Leuke en nuttige links

Het is weer eens tijd voor een overzichtje van nuttige en/of leuke links:

  • Een origineel verhaal over hoe je van het redigeren van teksten zelf een betere schrijver wordt.  Herken ik wel, maar ik heb het in deze vorm nog nooit ergens zo betoogd gezien.
  • Deze vond ik erg grappig: een serie foto’s met gekke woordbeelden doordat de spatiëring van de letters niet bepaald gelukkig uitpakte.
  • Een bevinding naar mijn hart, zeker in zo’n zomer als deze waarin ik veel vakliteratuur lees en zeker boven de 3,5 uur uitkom: lezers leven langer.
  • Een opmerkelijke presenteertip: oefen met honden!
  • En een hele website gericht op de hardnekkige mythe waar ik ook tegen de strijd, namelijk dat je een zin niet met en zou mogen beginnen. Met mooie voorbeelden!

Een blader- en een hebboek

Ik heb deze zomer een boel vakboeken gelezen en hier besproken. Hier zijn er nog twee die ik graag aanbeveel, maar die ik zelf niet helemaal heb gelezen. Het zijn voor mij een bladerboek en eentje ‘voor de heb’, maar ze zijn dus wel de moeite waard:

Tekenend problemen oplossen

CoverNóg een boek. Ik heb een inspirerende zomer, qua leeswerk, dat moge wel blijken uit mijn eerdere leesverslagen. Maar dit is tot nu toe wel de topper: The back of the napkin. Solving problems and selling ideas with pictures, van Dan Roam. Althans, het is het enige boek van de hele reeks waarbij ikzelf aan het oefenen ben geslagen.

Roam introduceert SQVID-framework: de vijf letters staan voor vijf dimensies met elk twee  polen die in totaal tien verschillende manieren laten zien waarop je een concept kunt visualiseren. Hij illustreert dat aan de hand van een appel, en dat kon ik goed volgen, maar ik heb zelf zitten uitproberen of ik het wel echt snapte, aan de hand van het concept ‘triathlon’, in deze dagen voor mij nogal actueel. Dit is het resultaat, en dat is niet goed leesbaar omdat het van Roam met potlood moest, en dat is ook wel prima, want het was maar oefenen en ik ben een van die mensen die zeggen niet zo goed te kunnen tekenen maar dat maakt volgens Roam niet uit:

Vage potloodschets

Ik laat het alleen maar zien als bewijs dat het me tot ‘huiswerk’ geïnspireerd heeft. Ik heb alleen geen flauw idee of ik het goed begrepen heb. Ik heb dat bijna nooit, maar bij dit boek zouden oefeningen met uitwerkingen welkom zijn.

Wat ik oefenend merkte, is dat ik die dimensies niet per se visueel invul, dat kan net zo goed in woorden, wat mij betreft. De eerste letter, die S, die staat voor ‘simple’ versus ‘elaborate’, en bij ‘elaborate’ dacht ik aan de 2000 deelnemers van een grote wedstrijd. Maar daarvoor hoef ik die massa niet per se voor me te zien. Of wel?

Dat brengt me wel op het spoor van de vraag die voor mij overblijft na het lezen van het boek: is dit nou echt een nieuwe manier van probleemoplossen, namelijk door te tekenen, of is het het visualiseren van probleemoplossen? Het lijkt namelijk af en toe makkelijker dan dat het is. Dan tovert Roam een getekende oplossing van een probleem tevoorschijn en dan denk ik: ja, maar hoe heb je dan precies die stap gezet? Het gaat dan denk ik vooral om de tweede en derde stap van de vier die Roam definieert: looking-seeing-imagining-showing. In termen van het piramideprincipe vindt daar synthese plaats: niet alleen kijken naar wat de feiten zijn (‘looking’), maar ze clusteren tot betekenisvolle eenheden, interpreteren. Ik weet vanuit het werken met het piramideprincipe dat dat iets ongrijpbaars heeft, en dat heeft het óók als je tekent, ook al kun je wellicht met tekenen wel jezelf helpen nadenken.

De showing van het boek is deels niet zoveel nieuws, bijvoorbeeld als Roam de bekende regels voor grafiekvormkeuze behandelt. Maar hij zet wel een stap in conceptuele beelden die ik niet eerder heb gezien, door de beeldkeuze te koppelen aan het type vraag dat je beantwoordt. Dat zijn er zes:

  1. Wie en wat –> portret
  2. Hoeveel –> grafiek
  3. Waar –> kaart
  4. Wanneer –> timeline
  5. Hoe –> flowchart
  6. Waarom –> plot

 Niet heel revolutionair, maar ik heb dat nog nooit ergens zo systematisch gezien, en het maakt de keuze voor bijvoorbeeld het ontwerpen van een presentatie wel overzichtelijk. De waarom-vraag als plot visualiseren maakt overigens wel duidelijk dat dat geen echte waarom-vragen zijn (vragen naar zin- en betekenisgeving) maar veredelde hoe-vragen (naar oorzaken en werking – maar dat is ook een beetje filosofische kwestie).

In vier stappen, met zes mogelijke vragen, langs vijf dimensies – en da’s alles, daarmee kun je problemen oplossen. Daarmee kun je ook een reusachtig PowerPointpack terugbrengen tot de essentie die op één pagina te tonen is Zegt Roam, en ik denk dus dat hij daar inderdaad nuttige instrumenten voor aandraagt. Dat het dan allemaal een eitje is, dat geloof ik niet. Maar wel dus dat het enorm kan helpen om dat potlood te pakken en visueel aan het denken te slaan. Zouden we vaker moeten doen, zeker voordat we PowerPoint aanzetten. Of Word – want ook om te schrijven moet je oplossingen bedenken.

 

Oase uit

En weer net verschenen: Oase Magazine, jaargang 9 nummer 1, met daarin twee mini-columns van mij over sport. Eentje daarvan moest ik in de drukproeven aanpassen aan de actualiteit; dat gebeurt zelden. De column ging namelijk over Maarten Tjallingii, en aan het begin somde ik om wat die bereikt heeft in zijn carrière. Kort na de deadline voegde Tjallingii daar nog iets moois aan toe: hij droeg de bergtrui in de Giro d’Italia, en hij veroverde die nogalliefst in Nederland, op de Posbank. Dat kreeg veel media-aandacht, en dat moest er dus nog even in!   

Alweer een goed boek van Van Bogaert

Ik wist dat dit boek eraan zat te komen, want auteur Mark van Bogaert benaderde mij een tijdje geleden met de vraag of hij een citaat van mij erin mocht opnemen. Nou, zeker weten, ik vond het een eer! Het ging om een stukje uit een eerdere blogpost van hier, en het staat inderdaad in het boek, achterin, op p. 230:

goudmijncitaat

coverDat ging om Van Bogaerts vorige boek; over zijn nieuwe ben ik alweer enthousiast. Het heet Scanbaar schrijven. Aandacht vangen van lezers met weinig tijd. Alleen al van die titel word ik blij: eindelijk eens een schrijfhandboek van iemand die weet hoe echte lezers lezen.

Niet alleen is Van Bogaert realistisch over hoe mensen lezen, maar hij verbindt daar ook de consequenties aan voor tekst, en daarin gaat hij ver. Voor een deel vertelt hij dingen die mij uit het hart gegrepen zijn  maar dus weinig nieuw, voor een deel legt hij andere accenten (een uitgebreide verhandeling over lettertypes, waaruit ik ga onthouden dat je Verdana niet voor papier moet gebruiken), en deels gaat hij net wat verder, waardoor ik ook echt af en toe opkijk.

Zo’n opkijkmoment had ik bij het lezen van het gedeelte over cv’s. Dat je die beter omgekeerd chronologisch kunt schrijven, dus met je recentste ervaring eerst, dat is mij al jaren vertrouwd. Maar dat je zelfs in een cv boodschaptitels kunt gebruiken die per ‘ervaring’ de belangrijkste verworden vaardigheid benoemen, dat vind ik zelfs nog behoorlijk radicaal. Van Bogaert en ik delen onze voorkeur voor boodschaptitels (‘scanbare’ koppen) omdat die de lezer meer houvast geven. En ja, ‘Curriculum Vitae – Persoonlijke gegevens – Opleiding – Werkervaring’ , dat zet iedereen erboven. Maar ‘Carrièreswitch – Bruggenbouwer – Inspirator’ niet (p. 155) en die koppen zeggen een haastige lezer veel meer.

Ook de dingen die ik goed herken vind ik leuk om te lezen. Regelmatig denk ik zelfs `’ hèhè’, bijvoorbeeld als Van Bogaert mindmaps aanraadt om aantekeningen te maken voor jezelf, maar al het geneuzel over hoe goed die aanpak zou aansluiten bij onze hersenen tot flauwekul verklaart (p. 86). Hèhè, eindelijk iemand met een goed, genuanceerd standpunt zonder quasi-wetenschappelijke prietpraat.

Van Bogaert zelf baseert zich wel op onderzoek, veel naar oogbewegingen dit keer, maar ook de A/B-tests uit het vorige boek (twee versies van direct mail uitsturen en kijken wat de respons is) komen terug.

En het hele boek lang denk ik: ja, dit sluit aan bij échte lezers. Als je die wilt bereiken, moet je het ze makkelijk maken. Met hun zap- en scangedrag. Radicale lezergerichtheid. Daar ben ik helemaal voor! Zelfs als het boek ineens heel exotisch aandoet als er een hoofdstuk gaat over scanbaar geschreven…misboekjes!

 

 

 

 

 

 

 

3 X over taal, denken en de werkelijkheid

Ik heb de afgelopen weken drie boeken gelezen (het is midzomerrustig met werk, dus daar maak ik graag tijd voor) die voor mij een duidelijke rode draad bevatten. Die kan ik op twee manieren formuleren:

  1. Pessimistisch: taal houdt ons gevangen in een bepaalde manier van denken over onszelf en de wereld.
  2. Optimistisch: door kritisch te zijn op taal kun je je denken en waarnemen veranderen, verbeteren.

inburgeringscursusOp die pessimistisch-optimistisch-as is Inburgeringscursus voor managers. Waarom managers niet zeggen wat ze bedoelen en doen wat ze niet zeggen van Joop Swieringa het meest pessimistisch. Daarmee bedoel ik niet dat het zwartgallig is, integendeel, maar dat het vooral beschrijft en verklaart en weinig handvatten biedt voor hoe het anders zou kunnen. Vooral de verklaring is wel goed en leerzaam, vind ik. Het boek gaat veel verder dan wat de titel misschien doet vermoeden, namelijk dat het vooral een grappig ‘kijk eens hoe raar ze praten’-beeld van managers schetst.

Het boek laat zien hoe zeer mensen in organisaties bepaald worden door het verhulde hiërarchische machine- en machtsdenken waarvan managementjargon het talige symptoom is. Dat is de wereld waarin het werkwoord communiceren van betekenis is veranderd (‘vervormd’) waardoor het voorzetsel erbij niet langer met is, maar naar. Met het jargon als aanknopingspunt levert Swieringa zo stevige en rake kritiek op organisaties. Daarom is het ook niet alleen maar somber: Swieringa gelooft wel degelijk dat organisaties menselijker kunnen en dat gewone-mensentaal daar een instrument toe biedt. Maar heel praktisch wordt hij verder niet.

Juist wel heel praktisch is Denkadviseren. Over de relaties tussen de taal, het denken en de problemen van mensen in organisaties van Edu Feltman e.a. CoverDat is dan ook het meest optimistische van de drie: het boek wil een heel nieuwe manier van adviseren presenteren. De adviseur geeft dan geen kant-en-klare oplossingen, maar helpt de cliënt uit diens vaste denkkaders te komen. Overeenkomst met het vorige boek is dat managementjargon één van de ingang is tot anders denken, namelijk door het te bevragen. De rol van de adviseur is goed luisteren en oprecht nieuwsgierig zijn naar wat iemand die communiceren naar zegt werkelijk bedoelt.

Maar dat is maar één van de vele mogelijkheden tot ‘taalspel’ dat de geadviseerde uit zijn vaste denkkaders haalt. Een aardig ander idee vond ik bijvoorbeeld dat mensen in het formuleren van een probleem ook altijd impliciet een ideaal formuleren. In een voorbeeld (p. 122/123) vertelt een moeder met een opvoedingsprobleem dat ze het wel leuk wil houden. Dan is ‘leuk’ kennelijk een ideaal. Hoe realistisch is dat, en niet-leuk is toch ook iets wat een kind moet leren?

Overigens doen dat soort voorbeelden en ook de sterke aandacht voor het praten over het hier-en-nu in plaats van over het daar-en-toen (wat de auteurs met een aardig woord ook wel ‘rondleidingen’ noemen) mij denken aan methodes uit de humanistische therapie (Gestalt, ACT). Die worden echter niet als inspiratiebron genoemd. Misschien is het  mede daardoor dat ik Denkadviseren als inspirerend, interessant en nuttig ervaar, maar zeker niet als revolutionair nieuw. De auteurs schetsen mijns inziens een karikatuur van ‘gewoon’ adviseren (panklare oplossingen geven, meestal meer van hetzelfde), waartegen hun methode scherp afsteekt.

letopjewoordenHet derde boek, Let op je woorden. Politiek, taal en strijd van Jan Blommaert, zit tussen de andere twee in qua optimisme. Het wijkt ervan af omdat het niet zozeer over organisaties gaat, maar over politiek en maatschappelijke kwesties. De overeenkomst is wel dat ook dit boek laat zien hoe dominant een bepaald algemeen geaccepteerd ‘frame‘ is. Binnen organisaties is het dus het hiërarchische machinemodel; in de maatschappij is het het centraal stellen van het wel en wee van private ondernemingen. Daardoor kan iemand serieus zeggen dat het beter zal gaan met een land als de lonen gekort worden en het OV duurder (Yves Leterme in zijn tijd bij de OESO, over België, p. 49). En is iemand die zich de pleuris werkt in het huishouden en als vrijwilliger en die daarbij ook nog flink consumeert toch ‘niet-productief’ en daarmee een probleem. 

Net als bij de Inburgeringscursus gaat het over het de vervorming van woorden, in dit geval vooral de beperkte betekenis die woorden soms krijgen. Iemand is tegenwoordig bijvoorbeeld alleen ‘geradicaliseerd’ en een ‘terrorist’ als hij een Islamitische achtergrond heeft, zodat we dat vijandsbeeld er goed ingepeperd krijgen. En wiens crisis is de vluchtelingencrisis eigenlijk?

Blommaert schudt wakker, en dat is wat alle drie deze boeken bij mij doen. Ik neem me voor zelf ook kritischer te worden op de vanzelfsprekendheden in het dominante discours. Waar dingen vooruit móeten gaan, terwijl veel mensen er ongelukkig van worden (interessante verhandeling daarover op het eind van Denkadviseren). Want ook dat is een rode draad: er is veel ‘gedoe’, in organisaties en in de wereld. De meeste oplossingen voor al dat gedoe is: meer van hetzelfde. Meer macht, meer beheersing, meer controle, meer ‘veiligheid’. Gaat dat echt helpen? Dat is zeker iets op kritisch op te zijn.

 

 

 

Stoelendans

In de huidige editie van Schrijven Magazine (nr. 4) staat een column van Judith Visser over de stoelendans bij uitgeverijen. Eerste zin: ‘Nergens wordt er zoveel gewisseld als in uitgeefland’. Ze doet daarover haar beklag: ben je net intensief bezig met je manuscript, vertrekt iedereen die daarbij betrokken is, en dan moet je helemaal overnieuw beginnen of de nieuwe mensen zien er niet eens iets in.

Visser heeft het over literaire uitgeverijen, maar ik vind het toch heel herkenbaar vanuit mijn ervaringen met mijn vakboeken, vooral dit stukje:

Bijna elke gepubliceerde auteur krijgt minstens één keer per jaar een e-mail met daarin het bericht dat er ‘dingen gaan veranderen’. Dat er personeel weggaat, er een overname komt, een fusie, een ander bestuur, ene rigoreuze reorganisatie.

Ik kreeg laatst weer eens zo’n brief van één van m’n uitgeverijen. Ik kon ‘m niet eens volgen, de in de tekst beschreven stoelendans van namen en functies. Ik weet niet of het echt zo veel erger is dan in andere branches; ook bij mijn opdrachtgevers ben ik soms verbaasd hoe zeer er gestoelendanst wordt. Maar het is zeker zo dat het bij uitgeverijen schering en inslag is.

Visser geeft toe het lastig te vinden om met die veranderingen om te gaan: ze heeft graag een hechte band met degenen aan wie ze haar werk toevertrouwt. Ik heb dat al gauw afgeleerd, moet ik bekennen: ik wist al gauw beter dan me te hechten. Misschien is dat makkelijker met een vakboek dan met een roman?

 

Psychologische fout

De DWDD summerschool over taalfouten gezien, met Paulien Cornelisse? Ik vond ‘m sowieso leuk en goed, en ik heb er al een paar keer aan moeten terugdenken vanwege Cornelisses introductie van de ‘psychologische fout’ (vanaf 21’40): dat je jezelf iets hoort zeggen wat op zich niet fout is, maar waarvan je denkt: ‘dit past niet bij het soort mens dat ik ben’ – en dat je er dan achterkomt dat je zo misschien dus juist wél bent, maar het nog ontkent!

Volgens Cornelisse zouden maar weinig mensen begrijpen waar ze het over had, maar ik vond het juist heel herkenbaar. Ik heb het vooral met managementjargon. Ik wil helemaal niet zo praten, maar dan floept er ineens uitrollen uit mijn mond. Ik zei het laatst tegen iemand aan de telefoon, gelukkig kon die niet zien dat ik er ook meteen maar een vies gezicht bij trok! Tsja, ik zit dus duidelijk nog in de ontkenning…

 

Verplichte kost voor piramidemensen

Een ongeschreven code. Ontdekking van een taalinstinct is een opmerkelijk boekje. Ik vind het een mustread voor iedereen die met het piramideprincipe werkt. Ter inspiratie – schrijver Jeroen Ottengebruikt het geweldig. En toch ben ik het er fundamenteel mee oneens. Ik leg het uit.

Het boek is een chronologisch verslag van Ottens ontdekkingsreis. De ontdekking die hij doet, noemt hij het taalinstinct, in een andere betekenis dan de meer gebruikelijke van Pinker: het is het vermogen om ‘de logica en eenvoud van de werkelijkheid in woorden [te] vangen’ (p. 9). Daarmee zou je over alle onderwerpen ter wereld glasheldere boeken kunnen schrijven.

In die ontdekkingstocht ongeschrevencodeis het piramideprincipe de tweede stap. Otten is er eerst enthousiast over, maar vindt het later oppervlakkig (p. 17):

Zij zorgt weliswaar voor logische samenhang, maar dat betekent niet dat de inhoud correct is. Als je Mein Kampf van Adolf Hitler piramidaal structureert, verandert dat niets aan de inhoud van Hitlers beweringen.

De piramidemethode creëert slechts logische samenhang in wat de schrijver te zeggen heeft. Er ligt iets veel groters onder: een code in taal die blootlegt wat de werkelijkheid te zeggen heeft. 

Dat eerste, daar kan ik nog wel in meegaan, maar het tweede zie ik totaal anders. Daarover verderop meer.

In de derde stap ontdekt Otten hoe simpel categoriseren is. Dat in Amsterdam – Brillenkoker – Den Haag – Maastricht – Rotterdam – Utrecht brillenkoker niet thuis hoort (p. 19), dat wéét je, daar hoef je niet je best voor te doen. Dat is instinctief, zo zegt Otten, en de samenhang waarop dat instinct berust is in de werkelijkheid aanwezig, als code.

Die gedachte werkt hij verder uit, door kenmerken van categoriseringen te geven die mij doen denken aan de regels voor groupings van het piramideprincipe. In stap 4 geeft hij toepassingen, en ook dat is volgens mij gewoon puur piramide. Otten geeft van bestaande boeken en onderwerpen de logische structuur. Dat kan hij, maar dat kan volgens hem iedereen, als je maar onder andere geduld hebt en bereid bent je eigen mening los te laten.

Otten durft wel, met dat herordenen. Hij pakt een bestseller aan als Dit kan niet waar zijn, hij zegt hoe het in de politiek moet (p. 45):

Politici zouden alle feiten uit alle politieke richtingen in kaart moeten brengen, ordenen, logische conclusies moeten trekken en daar in rustig overleg consequenties aan moeten verbinden.

Hij herordent de DSM, lost het ‘laatste grote mysterie in de menswetenschappen’ op (p. 56), geeft een aanzet tot het antwoord op de vraag of God bestaat en tot het doorgronden van de essentie van het menselijk bestaan, een ‘theorie van alles’ (p. 63).

Het boekje (69 pagina’s) eindigt met een overzicht van tips die een prima uitleg zijn van het piramideprincipe, al presenteert Otten het als meer dan dat, het ‘blootleggen van de code’.

Het fundamentele punt waarmee ik het oneens ben, en waarom ik dus ook denk dat dit allemaal helemaal niet zo veel meer is dan het piramideprincipe, dat zit hem in het tweede deel van het eerste citaat van hierboven:

De piramidemethode creëert slechts logische samenhang in wat de schrijver te zeggen heeft. Er ligt iets veel groters onder: een code in taal die blootlegt wat de werkelijkheid te zeggen heeft. 

In mijn visie is die ordening juist niet in de werkelijkheid gegeven. Laat ik beginnen met twee simpele voorbeelden:

  • Zijn tomaten groente of fruit? Tomaten groeien als fruit, maar we eten ze als groente. Daar is ooit een rechter aan te pas gekomen, want het maakte economisch uit (bepaalde heffingen ofzo). Dat laat meteen zien dat wat ‘logica’ is, ook met allerlei belangen te maken heeft.
  • In een eigen voorbeeld van Otten, op p. 25, herordent hij een warrige structuur van oorzaken voor ziektes (denk ik – zijn voorbeelden zijn vaak te onvolledig om goed te kunnen beoordelen, het boek had wat langer mogen zijn), met twee kapstokken: lichamelijke en psychische oorzaken. Maar het onderscheid tussen lichaam en geest staat onder discussie (gebroken been, okee, maar lage rugpijn, depressie, chronisch vermoeidheidssyndroon?), en is sowieso een ‘erfenis’ van het Cartesiaanse denken, typische voor de Westerse verlichting en dus tijds- en cultuurafhankelijk. Die tweedeling is niet ‘de’ werkelijkheid, maar een theorie, een verhaal. Om het maar even scherp te zeggen: echte feiten zijn er buiten de natuurwetenschappen niet. Althans, dat geloof ik. Ik ben duidelijk veel minder positivisitisch dan Otten. 

Categorieën zijn dus volgens mij niet in de werkelijkheid aanwezig, maar afhankelijk van mensen. Ik bevind me wat dat betreft in goed gezelschap, bijvoorbeeld van George Lakoff. De categorie die de titel vormt van zijn boek Women, fire and dangerous things is voor een bepaald volk knetter-logisch. Het hele punt van het boek is dat categoriseren afhankelijk is van onze geest, onze ervaring met de werkelijkheid, onze waarneming met onze (beperkte) zintuigen.

En zo is dus een logische structuur altijd afhankelijk van de maker ervan. Juist wel de samenhang van de schrijver (hopelijk wel gericht op de belangen van de lezer), niks werkelijkheid. Objectiviteit bestaat niet, het beste wat je kunt bereiken is intersubjectiviteit: met een aantal mensen bepalen hoe het. Het pirdamideprincipe leent zich bij uitstek voor dat samen nadenken. En dan kom je dus op een antwoord dat altijd relatief is, nooit absoluut. Het is afhankelijk van de hoofden van de meedenkers, hun per definitie beperkte kennis, hun eigen denkstrategieën.

Het is nooit af, de zoektocht naar antwoorden. Sowieso niet, maar die naar het bestaan van God en de essentie van het leven al helemaal niet. Gelukkig maar.

 

De links

… en het is weer eens tijd voor het overzicht aan interessante links van de laatste tijd, weer van alles wat en met dank aan de twitterende vakgenoten vooral:

  • ‘Je hoeft geen nieuws te hebben om in het nieuws te komen’ schrijft college Jeanine Mies op haar Persberichtenblog. Hoe doe je het dan wel? Door een ‘haakje’ te vinden!
  • Aankondiging van de schrijfwedstrijd voor ambtenaren: wie schrijft de beste burgerbrief?
  • Een aardig artikel over hoe je juristen beter kunt leren schrijven. ‘Aardig’, zeg ik, want het bevat weliswaar nuttige tips maar in mijn ervaring is het eerste punt, ‘acknowledge that you can improve’, nogal weerbarstig, en dan houdt het op. Daar komt ook ‘willen’ bij. Ik heb een jurist ooit eens horen zeggen, na reacties van verbazing en onbegrip van zijn lezers: ‘Maar juristen schrijven al meer dan honderd jaar zo’. Hij vond dat een argument om het vooral zo te blijven doen!
  • Aankondiging van een interessant proefschrift waarin wordt aangetoond dat kinderen een tekst beter begrijpen als ze tijdens het lezen een ‘filmpje’ maken in hun hoofd (‘innerlijke voorstelling’). Ik herken dat, of althans, ik weet van mezelf dat ik al mijn hele leven eigenlijk film kijk in mijn eigen hoofd als ik lees. Daarom wil ik van goede boeken de bioscoopfilm niet zien – de film in mijn hoofd is veel beter. Harry Potter bijvoorbeeld, in de film in mijn hoofd is diens omgeving sterk gekleurd door mijn eigen middelbare-school-herinneringen, en Hogwarts/Zweinstein in de film lijkt daar helemaal niet op en vind ik dus niks. En verder denk ik meteen ook: wat zou het interessant zijn om te kijken wat voor filmpje er al dan niet ontstaat bij het lezen door volwassenen, ook van zakelijke teksten! Van het leesonderzoek gebeurt veruit het meeste bij kinderen. Over het lezen van volwassenen weten we nog frappant weinig.
  • Pleidooi voor redigeren om een betere schrijver te worden. Ben ik het mee eens: je wordt zelf een betere schrijver door precies te kijken wat in een andere tekst wel en niet werkt.
  • Ik neem zelf het woord ‘borgen’ niet in de mond als het gaat om een verandering of verbetering (zoals: lezergerichter schrijven) in een organisatie – ik vind het een jeukwoord en volgens mij is het de omgekeerde wereld, want ik ‘borg’ niet een training, ik zie training als middel. Maar als ik de jeuk even opzij zet, is 101 Borgingsmethodes wel een nuttige site!