En nou voor het grotere publiek graag!

Een boek met de titel Stijl, taal en tekst moet ik wel lezen natuurlijk, en al helemaal als ik er zelf in voorkom, nouja, als erin naar mijn proefschrift verwezen wordt. Dat is niet toevallig, want de tweede auteur, Arie Verhagen, was toen mijn begeleider. Met andere woorden: dit boek is dicht bij huis, al noem ik mijn tijd in het wetenschappelijk onderzoek wel mijn vorige leven.

In dat vorige leven deed ik ook aan ‘stilistiek op taalkundige basis’ – de ondertitel van het boek, en sinds ik dat niet meer doe, heb ik Arie en co-auteur Nienke Stukker nog regelmatig over stijl horen praten. Bovendien ligt dezelfde benadering ten grondslag aan het werk van Maarten van Leeuwen, dat ik hier eerder enthousiast besprak.

Enfin, dat alles om te zeggen dat er voor mij in Stijl, taal en tekst niet veel nieuws stond, maar dat ik het wel met plezier heb gelezen. Dat zat hem er vooral in dat ik het fijn vond om deze benadering van stijl zo eens allemaal rustig en compleet op een rijtje te zien. Dat verdient een breder publiek dan alleen de wetenschappers voor wie dit boek is.

In de benadering van stijl volgens dit boek is construal het centrale begrip. Dat wil zeggen dat er in alle talige communicatie sprake is van enerzijds een object waarover de uiting gaat, en anderzijds van een bepaalde verhouding van de spreker/schrijver ten opzichte van dat object, en daarin speelt de luisteraar/lezer ook een grote rol, want de spreker veronderstelt met hem of haar gedeelde kennis die ten grondslag ligt aan de talige keuzes. Dat heet wel het triadische model van communicatie.

Het voorbeeld in het boek (p. 26) illustreert het: je kunt hetzelfde fenomeen aan de nachtelijke hemel op drie manieren benoemen:

  • die lichtpuntjes daar in de lucht
  • dat groepjes sterren
  • dat sterrenbeeld

Drie manieren om het over hetzelfde object te hebben, maar ze verschillen. De eerste legt meer de nadruk op de losse elementen, de tweede en derde op de verzameling, en de derde veronderstelt bepaalde voorkennnis en is bijvoorbeeld mogelijk een opstapje naar astrologie. Dat is een verschil in construal.

Mijn eigen onderzoek duikt ook op in deze context, want ja, het verschil tussen actieve en passieve zinnen is zeker ook een verschil in construal: veroorzaker centraal (actief – ‘de voorzitter opent de vergadering’) of juist niet (‘de vergadering wordt geopend’).

De auteurs stellen stijl gelijk aan die construal. Dat is een oplossing van de ‘tweestrijd’ in de stilistiek, namelijk of een andere vorm ook altijd een andere inhoud impliceert. Zo ja, dan kun je niet zinvol over stijl praten, want dan gaat het eigenlijk over inhoud. Zo nee, hoe bepaal je dan die ‘vaste’ inhoud waarvan de vorm kan fluctueren?

Helemaal bevredigend vind ik (en ik niet alleen, zie hier) de oplossing niet, omdat je construal niet netjes van inhoud (dat object) kunt afbakenen. Maar er is wel mee te werken.

Hoe het werkt, zo’n stijlananalyse, daarvoor verwijs ik naar mijn eerdere blogpost over Maarten van Leeuwens onderzoek naar speeches van Wilders, Pechtold en Vogelaar. Het komt erop neer dat de onderzoeker oordelen over de stijl op het macro-niveau van de tekst als geheel (‘wollig’) relateert aan talige verschijnselen op het microniveau van de zinsbouw en woordkeuze, daarbij gebruikmakend van een checklist.

Die methode is ook niet oncontroversieel: ze wordt buiten Leiden (de bakermat van dit type onderzoek; Verhagen is daar emeritus hoogleraar) bekritiseerd omdat er een zekere mate van circulariteit in de redenering zit en ze makkelijk leidt tot confirmation bias.

Desalniettemin: ze werkt wel, die methode. Dat laat het boek ook wel zien.

Bovendien is dat triadische model van communicatie buitengewoon relevant voor mijn praktijk. Hét grote schrijfprobleem van specialisten is dat ze de gedeelte voorkennis met de lezer verkeerd inschatten, als gevolg van de curse of knowledge. En dat heeft inderdaad onder andere stilistische consequenties. Die je niet simpelweg oplost met wat prutsen aan zinnen. Al mijn zakelijke schrijvers kunnen passieve zinnen actief maken. Maar die triade, daar hebben ze vaak onvoldoende besef van. Omdat voor hen naast ‘foutloos’ schrijven alleen gaat om ‘inhoud’ – alleen het object dus.

Daarom zou het leuk zijn als er op basis van dit boek iets zou komen dat toegankelijk is voor geïnteresseerde leken en/of voor de beroepspraktijk. Hopelijk gaat dat er ooit komen.

Twee soorten waarom

Er zijn twee soorten ‘waarom’ – ik wilde daar al langer eens over bloggen toen ik gister deze tweet + retweet zag waarmee ik het goed kan uitleggen:

Beide tweets gaan in op de vraag ‘waarom storm Ciara?’. Het eerste antwoord (van Shabir) bevindt zich in het domein van de zin- en betekenisgeving (vaak, maar niet per se, religieus); het tweede, van Max, in dat van de natuurwetenschappelijke mechanismen.

Met waarom kun je beide domeinen bevragen, al is voor dat mechanische mogelijk waardoor de betere vraag – in de tweet staat niet voor niets doordat en niet omdat. Nederlands maakt in de taal wel een verschil tussen de twee domeinen, maar niet heel strak: waarom en omdat kunnen in allebei.

Filosofisch en theologisch relevant is overigens dat je iemand die redeneert in het redengevende domein niet met argumenten uit het mechanische kunt overtuigen – je praat dan langs elkaar heen. Bovendien kun je niet vanuit het mechanische het al dan niet bestaan van God aantonen, want dat vraagstuk bevindt zich in het andere domein. Althans, voor iedereen met een beetje moderne en volwassen geloofsopvatting.

Ik heb zelf het onderscheid geleerd aan de hand van ziekte als voorbeeld. Als iemand vraagt ‘waarom heb ik griep?’ kun je antwoorden met een verhandeling over virussen, weerstand en immuniteit. Maar daarmee geef je dus geen antwoord op de vraag wat die ziekte voor iemand betekent – de zin ervan. Dat kunnen van die dingen zijn als ‘straf van God’ tot ‘het werd kennelijk tijd dat ik eens even rust nam’.

In het piramideprincipe speelt het verschil maar zelden een rol. Ik heb een enkele keer wel ‘leerders’ gehad die de waarom-vraag te filosofisch gingen beantwoorden – die verstonden hem als zingevingsvraag dus. Meestal zijn de waaroms in het piramideprincipe echter mechanistisch, al wil dat niet zeggen dat een puur mechanistische verklaring tot een overtuigende structuur leidt.

Laatst zag ik bijvoorbeeld een hoofdboodschap die een probleem omschreef: vertraging bij een project. Vraag: waarom is het project vertraagd? Dan kun je mechanistisch gaan kijken naar wat er waar en wanneer hoe veel te lang is blijven liggen. Maar dat zegt nog niks: het is eigenlijk alleen een gedetailleerdere beschrijving van het probleem. Ik moest wat dieper graven, en toen bleken onhandige aannames bij de start van het project de onderliggende reden te zijn. Dat deed het ‘m wel in de piramide, maar is toch ook meer oorzaak dan reden (waardoor?).

Bij een adviserende hoofdboodschap heb je geen verklarende mechanismen, want je kijkt in de toekomst. Maar de basis van de argumentatie is vaak wel mechanistisch, althans, dat geldt voor de voorbeelden die me te binnen schieten, zoals argumentatie op basis van gelijkenis (‘best practice’) of van calculaties (besparingen x, y en z leveren samen het totaal op – overigens geen bevredigende structuur, vind ik, want meer rekensom dan verhaal).

Ik ga de komende tijd eens opletten of ik echte redengevende waarom’s tegenkom in het werken met het piramideprincipe!

Wat is jargon toch modegevoelig!

Ik kwam net bij het doorkijken van m’n boekenkast, op zoek naar iets anders, een boekje tegen met adviseurs-jargon uit 2000. Daar even in kijken is grappig: zo praten en schrijven adviseurs twintig jaar later écht niet meer. Het is soms zelfs ronduit onbegrijpelijk geworden. Het laat zien hoe modegevoelig jargon en managementtaal zijn.

Neem alleen al de titel van het boek: Van Aai-instrument tot zwaluwstaarten. Watte? Op de achterflap gaat het over het afnaaien van een plan en het bijfietsen van een traject. Hilarisch!

Dwarsverbanden bij de NACV

Het was alweer een paar jaar geleden – te veel jaren, zo concludeerde ik vrijdag: dat ik naar de NACV-expertmeeting was geweest. Ik vond het eerder altijd de moeite waard, en vrijdag ook, dus toch echt mijn agenda voor vrijhouden. Het zijn jaarlijkse bijeenkomsten voor docenten schrijf- en spreekvaardigheid in het hoger onderwijs. Dat ben ik zelf zo af en toe ook, maar bovendien geef ik natuurlijk ook aan hogeropgeleiden schrijfonderwijs, dus zijn er sowieso dwarsverbanden.

DwarsverbandEN, ja, want het is mij niet gelukt één hoofdconclusie te trekken uit wat ik vrijdag hoorde. Dus hier komt een waslijst, gericht op schrijven, en gedestilleerd uit de sessies van Fieke van der Gucht, Wilma van der Westen, Carel Jansen, Renske Bouwer, Janneke van der Loo, Caro Struijke en Myrte van Hilten en de plenaire sessie van Stan van Ginkel (de andere plenaire sessie, van Miles Wischnewski, was erg vermakelijk maar leverde niks op voor deze lijst):

  • Er waren veel verschillende werkvormen, dus veel alternatieven voor het praatje van 20 minuten met vragen na. We moesten soms echt wat dóen, wat ik erg leuk vond. Het zorgt in elk geval voor veel dynamiek!
  • Opvallend is de sterke opmars van de technologie: in heel veel praatjes ging het over digitale schrijfcentra en virtual reality. Iets te veel, wat mij betreft; ik miste de ‘ouderwetse’ didactiek en wat een computer kan nagaan is toch altijd reductionistisch en analytisch.
  • Mijn indruk: op hogescholen lijkt het besef inmiddels alomtegenwoordig dat de praktijk andere eisen stelt aan schrijven dan het hoger onderwijs; op de universiteiten is dat er nog veel minder. Het is daar bijvoorbeeld nogal vanzelfsprekend dat je schrijft om te tonen wat je geleerd hebt of hoe het proces verliep. Dát leren studenten.
  • Eén spreker zei letterlijk dat schrijven = conventies leren. Toen dacht ik: aha, vandaar dat er rond schrijven voor veel hogeropgeleiden zo’n sfeertje hangt van ‘zo hoort het’. Een conservatieve houding zit als het ware in de bezigheid ingebakken. Ze zei dat bij het topic ‘hedging’ waar studenten leren om voorzichtig en met disclaimers te formuleren – wat ze soms dus later niet meer willen laten.
  • Een andere spreker zei dat door de informalisering van de gewone taal de academische taal steeds verder weg staat van de studenten. Ze zei dat met als strekking: dus moeten studenten harder hun best doen om die ‘ver weg’ taal aan te leren. Ik dacht: je kan dat ook omkeren – wat als academisch schrijven ‘gewoner’ zou mogen?
  • Het blijft leuk en vaak ook leerzaam om, als de inhoud me niet zo boeit, na te gaan hoe de spreker het doet en wat voor effect dat heeft op mij. Belangrijkste wat ik daarvan meeneem is dat timemanagement er echt toe doet. In één sessie moesten groepjes terugrapporteren en het eerste groepje nam meteen zo veel tijd dat er voor ons, het derde van vier, amper meer tijd was, laat staan voor het vierde. Ook in de kleine groepjes namen sommigen uitgebreid de tijd – ik praatte met iemand na die de indruk had dat enkele collega’s nogal ‘omhoog’ zaten met hun verhaal en het dus graag spuiden.
  • Fictieve cases zijn demotiverend; studenten doen beter hun best op ‘echte’ dingen, zoals hun eigen stageverslag. In die echte dingen komt er een boel bij, zoals ethische en strategische en morele kwesties. Daar wordt schrijven een stuk complexer van.
  • Over motivatie gesproken: docenten klagen steen en been over het gebrek eraan bij hun studenten, dat viel me echt op. Woorden als sceptisch en cynisch over communicatieve vaardigheden zijn ook gevallen. Maar ze bakken er niks van en vinden alles al gauw te moeilijk en te theoretisch. En, o, die vermaledijde telefoon….
  • Klassieke retorica is nog steeds erg relevant en de moeite waard en verdient dus een plek in het onderwijs. De spreker illustreerde dat met indrukwekkende filmpjes van enerzijds Tutu en anderzijds Goebbels.
  • Er is een proefschrift over wat voor eisen de praktijk stelt aan het schrijven van accountants en adviseurs, dat klonk super interessant, en het verbaasde me dat ik het verschijnen daarvan gemist had. Ik kon het gelukkig wel online vinden, dus ik kom er later op dit blog op terug.
  • Ik weet eindelijk wat ‘flipping the classroom’ is: omdraaien van wat je in de klas doet en thuis. En ‘comparative judgment’ is het jargonwoord voor teksten met elkaar vergelijken als vorm van feedback.

Het was ook erg leuk om een aantal oude bekenden weer eens te zien! Tot volgend jaar!

Een middagje in de ivoren toren

Een dik jaar geleden was ik naar het start-symposium van de Werkgroep Stijl van de VIOT; ik blogde daar twee keer enthousiast over (deel 1, deel 2). Afgelopen vrijdag was de tweede bijeenkomst, in Utrecht dit keer. Ik ben bang dat m’n blogpost dit keer minder enthousiast wordt.

Meteen al bij de uitnodiging had ik het gevoel met m’n hoofd tegen de ivoren toren aan te lopen. Want waar ik de vorige keer niet de enige was vanuit de praktijk en dus ook met ideeën en wensen voor die praktijk, was het thema van deze tweede bijeenkomst geheel op onderzoek gericht: ‘Methoden voor stijlonderzoek: kwantitatief en/of kwalitatief’.

Ik snap het belang van die kwestie voor de wetenschap, maar voor mij is dat niet de meest interessante. Hij is in elk geval ver verwijderd van de dingen die ik de vorige keer mee op de agenda zette (zie 2e blogpost van de linkjes hierboven).

Ik heb getwijfeld of ik zou gaan. Het gaf uiteindelijk de doorslag dat de waarde soms niet in zulke hoofdthema’s zit, maar ook in terloopse of zijdelingse zaken. En in de contacten natuurlijk. Dus: die ivoren toren maar in, voor een middagje.

Ik was vervolgens niet helemaal verbaasd, maar wel een beetje teleurgesteld, dat ik dit keer de enige niet-wetenschapper was (in de zin van: niet aangesteld aan een universiteit en mijn geld dus met andere dingen verdienende dan met onderzoek). In het voorstelrondje moest je dan ook nog eens vertellen of je onderzoek meer kwalitatief of kwantitatief geöriënteerd was. Ik moet op zo’n moment op mezelf inpraten om me niet onwelkom te voelen (‘zo bedoelen ze het niet’).

Daarna werd het toch nog wel een beetje interessant, soms. Deels omdat ik het wel leuk kan vinden om me te buigen over meer theoretische kwesties, en deels ook omdat het praatje van Mike Huiskes wel praktijkgericht was, zij het een andere praktijk dan de mijne: die van supervisie gevende chirurgen.

Op andere momenten voelde ik echter vervreemding. Dat zat hem deels in de ver-van-mijn-bed-inhoud (o.a. over werkwoordstijden in het Latijn en eigennamen in romans) en deels ook in de omstandigheden. Ik vond het al confronterend om bij binnenkomst m’n eigen kopje thee uit een trage automaat te moeten halen, zo afgeknepen is het budget voor dit soort dingen.

Vervolgens was ook de zaal-opstelling ongelukkig: in een U, met het beeldscherm plus de computer om dat te bedienen en dus ook de spreker, in het verlengde van ‘mijn’ poot van die U. Dat betekende dat sommige sprekers feitelijk áchter me stonden. Zelfs als ik draaide, keek ik nog tegen de andere mensen van mijn poot aan – ik zag heel weinig. Uitwijken naar een andere plek ging niet, want de zaal was overvol. Om me niet helemaal te verdraaien, staarde ik een deel van de tijd maar in de leegte voor me. Dat hielp niet echt, moet ik zeggen.

Uiteindelijk was de middag zakelijk gezien niet de moeite, reiskosten en tijd waard. Dat is op zich niet zo erg, dat gebeurt wel eens vaker, en ik wil wel betrokken wil blijven omdat ik hoop op ook voor mij relevantere onderwerpen. Ik heb bovendien een paar mensen even gesproken en m’n gezicht laten zien, en ik heb me ook wel vermaakt.

Wel heb ik tegen één van de organisatoren gezegd de keuze voor dit onderwerp wat mij betreft dus jammer was. Waarbij ik ook wel heb gezegd dat het natuurlijk niet zo is dat ze hun bijeenkomsten aan mijn wensen zouden ‘moeten’ aanpassen. Ik ben een soort ‘buitenlid’ natuurlijk, en meer in het algemeen vind ik sowieso niet dat de wetenschap naar de pijpen van de praktijk zou moeten dansen (dat gebeurt misschien al te veel, waardoor die het grote geld, het snelle resultaat én de status quo dient, maar dat terzijde).

Maar wel heb ik dus gezegd dat ik voor het vervolg hoop op ook voor praktijkmensen aansprekende thema’s, dat de eerste bijeenkomst die verwachting had opgeroepen, en dat het anders voor mij ophoudt. Ik zou dat jammer vinden, en ik hoop natuurlijk stiekem ook dat de wetenschappers dat óók jammer zouden vinden. Maar dat weet ik niet zeker. Nouja, als persoon zeker wel, maar dan moet ik voor mijn gevoel wel hun spelletje meespelen. Dat is het vervreemdende eraan. Het is zo ‘stretching’ voor mijn bereidwilligheid en inlevingsvermogen dat ik blijven borrelen niet meer kon opbrengen – ik ben na afloop meteen naar huis gegaan.

Oja, en de conclusie was natuurlijk dat het niet ‘of’ is, maar ‘en’, kwalitatief én kwantitatief onderzoek. Zonder kwalitatief kan het sowieso niet, en tellen moet ook al gauw, al is het maar omdat je wilt onderbouwen dat, bijvoorbeeld, iets ‘vaak’ voorkomt. Dat doe ik ook, dat tellen, een beetje, in mijn werk, want ik beweer ook wel dat iemand ‘vaak’ iets doet in een tekst. Maar het gaat meestal toch meer om kwalitatieve zaken.


Mijn, nee, ons debuut in Onze Taal: ‘Abrupt, chaotisch en 😊😊’

Net uit: Onze Taal nummer 1 van 2020, met daarin het artikel ‘Abrupt, chaotisch en 😊😊. WhatsApp-groepsgesprekken van jongeren’. Dat is mijn eerste artikel ooit in dat tijdschrift, en daar ben ik trots op, maar eigenlijk zeg ik het dan niet goed, want het staat weliswaar op mijn naam, maar het is wel degelijk een groepsproductie.

De negen studenten van het vak Tekst- en Gespreksanalyse dat ik afgelopen voorjaar gaf in Leiden droegen het materiaal ervoor aan (hun eigen WhatsApp-groepsgesprekken), analyseerden die op verschillende manieren, brainstormden mee over de te trekken conclusies en hielpen mee met het schrijven van de eerste versie van het artikel. Bovendien moedigden ze me aan om te proberen het in Onze Taal gepubliceerd te krijgen, waar ik eerder aan Tekstblad dacht. Onze Taal heeft een groter en breder bereik – wel zo leuk.

Er was in het blad geen ruimte voor tien auteurs, maar hier dan ere wie ere toekomt: Jamie Aijpassa, Kiefer Herman, Kirsten Straatman, Mare van Welzenis, Marit Postma, Myrte van Hinsberg, Nikkie Schotman, Sam Lamers en Sanne Hoeken waren mijn co-auteurs. Heel veel dank!

Even heel in het kort waar het artikel over gaat: als je vluchtig kijkt, lijken WhatsApp-groepsgesprekken een grote chaos. Maar er zit toch systeem in, en dat heeft kenmerken van gewone, gesproken gesprekken en van schrijftaal, maar ook heel eigen kenmerken. Daar geven we voorbeelden van – erg leuke, vind ik.

Ik duik op in onbegrijpelijke zin

We hadden het zelf niet eens gezien, mijn man en ik, maar we werden erop geattendeerd: dat we genoemd werden in de NRC van 28/29 december, in het stukje ‘inbox van de redactie’ in Opinie, p. O2. En daardoor zag ik misschien wel de meest onbegrijpelijke zin van het voorbije jaar:

Ja, ‘liefde is een werkwoord’ voor deze briefschrijvers – “eens per week samen aan tafel, eens per maand samen een dagje weg, eens per kwartaal samen een nachtje weg” (Ingrid Nagel), en zelfs een brief aan NRC schrijven valt eronder, zie het excelsheet met hun “balanstips” dat Louise Cornelis en Henk Vermaas stuurden.

De NRC had opgeroepen op te schrijven hoe je je relatie goed houdt, ter bestrijding van de jaarlijkse echtscheidingspiek na de feestdagen. Wij hadden het daar net over gehad, en de uitkomst daarvan heb ik in een paar minuutjes in een Powerpoint-matrix (niet Excel dus) opgeschreven en ingestuurd.

Maar onze bijdrage heeft de krant niet gehaald – daarover hadden we ook al bericht gehad. Geen probleem natuurlijk, maar het maakt deze zin voor alle andere NRC-lezers totaal onbegrijpelijk.

En zelfs ik snap hem niet. Balanstips? Het was een matrix met vier cellen van bezigheden (alleen/samen, actief/passief) waarvan voor onze relatie belangrijk is het in balans houden van die vier categorieën activiteiten. Het lijkt er bovendien in de zin op dat wij ‘het schrijven van een brief aan de NRC’ als ‘tip’ zouden geven voor het goedhouden van een relatie, maar dat is echt niet zo. Maar goed, dat weet verder niemand.

Los daarvan is de zin ook ingewikkeld natuurlijk: lang, grammaticaal complex, met drie dingen tussen twee soorten aanhalingstekens, iets tussen haakjes en ook nog een gedachtestreepje.

Nou goed, ik heb hier wel vaker over bloopers in de NRC gezegd dat ik het de journalistiek graag vergeef: dat is haastwerk. Daarom kan ik om deze zin vooral lachen: ik vind het grappig om zelf op te duiken in een onbegrijpelijke zin.

Structuur komt niet vanzelf

Op p. 99 van Het nieuwe schrijven staat:

Eerst de inhoud, dan komt de structuur (bijna) vanzelf.

Niet is minder waar, en dat laat dit boek zelf treffend zien. Het is een van de slechtst gestructureerde boeken die ik ooit heb gezien, en dat voor een schrijfboek…

Nouja, er zit structuur in het boek. Maar zo onlogisch dat ik er echt de ballen van snap en dat dat ook mijn lezen en mijn begrip van de inhoud hindert, omdat ik zo veel moet zitten raden, met wisselend succes.

Er zijn problemen op elk niveau van de tekst. Ik geef er hieronder de meest treffende voorbeelden van, van hoog naar laag. Daaronder speculeer ik een beetje over hoe het zo mis kon gaan.

Hoofdboodschap en rode draad: De ondertitel van het boek is ‘aantrekkenlijk-overtuigend-duidelijk-correct’. Een vierdeling. Die zou ik dan verwachten als rode draad van de structuur. Het boek heeft inderdaad vier hoofdstukken, maar die vier trefwoorden zijn twee-aan-twee samengenomen in de eerste twee, en daarna volgt nog een hoofdstuk ‘Niet zo maar zo’ (formuleringsalternatieven) en een woordenlijst (van rijp en groen door elkaar).
Het eerste hoofdstuk, ‘Aantrekkelijk en overtuigend’, is maar 16 pagina’s; het tweede, ‘Duidelijk en correct’ 155, een frappante disbalans, die ik ook niet kan rijmen met de boodschap dat het nieuwe schrijven bepaald wordt door samenwerking tussen de linker (overtuigend) en rechter (aantrekkelijk) hersenhelft. Zoiets staat tenminste op p. 21: ‘Het nieuwe schrijven is een oproep om levendig, beeldend en energiek te schrijven’. Maar daar gaat het dus nauwelijks over. Nouja, keer op keer dat je de lijdende vorm en de naamwoordstijl enzo moet vermijden, maar daar is niets nieuws aan.

Hoofdstuk-paragrafen: Hoofdstuk 2, ‘duidelijk en correct’, bestaat uit drie onderdelen (B, C en D; A zit in hoofdstuk 1, vind ik ook niet heel handig ten opzichte van die eerdere vierdeling, want deze letters zijn dus weer een andere). De paragrafen hebben geen eigen titels en er is ook geen aankondiging ervan. Dus moet ik zelf op zoek naar de logica achter de indeling. C doorzie ik snel: dat zijn allemaal genres, 24 in totaal. Wat B is, meen ik te begrijpen als algemene schrijfprincipes, dus genre-overstijgend, want dat gaat onder andere over spelling en structuur. Wat D is, weet ik niet. Dat deel is kort en heeft maar twee subparagrafen, ‘Briefing’ en ‘(Eind)redactie en Baas over Jouw Tekst’. Als dat procesdingen zijn, ontbreekt er toch het een en ander, lijkt me. (Nouja, ontbreken doet er wel meer: advies- en beleidsrapporten bijvoorbeeld, tussen de 24 genres.)

Paragrafen-subparagrafen: Dat deel C over genres, dat is in tweeën verdeeld, C1 en C2. C2 zijn 5 genres, en die zijn allemaal digitaal. Maar C1 zijn niet alleen maar papieren genres, want daar staan ook bijvoorbeeld e-mail en online nieuwsbrief in. Sterker nog, iets digitaal nieuwsbrief-achtigs zou kunnen staan in C1.7 ‘Brief, mailing en sollicitatiebrief’, C1.8 ‘E-mail’, C1.13 ‘(Online en offline) Nieuwsbrief’ en C2.4 ‘E-mailings en online nieuwsbrieven’. Hoe veel overlap wil je hebben?

Binnen de paragraaf: De paragraaf over structuur, B1.8, had natuurlijk mijn speciale interesse. Na een inleidende pagina staat er een kopje ‘Je lezer en jezelf helpen in 7 stappen’. Eronder staan drie stappen aangekondigd, en die zijn inderdaad structuurgerelateerd. Na die drie stappen gaat de tekst echter naadloos verder met de andere vier, en die hebben niet veel te maken met structuur, althans, ik zie het niet. Ze slaan wel allemaal op één casus, daarvan ongeveer (maar niet helemaal) het hele schrijfproces. Is dat dan hoe je structuur uitwerkt? Nou goed, voordeel van de twijfel. Maar in de paragraaf over spelling (B1.1) gaat het ook doodleuk over leestekens en grammaticale kwesties als hun/hen en dan twijfel ik toch echt niet meer.

Op het laagste niveau in de tekst: Op het niveau van alinea’s en opsommingen gaat het met de structuur nog het beste – niet alle opsommingen zijn even strak, maar ik vind ze wel acceptabel. Enige uitglijder zijn de drie tabellen op p. 13-15, waarvan alleen de kolommen betekenisvol zijn. De rijen betekenen niets, althans, weer niet iets dat ik kan snappen of wat er staat. Dan zouden het dus geen tabellen moeten zijn, maar opsommingen, wat ook te zien is aan de lege kolommen erin.

* * *

Tsja, als je gelooft dat structuur (bijna) vanzelf komt, dan krijg je dus dit. De logica zit mogelijk wel in het hoofd van de schrijver, maar zo logisch zijn particuliere associaties niet, en de verbanden zijn bovendien niet op papier terechtgekomen en dus niet zichtbaar – een herkenbaar probleem. Inderdaad, deze structuur kwam voor de schrijver (bijna) vanzelf. Maar zo makkelijk is structureren voor een lezer niet.

Dan denk ik: daar had toch iemand deze schrijver voor moeten behoeden? Daar zijn – bijvoorbeeld – redacteurs toch voor? Dus ik ben even gaan zoeken en toen vond ik dat de schrijver, Dolf Weverink, ook de uitgever is. Mogelijk was hij schrijver, redacteur en uitgever in één.

Als dit dan het resultaat is, trek ik drie conclusies:

  • Een kritische tegenlezer is superbelangrijk.
  • Ja, ook ik vind dat de rechter hersenhelft bij zakelijk schrijven ondergewaardeerd is. Maar vlak die linker hersenhelft toch maar niet uit.
  • Jammer. Ik was wel benieuwd naar dat nieuwe schrijven.

Co-productie over niet

Vandaag een co-productie met m’n andere weblog. Ik heb namelijk recentelijk op sportgebied maar weer eens ervaren dat het niet helpt om iemand iets aan te raden iets niet te doen.

Het is een bekende: dat iets ontkennen de gedachte eraan oproept. ‘Denk niet aan een roze olifant’ – zit er zomaar zo’n olifant in je hoofd. Ook mijn schrijvende adviseurs zeg ik liever te formuleren wat hun lezers wél moeten doen, in plaats van wat ze moeten laten, vermijden of niet doen. Want het is lang niet altijd vanzelfsprekend wat je wél zou moeten als je iets anders níet doet.

Waarvan acte. Ik ben bezig met een borstcrawlcursus voor gevorderden. Ik wist van mezelf dat een van de dingen die ik al jaren verkeerd doe was dat ik mijn hoofd optil om adem te halen. Zoiets, nouja, dit is zelfs wat extreem, het kan ook met m’n mond dichter bij het water. Maar het belangrijkste probleem is dat dan nog m’n kruin veel hoger ligt:

Ik wist dus ook dat ik erop moest letten dat ‘niet’ te doen, maar dat had al die jaren geen enkel effect. Sterker nog: als ik het ‘niet’ deed, kreeg ik water in plaats van lucht binnen omdat ik dan met m’n mond niet boven het water uitkwam. Geen lucht krijgen is een methode om het snel weer ‘wel’ te gaan doen. Al jaren op dit technische puntje geen progressie dus.

Tijdens de eerste les van de huidige cursus stond dit punt meteen op de agenda. Voor het eerst leerde ik wat wél te doen: contact houden tussen hoofd en schouder/arm, en om dan bij de lucht te kunnen, moet ik wel verder door-roteren, dus meer op mijn zij draaien.

Dat waren twee dingen waar ik op kon oefenen: lastige oefeningen zijdelings zwemmen met mijn hoofd op mijn schouder en die ene arm recht vooruit, en zwemmen met veel kantelen, van de ene zij op de andere. Ik ben daar gezwind mee aan de slag gegaan, onder andere tijdens de dagelijkse duik in zee op Sint Maarten.

En passant werd ik ook nog een tweezijdige ademhaler, want aan mijn niet-voorkeurskant bleek ik het al goed te doen. Dat was ook nog iets wat ik wél kon doen: naar links (voorkeurskant) op dezelfde manier ademhalen als naar rechts. Naar rechts voelde altijd gek, vandaar dat ik dat vermeed. Maar dat was dus onterecht. Gek was goed.

Wat met ‘niet’ niet lukte, lukte nu in een week of twee: ik til mijn hoofd ‘niet’ meer op . Dat was echt wel even lastig, voor mijn gevoel moest ik opnieuw leren zwemmen en ik rommel nog steeds een beetje met mijn ademhaling. Dat gaat hopelijk nog verder wennen en dan mooie resultaten opleveren.

Voor het schrijfadvieswerk leer ik er vooral van dat niet niet werkt, en wel wel.