Artikel over beter schrijven in organisaties

Ik kondigde het al eerder aan, en eind vorige week is het verschenen: mijn artikel in Tekstblad over de weerbarstigheid van beter schrijven in organisaties: ‘”We gaan hier niet populistisch schrijven”. Praten over tekstkwaliteit in organisaties’, in Tekstblad 2 van 2015, p. 6-10. Met een leuke cartoon erbij van twee sikkeneurige kerels die staan te simmen bij het koffieapparaat – en over het belang van de koffie-gesprekken gaat het stuk inderdaad!

Het artikel is bovendien het cover-artikel, dus die cartoon staat ook op de voorkant. Ook al heb ik n de loop der jaren regelmatig in Tekstblad gestaan, ik had het volgens mij nog nooit tot het cover-artikel geschopt, dus daar ben ik trots op.

De kop op de cover is  ‘Ongemak en wrevel. De weerbarstigheid van schrijftrainingen’. Die vind ik zelf een tikje ‘populistisch': de woorden ongemak en wrevel komen niet in de tekst voor (ik heb het even opgezocht, maar van wrevel wist ik dat eigenlijk sowieso wel zeker, want dat is geen Louise-woord), en ‘beter schrijven in organisaties’ is veel meer dan een schrijftraining – training kan er een deel van uitmaken. En samen is het me te negatief. Ik heb het zelf weliswaar ook over weerbarstigheid (je leert een organisatie niet ‘even’ beter schrijven), maar in het artikel ga ik juist ook in op wat bezig zijn met tekstkwaliteit wél oplevert: de medewerkers gaan erover praten, en er wordt een boel zichtbaar van wat er verder in de organisatie speelt.

Maar goed, het gaat in het stuk ook over (verzet tegen) koppen in Telegraaf-stijl. Die raad ik voor adviesrapporten af, maar Tekstblad mag het zelf weten natuurlijk!

Politieke stijlkeuzes systematisch onderzocht

stijl en politiekAfgelopen donderdag was ik bij de promotie van Maarten van Leeuwen in Leiden. Leuk om daarbij te zijn – aangezien ik af en toe college geef in Leiden, ken ik Maarten als collega, en bovendien zijn we wetenschappelijk aan elkaar verwant: we delen een promotor, Arie Verhagen. Vandaar dat ik Maartens onderzoek, weliswaar vanaf de verre zijlijn, gevolgd heb, en uitkeek naar zijn proefschrift en promotie. Hier een verslag, en dat is ook bedoeld als reclame voor het boek, Stijl en politiek geheten.

Er was nog een tweede reden waarom ik naar de promotie uitkeek, en dat is omdat ik Maarten graag over zijn onderzoek hoor praten. Hij doet dat prettig, aansprekend en helder; hij deed dat donderdag ook weer in zijn lekenpraatje. Hetzelfde kan ik zeggen over hoe hij erover schrijft. Wat dat betreft stelde het proefschrift niet teleur: ook dat is zeer leesbaar.

Dat leesbare zit hem deels in de boeiende inhoud: niet alleen is er die inhoudelijke verwantschap, ook is zijn onderwerpskeuze pakkend. Het boek gaat namelijk over parlementaire toespraken van Wilders (die vooral), Vogelaar en Pechtold uit de laatste jaren, dus dat is actueel en herkenbaar materiaal.

Het leesbare zit hem ook in de – zeker voor een proefschrift – prettige stijl. Het zou interessant zijn om te kijken welke kenmerken van Maartens schrijfstijl die toegankelijkheid bewerkstelligen. ‘Toegankelijk’ is immers een globaal oordeel, in welke stijlkenmerken wordt dat concreet, en hoe verschillen die van andere, meer weerbarstige proefschriften? Zo’n vraag stel ik wel eens in trainingen, als iemand een globaal oordeel geeft over de leesbaarheid van een tekst. En precies die vraag staat centraal in Maartens onderzoek. Niet van zijn eigen proefschrift natuurlijk, maar van die toespraken.

Maarten pakte de zaak systematisch aan. In de eerste plaats baseerde hij zich niet op zijn eigen intuïtieve oordeel over de toespraken, maar op wat daarover gezegd werd door anderen, bijvoorbeeld in de parlementaire pers. Vandaar de keuze voor dit genre: daarover zijn globale oordelen vrijelijk beschikbaar.

Vervolgens ging hij aan de hand van een checklist na of een contrast in globaal oordeel ook zichtbaar was in de stijlkeuzes. Daarbij ging het niet om woordkeuze, zoals Wilders’ knettergek of kopvoddentax, maar om subtielere grammaticale (zinsbouw-)keuzes.

De contrasten waren:

  • Wilders als heldere spreker tegenover Vogelaar als wollige, in het ‘knettergek’-debat
  • Wilders als man van het volk met afstand tot de Haagse politiek, versus Pechtold als ras-politicus met juist wat afstand tot gewone mensen, in de Algemene Beschouwingen van 2008 en 2009
  • Wilders in de loop van zijn politieke carrière, waarin hij als steeds radicaler gezien wordt, vooral sinds 2007.

Inderdaad bleken deze contrasten in globale oordelen te relateren te zijn aan stilistische keuzes. Waar Pechtold bijvoorbeeld in typisch Haags jargon praat (‘Als je herprioriteert en intensiveert, geef dan ook aan waar dat vervolgens weg wordt gehaald’) laat Wilders geen kans onbenut om naar ‘de kiezers’ en ‘de mensen in het land’ te verwijzen.

Eén van de meest opvallende stijlkeuzes is het gebruik van hoofd- en bijzinnen om een perspectief te presenteren: ‘ik vind dat X’ of ‘iedereen weet dat X’ . In de loop van zijn carrière is Wilders steeds stelliger geworden: hij gebruikt steeds vaker alleen maar X, zonder zo’n aanloop. Hij presenteert zodoende zijn mening steeds meer als feit en laat steeds minder ruimte voor discussie. Vogelaar daarentegen kan weinig zeggen zonder ‘ik vind dat’ of ‘het lijkt mij dat’ ervoor, en dat bepaalt waarschijnlijk mede de wollige indruk.

Het proefschrift heeft nogal wat media-aandacht gekregen. Dat is leuk natuurlijk, al is er ook wat tenenkrommends bij.  De kop boven het artikel in de NRC luidde bijvoorbeeld ‘Wilders’ boodschap zit verborgen in de bijzin’ (15 april) – nee juist, niet. Een deel van de aandacht was ook laatdunkend, alsof Maarten open deuren intrapt. Tsja. Ik kan me voorstellen dat het zo kan lijken, omdat het onderzoek niets anders doet dan die al bekende en algemeen gedeelte globale indrukken bevestigen. Ja, we wisten al dat Wilders radicaliseerde. Maar om te laten zien dat die radicalisering systematisch samenhangt met subtiele talige keuzes, dat had nog niemand gedaan, en dat wisten we echt nog niet, hoor. En zo is een intuïtief vermoeden ‘gepromoveerd’ qua type kennis naar het wetenschappelijke domein. Zo gaat dat wel vaker met onderzoek. En zeker in de taalwetenschap: iedereen voelt dat allemaal wel al zo’n beetje aan. Maar om het echt zichtbaar te maken, dat vergt jaren werk.

En we wisten echt heus nog niet dat, om maar iets te noemen, zelfs aanloopjes als de tweede die ik hierboven noemde, ‘iedereen weet dat…’, ontbreken in Wilders’ latere stijl, of ten opzichte van Vogelaar. Je zou immers denken dat hij daarmee zijn stijl juist stelliger maakt. Maar dat is dus niet zo. Zelfs dat soort ogenschijnlijk versterkende inbeddende zinnen vergroten de discussieruimte: zelfs ‘het is zeker dat X’  is ‘zwakker’ dan alleen maar X. Voor mij is dat één van de meest vernieuwende inzichten uit het boek, en zelfs bijna reden om nog eens naar mijn eigen oude data te gaan kijken, want ook ik heb onderzoek gedaan naar dat soort aanloopjes, maar dat in de lijdende vorm (‘er kan gesteld worden dat…’). Overigens werd Maarten precies op dit punt wel stevig aan de tand gevoeld donderdag!

Wat heb ik hier verder aan voor mijn dagelijkse praktijk? Vooral dat het stellen van die vraag van hierboven, namelijk die naar welke stijlkenmerken een globale indruk bepalen, een zinvolle vraag is. Misschien wel een vraag die je als schrijver moet stellen, bijvoorbeeld als je lezer je tekst ‘wollig’ zegt te vinden. Het is dan vooral goed om je stijl te contrasteren met die in een tekst die die lezer wel goed (minder wollig) vindt. Zo kom je ‘wolligheid’ op het spoor, en kun je er dus wat aan doen. Als je dat wilt!

En in de derde druk

Zoals ik hier al eerder meldde, komt er een derde druk van Adviseren met Perspectief. Ik heb daar sinds november aan gewerkt, en ik ben nu klaar. Binnenkort ga ik de spullen (tekst, figuren en webmaterialen voor de docentenhandleiding) inleveren bij de uitgeverij, en dan ben ik erg benieuwd wat zij ervan gaan maken qua redactie en vormgeving enzo. Ik ben over mijn deel in elk geval nu dik tevreden.

Ik had wel nog even wat uit te pluizen. Eén van mijn laatste proeflezers zei op een gegeven moment dat ze nogal wat taalfouten in het boek had aangetroffen. Nou ken ik mezelf, en het kan zeker zijn dat er nog slordigheden in staan – daarom ben ik blij met een redacteur. Maar taalfouten? Enerzijds weet ik wel dat dat echt zal meevallen, en toch schrik ik op zo’n moment.

Het duurde nog even voor ik haar detail-commentaar kreeg, dus ik vond het toch een beetje spannend. Wat bleek? Die taalfouten betroffen vooral gevallen van en na een punt of komma, en aanverwante ‘fouten’. Dat zijn wat mij betreft geen fouten. En (!) ik sta daarin niet alleen: de Taalunie noemt het verbod op en na een komma een ‘oude schoolregel’.

Diezelfde Taalunie vindt en aan het begin van de zin wat minder geschikt voor ‘zakelijke schrijftaal’ en dat illustreert meteen het punt dat ik met die ‘fouten’ wil maken: schrijftaal mag van mij stukken informeler dat wat ik gemiddeld zie. Van vele (proef-)lezers van Adviseren met Perspectief heb ik in de loop der jaren gehoord dat ze het boek prettig leesbaar vinden, omdat het is alsof ze me erin horen praten. En (!) dat zit hem dus ook in de en-nen.

Columns verschenen in twee bladen

Deze week verschenen: Oase Magazine jaargang 7, nummer 4, met daarin vijf mini-columns over sport van mij, en Fietssport Magazine, met daarin ook een column van mij. Een soort nagekomen fietsvrouwcolumn is dat, en het is een bewerking van eentje die op dit weblog verschenen is. ‘Zin in sex’ is de titel, en in de opmaak is dat grappig, want de kop staat pal naast een foto van mij op de fiets, waardoor het lijkt alsof ik fietsend barst van de zin in sex, haha! Nou, daar gaat het dus niet precies over, maar wel indirect.
Die column is een voortvloeisel uit een ander stukje van mijn hand in datzelfde blad: een wervend nieuwsberichtje over de Vrouwentriathlon. Maar daar staat mijn naam niet onder.

Nog een moeizaam begin

Laatst schreef ik over een moeizaam begin van een artikel in Opzij, dat te maken had met verwarring over wie de hoofdrolspeler was en wat daarover gezegd werd. Frappant: ik kwam net opnieuw zoiets tegen! In een heel ander blad: Voetbal International. Het gaat om de rubriek Balverliefd in het huidige nummer (8 april); de kop luidt ‘Verknocht aan kerk en Kuip’. Dit is het begin, namelijk de lead en de eerste alinea:

In Balverliefd elke week aandacht voor de gang van zaken achter de schermen van het voetbal en opvallende gebeurtenissen aan de rand van het veld. Deze week over Ed de Kever, pastoraal medewerker en fanatiek Feyenoord-fan.

De dokters hadden het tegen Diny de Kever gezegd: ‘Laat uw zoon maar veel over Feyenoord praten, dat is goed voor hem.’ En dus is de vermoedelijk kwiekste negentigjarige van Nederland blij met het bezoek van VI aan het Rotterdamse revalidatiecentrum Rijndam. Sinds een paar maanden is dat de thuisbasis van Ed, haar zoon die op 18 januari werd getroffen door een zware herseninfarct. Hij was op dat moment net bij zijn ouders, na zoals zo vaak een hele dag op Varkenoord te hebben doorgebracht.

Dat kostte me toch ook weer echt even puzzelen. Wie is de ‘vermoedelijk kwiekste negentigjarige’? En is een negentigjarige pastoraal medewerker? Oh, wacht, het gaat om de móeder, en die heeft dus géén herseninfarct gehad, maar haar zoon wel, en dat is dus die Ed uit de lead, en die is pastoraal medewerker en Feyenoord-fan. Ook de andere lezer die ik het vroeg, moest puzzelen.

Want ik ging even twijfelen aan mezelf, omdat het zo leek op dat vorige voorbeeld, en dus dacht ik: misschien is dit wel gebruikelijker dan ik weet, en snappen andere lezers het wel. Maar niet dus. Met ‘dit’ bedoel ik dan: aan artikel waarin persoon X centraal staat beginnen vanuit het perspectief van persoon Y. In dit geval gaat het artikel over Ed, maar het begint vanuit het perspectief van zijn moeder. En net als bij het vorige geval speelt de inhoud een deuntje mee: het is logischer dat een 90-jarige een herseninfarct krijgt dan haar zoon.

Iets beter dan bij het Opzij-voorbeeld zie ik hier dat het een schrijf- en redigeerkwestie is:

  • Schrijf: Ik denk dat de schrijver te zeer zijn eigen ervaringen chronologisch heeft verteld – hij is waarschijnlijk eerst tegen ma aangelopen, misschien is de afspraak wel via haar tot stand gekomen. En dus begint hij te vertellen over haar, ook al is dat voor een lezer niet logisch.
  • Redigeer: Het begin van het artikel was misschien te redden geweest zonder die lead, die grotendeels standaard is voor de rubriek: de eerste zin en het aankondigende ‘deze week over’ staat er elke week. Daardoor presenteert de lead Ed nadrukkelijk als hoofdpersoon, en dat maakt het begin over iemand anders extra verwarrend.

Frappant, twee keer zo’n zelfde begin-puzzel in een artikel. Dus, ik herhaal: maak het je lezer makkelijk, vooral aan het begin!

 

Reflectieve leerstijl waardeert e-learning minder

Afgelopen dinsdag heb ik met mijn Leidse studenten een mini-experimentje uitgevoerd – ik geef daar weer een paar weken college over communicatie-onderzoek. De vraag was of er een relatie is tussen leerstijl en waardering van e-learning. Ik ben namelijk al een tijdje aan het uitzoeken of ik tijd zal gaan stoppen in het ontwikkelen van een e-learning als aanvulling op mijn trainingen en/of Adviseren met Perspectief, samen met Kriton (zie ook learning.nl). Ik zie het nut er wel van in, maar tot nu toe heb ik nog maar weinig mensen gesproken die enthousiast zijn over e-learning.

Dinsdag stond een artikel op het college-programma over de relatie tussen leerstijl en schrijf-e-learning. Mijn vraag sloot dus mooi aan en bood de studenten de gelegenheid even aan een e-learning te snuffelen.

Wat bleek? Mijn verwachting (‘hypothese’) kwam uit: de groep studenten met een reflectieve leerstijl (dromers en denkers) waardeerde de e-learning lager dan die met een actieve leerstijl (doeners en beslissers): rapportcijfer 6,5 om 7,5. Dat had ik verwacht omdat een computerprogramma nogal gericht is op handelen, en het bijvoorbeeld vervelend is om van beeldscherm te lezen als je behoefte hebt aan theoretische reflectie. Dat zeiden de reflectieven dan ook: we willen er liever een boek bij (ga ik onthouden – Adviseren met Perspectief ernaast dus!).

Ik had het bovendien verwacht vanwege de opzet van het experimentje: ik gooide de studenten er nogal voor. Dat past beter bij een actieve leerstijl, en inderdaad: die groep vond het wel leuk om een beetje te ‘spelen’ met het programma. Vandaar: helemaal geen wetenschappelijke pretentie bij dit onderzoekje. Grote beperking was ook de ongelijke verdeling van de studenten over de twee groepen: net als in eerdere jaren had de overgrote meerderheid van de studenten een reflectieve leerstijl. Dat is een conclusie die ik na vier jaar wel durf te trekken: van de Leidse studenten Nederlands en Taalwetenschap die het vak ‘methoden communicatie-onderzoek’ volgen, heeft een grote meerderheid (ongeveer driekwart) een reflectieve leerstijl.

En ikzelf? Ik ben een beslisser – actieve leerstijl. Ik speel ook wel graag met zo’n programma. Maar lezen doe ik ook liever van papier.

Bied meer dan een antwoord op de historische vraag

Een tekst geeft een antwoord op een vraag. Die vraag, die heet ook wel de centrale vraag. Als je schrijft volgens het piramideprincipe, geeft de hoofdboodschap in één keer kernachtig antwoord op die centrale vraag, en de rest van de tekst werkt dat antwoord verder uit. Als je gaat schrijven, bepaal je vraag en antwoord in samenhang met elkaar, zo dat je de lezer het meest vooruit helpt.

Bij veel zakelijk schrijven speelt ook nog een andere vraag een rol, of meerdere zelfs: de onderzoeksvraag of -vragen. De opdrachtgever stelt aan het begin van het project een vraag, en vaak leidt de onderzoeker daarvan subvragen af om richting te geven aan het onderzoek. Soms, nee, váák, sluit de meest saillante hoofdboodschap daar niet op aan. Dat is een kwestie van voortschrijdend inzicht, of van pas weten wat de vraag ‘eigenlijk’ had moeten zijn als je weet wat het antwoord is – typerend voor adviseren.

Wat dan? Want je moet die historische vra(a)g(en) toch ook beantwoorden? Ja en nee:

  • Ja: in een piramidale tekst komen de antwoorden op de onderzoeksvragen terecht in de onderbouwing van de hoofdboodschap, dus ergens in de piramide, ergens in de tekst, maar niet noodzakelijkerwijs in de historische vorm of volgorde.
  • Nee: je bent als schrijver niet gebonden aan de historische vraag – het is geen proefwerk. zo lang je maar meer doet, voor de lezer/opdrachtgever: meer waarde toevoegen, hem verder helpen, zinvoller en nuttiger zijn. Het belang van de lezer/opdrachtgever op het moment van schrijven ‘overrulet’ de historische vraag. Als je gaat schrijven, bepaal je dus overnieuw welke vraag je tekst beantwoordt.

Een voorbeeld. In een organisatie gaat er op beleidsterrein X iets mis. De managers zijn daar verantwoordelijk voor. De hoogste baas huurt ene adviseur in voor een onderzoek naar het misgaan van X. De vraag die ze samen bepalen is: ‘Wat zijn de knelpunten voor het uitvoeren van X?’ De adviseur gaat aan de slag door vijf managers te interviewen (A, B, C, D en E). Die rapporteren in totaal zes knelpunten, zoals in de tabel.

Tabel met resultaten onderzoek; knelpunt 3 sprint eruit

Een keurig antwoord op de historische vraag is een opsomming van 1 t/m 6, of eventueel 3-1-2-4-5-6, op volgorde van belang. Maar je helpt de organisatie er meer mee als je hoofdboodschap luidt ‘Los knelpunt 3 op’ – althans, als dat oplosbaar is; die hoofdboodschap heeft minstens twee onderbouwende argumenten nodig: ‘het komt uit de interviews naar voren als veruit het belangrijkste knelpunt’ en ‘het is oplosbaar’.

Maar ‘los knelpunt 3 op’ is geen antwoord op de vraag ‘wat zijn de knelpunten?’ Nou, wat let je dan om de centrale vraag van de tekst aan te passen tot iets als ‘hoe zorgen we ervoor dat X verbetert?’ Ergens in de inleiding of in de bijlage met de methode van onderzoek kun je de historische vraag wel noemen, en als onderbouwing van het eerste argument noem je de andere knelpunten ook. De baas krijgt dus ook een antwoord op die ooit gestelde vraag – maar hij krijgt meer. En wat mij betreft is dat altijd de moeite waard.

Aankondiging artikel Tekstblad

In het aanstaande nummer van Tekstblad staat een artikel van mij, en ik zag dat fraai aangekondigd op de website:

Hoe maak je tekstkwaliteit bespreekbaar?

Het is niet gemakkelijk om mensen in een organisatie beter te laten schrijven. Louise Cornelis gaf schrijftrainingen voor de adviesafdeling van een technisch bedrijf. Haar cursisten zetten de hakken in het zand (‘We gaan hier niet populistisch schrijven!’), maar haar opdrachtgever was tevreden. Een essay over de de rol van de externe tekstdeskundige.

Leuk, en als het er echt is, meld ik dat natuurlijk hier! En net gisteren heb ik trouwens het vólgende artikel bij de redactie ingeleverd. Dus wordt daarna nog verder vervolgd ook.

 

Een moeizaam begin

In de Opzij van deze maand trof ik een alinea aan waar ik een tijdje op moest studeren om de interpretatie rond te krijgen. En dan vind ik het altijd interessant om te kijken hoe dat komt, dus wat heeft deze schrijver gedaan om mij als lezer een probleem te bezorgen? Dit is de alinea, het is de eerste van een interview met Sofie van den Enk (p. 18):

Een klassiek beeld: een man sluit iedere doordeweekse dag ‘s ochtends vroeg het tuinhek achter zich. Zijn vrouw zwaait hem uit, twee kleine meisjes aan haar benen. Ze denkt rusteloos: dat wil ik ook. Dus volgde Sofie van den Enks (34) moeder nog een opleiding, klom op tot coördinator van de plaatselijke bejaardenzorg en misschien, peinst haar dochter, school er in haar wel een echte carrièrevrouw – als ze de kans had gekregen. Ware het niet dat op een dag een 14-jarige Sofie haar moeder verlamd in bed aantrof.

In de eerste plaats ben ik geneigd te denken dat een artikel over Sofie van den Enk zal starten met iets over Sofie van den Enk. Dus het was even schakelen om te beseffen dat deze hele alinea gaat over haar moeder. En dat schakelde gebeurde pas lezenderweg, en toen had ik dus al wat gemist c.q. niet begrepen. De essentie hiervan is dat het artikel mijn verwachtingen schaadt, en die verwachting is: aan het begin van een artikel waarin persoon X centraal staat, staat die persoon meteen ook al centraal’.

In combinatie met het volgende probleem gaf mijn verwachting een gekke interpretatie. Dat volgende probleem is dat dat in ‘dat wil ik ook’ een vage verwijzing is. Het verwijst zelfs helemaal nergens naar, niets concreets in de tekst. Vandaar dat ik het bij eerste lezing ‘ophing’ aan een klassiek beeld en dus interpreteerde als: een bestaan als thuismoeder met een werkende man en twee kleine kinderen. En aangezien ik daar bij eerste lezing dus nog dacht dat het over Sofie zou gaan, dacht ik: Sofie wilde dus zo’n klassiek gezin. Maar ten eerste gaat het dus niet over Sofie, en ten tweede verwijst dat naar buitenshuis werken, zo blijkt uit het vervolg van de alinea. Dat verwijst dus naar een impliciet idee achter ‘iedere doordeweekse dag ‘s ochtends vroeg het tuinhek achter zich sluiten’.

Overigens is dat verwijzingsprobleem niet puur en alleen een kwestie van dat; het heeft er ook mee te maken dat een klassiek beeld voor mij iets nastrevenswaardigs heeft – als formulering dan, hè? Ik zie een mooi plaatje waarvan iemand zegt ‘dat wil ik ook’. Ook dat is een verwachtingenkwestie: ik verwacht dat het klassieke beeld een positieve en centrale rol gaat spelen in de tekst.

Dus: geschonden leesverwachtingen, een complexe verwijzing en nog wat lastige stijlzaken zoals dat ‘Sofie van denk Enks (34) moeder’ en deze paar zinnen kostten me enkele minuten. Mijn advies zou zijn: maak het je lezer wat makkelijker, vooral aan het begin!

 

Perspectiefbreuken

Vanwege een aan onszelf verstrekte opdracht van mijn intervisiegroep van Tekstnet ben ik al een tijdje aan het letten op teksten die ‘zondigen’ tegen principes van goed schrijven. Niet dat ik er echt naar zoek, ik let erop bij het lezen. Het gaat ons vooral om twee zondes, namelijk tegen consequent zijn, en tegen concreet zijn – want ‘consequent’ (bijvoorbeeld: de hele tekst is duidelijk voor één bepaald publiek geschreven) en ‘concreet’ (zoals: beeldend, met voorbeelden, citaten e.d.) vonden we twee belangrijke vereisten aan een goed geschreven tekst. We willen enerzijds achterhalen wat een tekst ‘goed’ maakt, en anderzijds ook onderzoeken of dat überhaupt wel in het algemeen te formuleren is.

Welnu, de oogst is nog niet rijk, maar ik heb m’n eerste voorbeeld. Ik las het boek Los. Dennis van der Geest en de weg naar het succes van Gijs van Oosten en Jan Looman. Daarin trof ik op meerdere plekken een inconsequentie aan, namelijk: een perspectiefbreuk. Dit is een voorbeeld ervan; in de passage (p. 164) is Jan Looman aan het woord als ik:

Dennis en ik zijn een stap verder gegaan dan ‘de werkelijkheid beschrijven’. <knip> Cor heeft de topsportinstelling: ‘Als Mozes niet naar de berg komt, dan moet de berg maar naar Mozes komen.’
Cor vond in 1999 dat psycholoog Jan Looman meer moest zien van Dennis tijdens topwedstrijden.

Dat is gek: in die laatste zin schrijft Jan Looman, net daarvoor nog de ik in de tekst, over zichzelf als psycholoog Jan Looman. En dat zonder regel wit of andere indicatie van het verspringende perspectief. En dat gebeurt vaker in het boek. In het grootste gedeelte is de ik Dennis van der Geest, maar soms gaat het ineens zonder enige indicatie (witregel, aanhalingstekens) over hem als Dennis. Dat is dan meestal als er kennelijk iemand anders aan het woord is, maar dat kan niet zomaar, dat moet je als schrijver markeren.

Of liever gezegd: er moet helemaal niks, maar het is tegen de conventies om het aan het woord laten van een ander niet te markeren. Ik raakte er af en toe door in de war, niet heel ernstig, ik kon het altijd wel oplossen. In het voorbeeld moeten we dus kennelijk door de ogen van Cor (van der Geest, Dennis’ vader) naar ‘psycholoog Jan Looman’ kijken. Maar toch.

Zoiets heet een perspectiefbreuk, het gaat in tegen de eenheid van perspectief in teksten, en het is dus een zonde tegen ons principe van consequent zijn. Maar is het desalniettemin een goede tekst? Ik aarzel. Ik vond het boek matig geschreven. Vanwege de perspectiefbreuken, maar vooral vanwege het zondigen tegen show, don’t tell. Overal staat (= wordt verteld) dat Dennis ‘los’ ging door zijn eigen weg te volgen en dat dat een grote mentale en psychologische overwinning was (een ‘confronterend mentaal proces’ volgens de achterflap), waarbij hij hulp gehad heeft van Looman. Maar nergens ervaar ik wat die grote stap is geweest – de auteurs laten het niet zien, en ik zou hem dan ook niet kunnen beschrijven. Ook nog eens omdat het boek vooral beschrijft wat Dennis niet doet: vechten, diepgaan, kapotgaan en knokken. Maar wat doet hij dan wel? Ik zie er als lezer interessante contouren van, maar ik krijg het net niet helder. En dat is jammer, want ik denk dat het wel degelijk om iets interessants gaat.