Eindelijk!

Hoera! Eindelijk is er weer een echt goed boek verschenen dat geïnspireerd is op het piramideprincipe en het ook heel veel recht doet. Het heet The So What Strategy, met een heel lange ondertitel: Introducing classic storylines that answer one of the most uncomfortable questions in business. Schrijvers zijn Davina Stanley en Gerard Castles, allebei ook oud-McKinsey en met Davina heb ik af en toe contact. Davina en Gerard runnen het Clarity College, en ze hebben ook fraaie software voor storylining ontwikkeld, Neosi – om maar een paar goeie dingen te noemen die ze doen.

En nu hebben ze dus een boek. Het ziet er goed te behappen uit en is qua omvang te vergelijken met mijn eigen boek (128 pagina’s). De inhoud is grotendeels ook vergelijkbaar, en voor mij is het erg leuk om eens in andere woorden te lezen wat ik zelf zo vaak zeg, bijvoorbeeld over waarom goed structureren zo waardevol is: omdat het leidt tot helder denken en heldere communicatie, omdat besluitvorming erdoor verbetert, omdat het een goede manier van samenwerken bij complexe vraagstukken versterkt en omdat je er vertrouwen mee opbouwt. Da’s hoofdstuk 1!

Er zijn drie dingen wel echt anders dan mijn boek:

  1. De hele inhoud hangt aan vijf stappen. Die redenen om goed te structureren, hoofdstuk 1, zijn samen stap 1: ‘understanding why mastering storylining is worth the investment’. Dat is een enigszins kunstmatige manier om een betoog (waarom) te verstoppen in een actieplan (hoe), maar dat is dan ook het enige wat ik erop aan te merken heb. Verder ben ik jaloers op zo’n simpele structuur!
  2. Het boek benoemt zeven klassieke patronen voor de structuur van zakelijke stukken (‘storylines’). Die hebben grappige namen, zoals Action Jackson (voor actieplannen), To B or Not to B (voor de keuze uit opties) en Houston, we have problem (voor de oplossing van dat probleem). Het zijn een soort uitgeklede, invulbare piramides. Ik werk zelf nooit met zulke vaste patronen, al was ik me er wel van bewust dat die er zijn. Ik praat met collega-piramidekenners wel eens in die termen ‘dat wordt zo’n structuur van hoofdboodschap die urgentie uitdrukt en dan maatregelen eronder’ of ‘dat wordt zo’n opties-bij-criteria-betoog’. Dus in mijn hoofd zijn die patronen er wel. Hier staan ze op papier. Goeie vondst, ik ga ermee experimenteren om ook bij cliënten ermee te werken als ik help structureren, al is het maar om een eerste schets te maken.
  3. De schrijvers zijn meer fan van de enkelvoudige argumentatie, zoals ik hem noem, deductie bij Barbara Minto. Ze gebruiken de enkelvoudige argumentatie waar ik andere oplossingen zou kiezen en ze maken gebruik van Minto’s terminologie, die veel mensen verwart en die ik vreemd vind afwijken van de termen in de klassieke argumentatietheorie. En net als bij Minto mag de nevenschikkende argumentatie kennelijk van Davina en Gerard ook niet, althans, ze noemen hem niet. Ik denk dat hun keuze deels een kwestie van smaak is, en deels vind ik het ook wel bewonderenswaardig dat ze het aandurven om deductie te behandelen. Voor veel van mijn groepen gaat dat te ver, in mijn eigen boek is de argumentatietheorie dan ook verdiepingskennis.

Ik hoop The So What Strategy te gaan gebruiken – voor Engelstalige groepen. Die kan ik nu eindelijk iets anders bieden dan Minto’s boek (dat ik te duur vind voor hoe verouderd het is, en sowieso niet zo heel geweldig geschreven) of mijn eigen artikel in vertaling.

En jammer toch dat Davina en Gerard zo ver weg wonen… Down Under!

Goed leren schrijven is superbelangrijk

Op De Correspondent is net verschenen een raak artikel van Marilse Eerkens over het belang van goed schrijfonderwijs. Ik word erin genoemd, zeg ik met enige trots: ik heb in de aanloop ook met haar gesproken, als ‘schrijftrainer van mensen in het bedrijfsleven’ maar het citaat dat dat opleverde is er door de redactie uitgehaald. Nouja, kan ik prima mee leven; ik zette Marilse ook op het spoor van Gert Rijlaarsdam en bovendien herken ik veel van de teneur van ons gesprek én vind ik het een belangwekkend stuk, dus ik ben sowieso dik tevreden.

Waar ik bij het lezen het aller-enthousiasts van werd, is het stuk waar eerst Rijlaarsdam zegt dat ons schrijfonderwijs heel beperkt is, dat kinderen niet leren hoe je schrijven aanpakt, en dat er dus aan schrijfonderwijs een aanname ten grondslag ligt dat je schrijven wel oppikt uit je omgeving. Dat laatste had ik me nooit zo gerealiseerd, maar het is wel zo.

Ik herinnerde me ineens ook dat ik wel schrijfvaardigheid heb gegeven aan eerstejaars studenten en dat er daar een paar tussen zaten die gewoon geen fatsoenlijke schrijftaalzinnen konden produceren, en hoe je dat doet, dat kon ik ook niet uitleggen. Dat wéét ik (of liever gezegd: daar heb ik gevoel voor) omdat ik veel goede schrijftaal heb gelezen, en ook al gelezen had toen ik ging studeren. Ik kom uit zo’n zeer talig gezin, pa en ma waren allebei fervente lezers en ik ben bijvoorbeeld uitgebreid voorgelezen.

Het is wel opmerkelijk dat je van het VWO kunt komen zónder gevoel voor goede zinnen, maar dat terzijde.

Nouja, en dat mensen niet leren hoe te schrijven, daarover heb ik het uitgebreid gehad met Marilse. Want dat zie ik in mijn praktijk ook. Het is voor veel van de mensen met wie ik werk bijvoorbeeld nogal een eye opener dat je over schrijven kunt nadenken in termen van het proces, niet alleen van het product (de tekst). Dat je dat proces meer en minder effectief kunt aanpakken bijvoorbeeld, en dat daarover kennis is. En dan heb ik het dus over hoogopgeleide mensen die al jarenlang regelmatig schrijven. Die doen ook maar wat.

En dat kan dus echt beter. En ja, daar ga je ook beter van denken.

Adviseren is talig

Afgelopen vrijdag ben ik voor de tweede keer naar een SIOO masterclass geweest (verslag van vorige keer). Deze werd gegeven door Mark van Twist en ging over adviseren en veranderen als talige professie. Het onderwerp is voor mij aan alle kanten interessant en relevant: als geïnteresseerde taalkundige, als zelf adviseur en als iemand die adviseurs en veranderaars begeleidt bij hun talige werk. Het was ook weer erg leuk, en leerzaam!

De spreker was vooral heel sterk in het ene voorbeeld na het andere, en die voorbeelden waren geweldig: inhoudelijk relevant en vermakelijk. Ze kwamen soms ook dichtbij: de Rotterdamse gemeentepolitiek kwam voorbij, en een actie van Milieudefensie ooit hier in de wijk. Het grootste voorbeeld ging over het Groene Hart, en daar kom ik ook nogal eens. Dat maakte het allemaal extra aansprekend.

Inhoudelijk en theoretisch vond ik Van Twist minder verrassend. Ik wist veel al, bijvoorbeeld uit de metaforen– en framing-theorie, de kritische discoursanalyse en storytelling. De mix vond ik interessant, en hij voegde er ook nog een paar mooie dingen toe, zoals de drie P’s van reageren op een sterk geframede aanval, zoals bijvoorbeeld die van Wilders op Cohen, door hem de ‘bedrijfspoedel’ van het kabinet te noemen. Door dat te ontkennen, bevestig je het beeld alleen maar. De drie P’s zijn: je kunt vanuit Principe reageren (‘zo gaan we niet met elkaar om’), op de Persoon (‘dat is demoniseren’) of Pragmatisch (met een grap). PvdA’ers zijn sterk geneigd tot die eerste P.

Dat Groene Hart voorbeeld ging over hoe een woord wáár wordt. Iemand heeft die term ooit bedacht, maar het is geen hart en het is ook niet groen. Desalniettemin is het Groene Hart nu een realiteit. Zoiets gaat volgens Van Twist in negen stappen, en dat vond ik inzichtelijk.

Een praktisch handvat bood hij nog door te adviseren vragen te stellen die mensen verwarren, bijvoorbeeld ‘hoe ruikt verandering?’ Als ze niet meteen een pasklaar antwoord hebben, krijg je in elk geval ook niet de clichés waarmee verandering altijd omgeven is.

Het minst kwam Van Twist uit de verf op het gebied van interactie. Dat is duidelijk niet zijn ding. Hij stelde weliswaar een enkele vraag waar we dan twee-aan-twee even over mochten nadenken, maar tot discussie kwam het niet en we werden ook niet echt aangezet tot reflectie of toepassing op iets van onszelf. Dat was anders dan in de vorige masterclass, en dit was dan ook meer een lezing dan een masterclass, vond ik. Wel interessant om te zien hoe iemand zo’n klus, masterclass voor zo’n 100 mensen, aanpakt.

Maar het was dus wel erg leuk en inspirerend. Wat nou precies de hoofdboodschap was, heb ik niet helemaal scherp. Het was iets met: wees je bewust van de rol van (je eigen) taal als adviseur/veranderaar, en van het belang van framing, casting en scripting in het veranderproces, naast de ‘officiële’, beleidsmatige verandering. Die neem ik mee!

Het nieuwe staat achteraan

ik heb de laatste tijd opvallend vaak stukjes zin zitten verschuiven, dus ik dacht: ik moet er maar eens een blogpost aan wijden om de schrijvers met wie ik werk uit te leggen waarom ik dat doe. Het waren namelijk allemaal gevallen van een volgordeprobleem voor wat betreft de nieuwswaardigdheid (ook wel: het links-rechtsprincipe).

Het links-rechtsprincipe

Het eiereneten is dat een zin het beste kan beginnen (links) met iets wat al bekend is, en aan het eind (rechts) pas het nieuwe brengen. Ik ken het principe zelf uit het nog steeds onovertroffen boek Formuleren (1993) en daarin staan deze drie fraaie voorbeelden van hoe het op dit punt mis kan gaan (p. 11):

  1. Osteoporose, verhoogde botafbraak, treedt op in de menopauze bij vrouwen.
  2. … dat als flippen een sportonderdeel van de Olympische Spelen zou worden, dit kabinet een gouden medaille moeiteloos voor ons land zou binnenhalen.
  3. [ voorafgaande tekst gaat over klachtafhandeling ] Zürich verzekeringen ziet het trainen van medewerkers daarom als een randvoorwaarde bij een succesvolle klachtenbehandeling.

Bij (1) denk je toch even: ja, dûh, niet bij mannen. (2) ervaar ik als een nachtkaars die uitgaat en (3) moet ik twee keer lezen om te snappen welk punt de zin maakt.

(3) maakt het meest duidelijk waar het probleem ‘m in zit: het gaat ervoor al over klachtenafhandeling, dus ‘bij een succesvolle klachtenbehandeling’ is niet het deel van de zin waar het meest nieuwswaardige in staat. Het nieuwe, dus dat stukje informatie dat deze zin hier toevoegt, zit ‘m in het trainen van medewerkers. Dat moet dan ook naar het eind, bijvoorbeeld zo:

  • Voor Zürich verzekeringen is een randvoorwaarde voor succesvolle klachtenbehandeling daarom het trainen van medewerkers

(1) is de eerste zin van een tekst die helemaal over osteoporose gaat. Het is dan vooral gek om daar meteen vooraan over te beginnen. Daar kan beter iets bekends staan, bijvoorbeeld:

  • Dit artikel gaat over osteoporose

En bij (2) moet het winnen van de gouden medaille naar achter schuiven, want dat is wat deze zin toevoegt:

  • … dat als flippen een sportonderdeel van de Olympische Spelen zou worden, dit kabinet  moeiteloos voor ons land een gouden medaille zou binnenhalen.

Dan nog een langer voorbeeld, ook uit Formuleren:

UEFA-cup
AC Milan, de ploeg van Ruud Gullit en Marco van Basten, heeft gisteren in Spanje voor het toernooi om de UEFA-cup met 1-0 verloren van Gijon. Voor 30.000 toeschouwers was Gullit een van de uitblinkers. De ex-PSV’er kreeg net als Van Basten een paar kansjes, maar kon die niet benutten. Trainer Sacchi van AC Milan, die de vaste centrale afweer Maldini-Baresi aan de kant liet, verving Van Basten twintig minuten voor het einde voor Virdis, ook een goalgetter. Van Basten kon in de harde ontmoeting weinig uitrichten tegen zijn bewaker Alblanedo
Op de benen van Gullit pleegden de Spanjaarden enige malen flinke aanslagen.

Huh? Probleem in die laatste zin is dat de benen van Gullit als bekend verondersteld worden. Maar Gullits benen kwamen nog niet eerder ter sprake en ze volgen ook niet zomaar uit de eerste alinea. Daar gaat het over de hele Van Basten. Eventueel zou ‘harde ontmoeting’ kunnen leiden tot een omgekeerde zin:

  • De Spanjaarden pleegden ook enige malen flinke aanslagen op de benen van Gullit.

Oorzaak: wat wel in schrijver z’n hoofd zit, staat niet op papier

Voor dit soort problemen zijn twee oorzaken:

  • Het links-rechtsprincipe bestaat in de schrijftaal, in de spreektaal hebben we andere manieren om elkaar te laten weten wat bekend is en wat nieuwswaardig. We doen dat vooral door nadruk, accent, klemtoon. Als een schrijver zijn eigen tekst leest, hoort hij de klemtoon die hij bedoelt in zijn eigen hoofd. Alleen, de lezer hoort dat niet en moet het doen met wat hij op papier voorgeschoteld krijgt. Als je volgordeproblemen hebt, laat dan eens een ander je tekst hardop voorlezen. Dan hoor je meteen welke andere accenten die legt en tot welke interpretatieproblemen die leiden.
  • Benodigde informatie zit wel in het hoofd van de schrijver, maar die is vergeten ‘m op papier te zetten. Vaak betreft die informatie een bepaald verband. Voor de schrijver van het voetbalstukje is de relatie tussen de eerste alinea en Gullits benen mogelijk heel logisch, alleen: wij zien het niet. Ook om gedachtesprongen op te sporen is veel feedback krijgen op je schrijfwerk onontbeerlijk!

* * *

Een voorbeeld met Van Basten en Gullit als voetballers van AC Milan, ja, zo oud is Formuleren al. Maar het links-rechtsprincipe is van alle tijden en nog altijd geldig. Bouw je zinnen op vanuit iets bekends naar iets nieuws – voor de lezer. Ja, ook als je met hoofdboodschap voorop wilt schrijven!

Ik hoor John Cleese

Ik heb het op dit blog al vaker gehad over het ‘and now for something completely different’-stijlverschijnsel dat vooral in inleidingen optreedt. Ik vond onlangs weer een mooie: in de rubriek ‘Thuiskok’ van Sam de Voogt in de NRC van 28 augustus (p. C6):

Onlangs ben ik verhuisd binnen Amsterdam; ik woon nu niet ver van de Amstel. De rivier en  haar oevers bieden eindeloze mogelijkheden om te sporten: roeien, zwemmen, hardlopen. Dat laatste doe ik graag en nu ik ben verhuisd kan ik vaker een van mijn favoriete rondjes rennen: langs de Amstel naar Ouderkerk en terug. Wie zich langs het water voorbij het Amstelpark begeeft, bevindt zich plotse tussen de weilanden van het Groene Hart. Met name in de zomer is het prachtig, met welig tierende bloemen, planten en kruiden aan de waterkanten.

Zou het hier zijn geweest dat Peter Lute op het idee kwam een eigen kruidenkas neer te zetten en zijn restaurant De Kruidfabriek te openen?

En vervolgens gaat de rest van het stukje, nog zo’n 75 % van het geheel, over Lute en zijn kruiden.

De eerste inleiding is een heel lekkere voor een stukje over hardlopen, zal ik maar zeggen. In combinatie met ‘thuiskok’ denk ik dan mogelijk ook nog aan sportvoeding. Maar ik zit ernaast. Dus: bij de witregel hoor ik John Cleese.

Nouja, ik snap wel waar het vandaan komt: beginnen is sowieso lastig én mensen hebben geleerd dat een persoonlijke anekdote het goed doet als inleiding. Maar als een inleiding één ding goed moet doen, is het wel de verwachtingen van de lezer managen.

Soms is Deens bijna Nederlands

Ik ben nog bezig met vakantieterugblikken. De tweede week weg bracht ik door in Denemarken. Ik vind de Scandinavische talen altijd heel fascinerend, omdat ze enerzijds soms zo op Nederlands lijken dat je het probleemloos kunt begrijpen:

En weekend for hele famililenEn anderzijds zo exotisch en anders – de Deense uitspraak is ‘gek’ voor onze oren en zeker in het begin verstond ik niks, maar na een week kwam er een beetje reliëf in en heb ik me een paar keer voor Deense door kunnen laten gaan, door bijvoorbeeld iets wat klonk als ‘queue’ en ‘registrering’ te beamen – ja, dat was de rij voor de inschrijvingen.

Het woord voor rij schrijf je trouwens als  en dat brengt me op iets anders wat zo’n taal exotisch maakt: de ø, æ en å. Zeker omdat we verbleven in het dorpje Øm:

Plaatsnaambord ØmUhm…

Aan gekke letters, zinnen die je bijna of helemaal kunt lezen maar niet kunt verstaan, of soms toch een beetje, grappige woorden (god voor goederen) en de vreemde klanken kan ik me zo’n hele week wel vergapen. En wat spreken de Denen toch goed Engels!

En wat ook nog leuk was: in een restaurant in Roskilde stond het schrijfgerei naast de tandenstokers en het peper&zout op tafel, ik voelde me helemaal thuis:

Mijn Buitenkunst-Shakespearelab

De vorige posts op dit blog verschenen ‘achter mijn rug’: ik was twee keer vlak achter elkaar een week op vakantie. Twee blogposts daarover, om te beginnen met de eerste week – een weekje Shakespeare!

Vorig jaar sloeg ik, voor het eerst sinds 2007, een jaartje over, maar dit jaar wilde ik weer heel graag naar Buitenkunst – en dat werd dus de tiende keer. Ik ervaar die weken altijd als inspirerend, en schreef er dan ook op dit blog vaker over (zie over de vorige keer). En ja, ook dit keer was het leuk, leerzaam én relevant voor mijn werk.

Toen het programma uitkwam, had ik net in een theaterproductie gespeeld en daar ervaren dat tekst leren me meeviel, en de echte klassiekers op toneelgebied lonken al langer, vandaar dat ik meteen enthousiast werd van een week Shakespeare, en helemaal van de omschrijving:

Who the fuck is Shakespeare
Omdat er meer is dan de keuze tussen zijn en niet zijn richten we een laboratorium in voor literatuur- en spelonderzoek. Een onderzoek rondom leven en werk van de meest geciteerde toneelschrijver uit de geschiedenis: Shakespeare. En hoe dat in hemelsnaam te spelen? We duiken zijn biografie in en slaan ondertussen zijn teksten aan gort, besmeuren ze om vervolgens het vuil er weer vanaf te krabben en ze hemels te bewonderen. Dit betekent maniakaal studeren, diepzinnig lezen en frivool spelen. “Ontheilig de heilige voor men hem begrijpen kan.”

Een week aan de slag met die grootheid, wauw! Ik lees alles wat los en vast zit, maar nou net geen toneelteksten, en al helemaal geen oude Engelse, vandaar dat ik hem eigenlijk niet zo goed kende. Behalve dan van twee recente uitvoeringen, van Macbeth en van The Tempest (De Storm).

Beide keren was ik diep onder de indruk van Shakespeare’s inzicht in de menselijke geest, vooral in de gekte van de hoofdpersonen – gewone, dagelijkse gekte, waar we allemaal wel wat van hebben, maar wat meestal niet zo erg is, behalve dan als het een koning betreft ofzoiets. (Of de president van de VS, ja, en daar ging het tijdens de week dan ook regelmatig over).

Dus, op naar Buitenkunst, en het werd een heel fijne week. Ontspannen, maar ook veel geleerd. We deden dingen met de hele groep, waaronder het begin van Richard III lezen en de scene uit Hamlet over acteren als groepsgesprek spelen. En ik heb ook nog samen met een groepsgenoot de ‘to be or not to be’ scene uit Hamlet als dialoog gespeeld, erg leuk.

Maar het grootste deel van de tijd deden we een individueel ‘onderzoeksproject’. Het mijne begaf zich een beetje onverwacht níet in de richting van die dagelijks gekke hoofdpersonen in de toneelstukken, maar in de richting van de sonnetten.

Daar kwam ik op doordat ik vertelde over die keer dat ik van Huub van der Lubbe begreep dat  diens nummer (solo en van De Dijk) ‘Mijn liefjes ogen’ zijn vertaling was van sonnet 130. Ook daarover schreef ik eerder hier. Ik noem het daar al een beetje arrogant – het was ook grappig, licht spottend. Het was op dat moment dat ik me realiseerde dat er humor zit in Shakespeare, zelfs in diens ogenschijnlijk serieuze werk (dus niet alleen in zijn komedies). 

Met dat in mijn achterhoofd ben ik sonnet 130 zelf maar eens gaan lezen. Die humor had ik er zelf niet in gezien, sterker nog: door de laatste anderhalve zin, waar de strekking in staat, snap ik er eigenlijk niks van. I think my love as rare as any she belied with false compare – huh? Ik begreep later van Arno, bevriend Anglist, dat dat ongrammaticaal is en dat er over de betekenis ervan wel een soort consensus is, maar dat Shakespeare daar niet bepaald eenduidig is.

Zie je wel: moeilijk om te lezen…. Maar door Van der Lubbes ogen, en die van andere vertalingen, snap ik het wel.

Vervolgens ben ik dat andere beroemde sonnet, nummer 18, gaan lezen, het enige werk van Shakespeare dat we op de middelbare school integraal behandeld hadden – waarvan ik me niks meer herinner, behalve dat ik er niet veel van snapte. Dat is aan Shakespeare blijven kleven voor mij: moet je mooi vinden, maar ik zie het niet. Zal wel aan mij liggen – ben ik er te dom voor?

Dat vroeg ik me nu ook af. Alleen al de beginzin: ‘Shall I compare thee to a summer’s day’. Ik las dat op één van die dagen begin augustus dat de regen met bakken uit de hemel neerkwam. Het ultieme Engelse liefdesgedicht, wordt het wel genoemd – huh?

Maar zo blijkt Shakespeare het ook bedoeld te hebben: de zomer is niet altijd zo mooi, de geliefde is mooier. Dat kan ik volgen, maar daarna gaat het over diens eeuwige leven. Is die geliefde dan niet van vlees en bloed?

In de laatste drie zinnen raak ik het helemaal kwijt. Eeuwige lijnen, huh, en waarop slaat this in de slotzin? Help, zie je wel: ik vind Shakespeare echt te moeilijk!

Gelukkig zijn er vertalingen, op dat punt hebben wij het makkelijker dan de native speakers. Zodoende begreep ik dat de lines ‘zinnen’ zijn en this slaat op het gedicht zelf, het verwijst naar zichzelf. Shakespeare heeft het over zijn eigen werk!

Hmm, dacht ik toen, is dat niet een beetje lullig? Hij vergelijkt zijn geliefde met een prutzomer en zegt daarna eigenlijk: dat jij doodgaat is niet zo erg, want in mijn werk blijf je altijd bestaan.
En toen las ik wat door en zag ik dat ook anderen het ‘boasting’ noemen en ‘trotse borstklopperij’. Zie je wel!

Zo kwam ik tot een eigen vertaling van het gedicht:

Je bent best wel mooi.
In elk geval mooier dan een zomerdag.
Want zeg nou zelf, zo mooi is de zomer helemaal niet. Het kan snikheet zijn, of juist koud, nat en winderig.
Dan ben jij echt wel mooier dan dat.
 
Sterker nog: aan alles komt een eind, maar jouw schoonheid zal altijd blijven bestaan.
En dat komt door deze zinnen, die ik heb geschreven. Want zo lang er mensen zijn met ogen in hun hoofd zodat ze dit kunnen lezen, zal het over jou en je schoonheid gaan.
 
Vind je dat niet hélemaal geweldig?
 
Mijn onderzoeksproces heb ik gepresenteerd, inclusief de vertaling. Onze docent, Michael Bloos, vond dat ik mijn proces ‘gewoon’ moest presenteren, maar ik sputterde zelf eerst nog wat tegen. Anderen speelden wel echt, Lady Macbeth bijvoorbeeld, of Richard III, of een heks uit Macbeth, of de watergeest uit The Tempest. Dat wilde ik eigenlijk ook wel. En, zo dacht ik, vertellen over wat ik weet en heb geleerd, dat doe ik voor mijn werk altijd al, dat is niet zo spannend. Ik aarzelde zelfs of ik het wel wilde doen.

Ja, dat toch wel, daarvoor vond ik te leuk wat ik had gevonden. En ik ging helemaal om toen we de voorstelling gingen uitwerken en ik zag in welk hokje ik zou ‘optreden’, met, net als de andere Shakespeare-onderzoekers, in een wit pak – ons Shakespearelaboratorium.

Ik in een wit pak

In mijn 'Shakespeare-lab'-hokje

Ineens leek het helemaal niet meer op mijn werk, en vond ik het tóch (ook) spelen! Ik had al eerder ervaren dat toneel spelen en trainingen of presentaties geven op elkaar lijkt, en dat was nu helemaal zo – het liep in elkaar over.

De uitvoeringen gingen goed. Er konden maximaal acht mensen in mijn lab en we ‘draaiden’ allemaal 45 minuten, tegelijk, dus mensen konden meerdere labs bezoeken. Deze introductie hing op mijn deur:

Omschrijving van het onderzoek

Ik hoorde dat er meer herkenbaar vonden wat ik vertelde en dat ik ze wat leerde. En ja, dat vind ik natuurlijk ook wel weer heel erg leuk. Ik doe ook wel het goeie werk, zal ik maar zeggen.

En zo was het een prima week, in een prettige groep, met ook – zoals op Buitenkunst gebruikelijk – mooie dingen gezien van de andere groepen, een paar goede gesprekken gehad, gelachen én lekker gekampeerd, wat me ook altijd energie geeft, zo’n hele week buiten

En wat is nou de crux voor mijn werk? Nou, dat iedereen op z’n eigen manier leest, dat verkondig ik hier vaker. Dat sonnet 18 als arrogant is op te vatten, dat is niet de ‘officiële’ lezing. Op een scholierensite zag ik bijvoorbeeld staan dat de strekking is ‘schoonheid kan door poëzie vereeuwigd worden’. Dat is dan het ‘goede’ antwoord. Jaja. Die arme scholieren. 

Geen enkele tekst of interpretatie is heilig; de lezer heeft altijd gelijk. En dat geldt ook voor Shakespeare. De week maakte zo helemaal waar wat in de aankondiging stond!

 

Beter schrijven: niet een-twee-drie

In mijn lijstje links van vorige week had ik het over die man van de Wereldbank die ontslagen werd omdat hij wilde dat zijn organisatie beter ging schrijven. Datzelfde nieuws is opgepikt door Ann De Cramer, columniste in Onze Taal (nr. 7/8 van 2017, p. 21). Zij kent het ook: verzet tegen helder taalgebruik. Ze werkte mee aan heldere-taalcampagnes voor ministeries en voor een bank, maar dat ging niet zonder slag of stoot. Over die bank schrijft ze: 

Toen het de hoge heren bij de bank echter duidelijk werd dat lastige zinnen herschrijven niet een-twee-drie gebeurt, veranderden ze van toon. Wat een groots initiatief zou worden, werd gereduceerd tot één workshop binnen het bedrijf. Ik wilde niet langer meewerken, niet alleen omdat ik niet hou van gebroken beloftes, maar ook omdat mij ter ore kwam dat (…) het personeel zich verzette tegen het initiatief.

In dat kleine stukje zit wat mij betreft een grote les: beter gaan schrijven is voor een organisatie zeker niet dat ‘een-twee-drie’. Inderdaad is het niet iets wat je ‘even’ bereikt, met een workshopje. Al is het alleen maar omdat mensen zich ertegen verzetten.

Het zou mij hier, net als bij de Wereldbank, wel interesseren wat de aard is van dat verzet. Ik heb in de loop van de jaren daarin al heel wat meegemaakt. De aard van het verzet is niet eenduidig. In mijn ervaring heeft het niet zozeer te maken met het schrijven als zodanig. Niemand heeft écht bezwaar tegen helder schrijven. Het gaat meer om zaken in de organisatie of in het vak van de schrijvers.

Dus dan is het verzet tegen een ‘oekaze’ van bovenaf, wat die dan ook is – het had ook iets anders kunnen zijn dan helderder schrijven. Of angst dat je niet meer serieus genomen wordt. Of het idee dat je in je vak zo niet ‘mag’ schrijven. Of van dat alles een beetje. En dan voel je je ook nog onzeker omdat er ineens iets anders van je verwacht wordt, iets wat je nooit echt geleerd hebt. En je bent al overvraagd, eigenlijk. Weer zo’n training, weer zo’n project, weer zo’n initiatief. 

Maar of dat bij deze bank en bij Anns overheid ook zo is – geen idee. Wel kun je pas goed interveniëren als je weet wat voor verzet er is. Een workshopje doet mogelijk meer kwaad dan goed.

Leuke taalregen

Vorige maand had @TaalcentrumVU een actie waarmee je met een retweet een zadelhoes kon winnen. Ik viel in de prijzen, dus kijk, wat een leuke zadelhoes ik nu op mijn stadsfiets heb:

Zo komen twee ‘grote’ dingen uit mijn leven, taal en fietsen, bij elkaar. Ja, en regen, maar dat terzijde.

Er zat ook nog een leuk kaartje bij (op de scan komt de blauwe kleur ook wat mooier uit dan op de foto):

Dank je wel, Taalcentrum VU!