere ideeën krijgt.

Geen notitieboekje

Gister schreef ik over schrijven bij het strijken en rennen. Maar hoe onthoud je dan je goede invallen? Bij het strijken zou je nog wel een notitieboekje klaar kunnen leggen, maar rennend is dat geen doen. Welnu, ik geloof wat dat betreft in een tip die elders in hetzelfde Schrijven Magazine staat, namelijk in een interview met Kathelijn Vervarcke. Eén van haar schrijftips is (p. 13):

Gebruik geen notitieboekje. Echt goede ideeën moet je kunnen onthouden, dat is een goede methode om slechte ideeën van goede te onderscheiden.

Dat is nogal tegen de teneur in de meeste schrijfadviesboeken in, maar ik ben het ermee eens. Niet dat ik helemaal geen notitieboekje heb – ik heb standaard een schrift in mijn tas zitten. Dat is om aantekeningen te maken en om kladversies te schrijven of zomaar wat te freewriten.

Maar dus niet om invallen op te schrijven. Want die krijg ik, zoals ik gister schreef, vooral fietsend en wandelend. En de goede blijven inderdaad altijd hangen. Dat is een kwestie van vertrouwen: als het echt belangrijk is, hoef je geen moeite te doen iets te onthouden.

 

Strijken & rennen

In de huidige editie van Schrijven Magazine (nummer 5, p. 43) staat een column van Lex Jansen die me uit het hart gegrepen is en waar een paar wijze lessen in staan voor zakelijke schrijvers.

In de eerste plaats vertelt Jansen hoe hij talloze auteurs heeft gevraagd naar hun ideale schrijfdag, en daarop telkens een ander antwoord kreeg: het kan ’s ochtends zijn, ’s middags, in alle rust en stilte of juist met wat lawaai. Mensen verschillen, schrijvers verschillen – zakelijke schrijvers ook. De kunst is om je eigen gebruiksaanwijzing te leren kennen en daar dan ook naar te durven handelen.

Daarna vertelt Jansen een verhaal over hoe een gefrustreerde auteur ontdekte dat hij achter de strijkplank en rennend ineens wél oplossingen zag voor zijn schrijfproblemen (‘iedere renpartij levert minimaal één bruikbare gedachte op’), en juist niet als ‘hij achter zijn Appel naar een leeg beeld zat te staren’.

Ik herken dat helemaal, van mezelf en van anderen: als ik ergens niet uit kom, is achter de computer blijven zitten het slechtste wat ik kan doen. Mijn beste ideeën en oplossingen komen lopend en fietsend, maar ook afwassend en dweilend. Helaas is het in veel werkomgevingen not done om zoiets op te zoeken als je aan het werk bent. Dus kleven ze daar met z’n allen aan stoel en beeldscherm vast.

Niet productief. Al lijkt het misschien wel zo.