‘En’ in opsommingen

Ik heb niets tegen het woord en, en (waarvan acte dus) toch is het voorkomen ervan voor mij vaak reden voor commentaar of een redactieslag. Bijvoorbeeld als het voorkomt in een bullet-opsomming. Een voorbeeld daarvan trof ik deze week aan tussen een tijdschrift ofzoiets, het ging om een kaartje van de Brandwondenstichting (onee, Brandwonden Stichting, oef). Daarin een uitdrukbaar pasje met ‘Eerste Hulp bij Brandwonden’ (‘Vastgesteld door Brandwondenzorg Nederland’, hé, niet Brandwonden Zorg?). Dit zijn de eerste drie punten:

  1. Koel de brandwond 10 min. met lauw zacht stromend leidingwater en verwijder zo snel mogelijk kleding, sieraden en luier! 

  2. Voorkom dat het lichaam te veel afkoelt. Koel alleen de wond! 

  3. Bedek na het koelen de wond met plastic huishoudfolie, steriel verband of een schone doek.

Het problematische geval van en zit in het eerste punt. Dan zijn het toch twee punten? Hadden het niet twee aparte punten moeten zijn? In welke volgorde dan, als het chronologisch is (wat vooral uit punt 3 blijkt)? Moet je die kleren niet eerst uittrekken? Of als het tegelijk moet, waarom staat er dan niet iets met ondertussen of terwijl? Waarom dus staan die twee dingen door en verbonden in één punt, terwijl punt 2 ook tegelijk met punt 1 is?

Bij punt 3 blijkt er een chronologie in de opsomming te komen – dan snap ik dus ook niet wat de logica is in de opsomming. Daar is wel meer onduidelijk in. Bij punt 6 gaat het bijvoorbeeld over het waarschuwen van een arts ‘bij blaren, een open wond en bij elektrisch/chemisch letsel’ – maar moet je die dan wel ook eerst koelen? 

Waarschijnlijk zat de logica in de samenhang tussen die twee helften van punt 1 en in de rest van de opsomming wel in het hoofd van de schrijver, maar is die niet op papier te zien. Ik kan wel een gok wagen: dat je lauw zacht stromend water moet gebruiken is mogelijk het belangrijkste punt dat ze naar voren willen brengen – een pleidooi tegen koud water mogelijk. Dus daar wilden ze mee beginnen, en toen moesten ze die kleren ook nog ergens kwijt. Als dat zo is, was de oplossing geweest om iets anders te doen dan een opsomming van zeven gelijkwaardige punten.

Met bullets of nummers ziet iets er al gauw heel geordend uit. Maar het moet wel kloppen. En moet op z’n minst een signaal zijn om te checken of je logica klopt en expliciet genoeg is.

Projectvoorstellen: van kenmerken naar voordelen

Ik had laatst een overleg bij een opdrachtgever in de zakelijke dienstverlening die bezig is met het verbeteren van de projectvoorstellen. Ze hebben onder andere daarom het piramideprincipe geïntroduceerd, want er moet meer ‘kern’ (hoofdboodschap) in de teksten komen. Maar ook nog iets anders, en ik had steeds een beetje moeite met onder woorden brengen wat dat was. 

In de aanloop naar het overleg pakte ik het boek over voorstellen erbij: Projectvoorstellen en offertes die scoren tweedehands verkrijgbaar van Mariët Hermans. Uit 2004 alweer, en alleen nog maar – jammer, want het is hartstikke goed. Dat bleek maar weer, want daarin stond precies verwoord waar ik naar zocht.

Waar het om gaat bij het offreren in de zakelijke dienstverlening is dat je de kenmerken van de dienstverlening en van je organisatie vertaalt naar voordelen voor de klant. Op p. 44/45 van het boek staan een aantal mogelijke sterke punten van een organisatieadviesbureau opgesomd, met daarachter wat het voordeel daarvan is voor de klant. Een paar voorbeelden die mijn opdrachtgever herkenbaar vond:

Kenmerk: Ruim 70 jaar ervaring.
Voordeel: Stabiel bedrijf, continuïteit gewaarborgd, bewezen kwaliteit. Uw probleem in ervaren handen.

Kenmerk: Multidisciplinair.
Voordeel: Uw probleem wordt opgelost vanuit meerdere invalshoeken. Eén aanspreekpunt, bespaart tijd en geld.

Kenmerk: Alle adviseurs hebben een hoog opleidingsniveau.
Voordeel: U krijgt goede gesprekspartners die met u meedenken. Uw probleem komt in deskundige handen.

Ik moest ook nog denken aan het nogal plastische voorbeeld dat ik lang geleden eens hoorde in een lezing op een dag voor zelfstandigen: als je boren verkoopt (kenmerk), lever je gaten – dat is wat je klanten willen.

Waar het dus om gaat, is niet opsommen waar je allemaal zo goed in bent, maar die sterke punten verwoorden in termen van voordelen voor de klant. Er zijn drie heel duidelijke relaties met goed schrijven, de eerste twee piramidaal, de derde stilistisch:

  • Het voordeel voor de klant is ook het antwoord op de ‘so what’-vraag. ‘Wij hebben ruim 70 jaar ervaring’. Ja, dus? Nou en? So what? ‘Uw probleem komt in ervaren handen’. Aha!
  • Het kenmerk vormt een onderbouwing van het voordeel: ‘U krijgt goede gesprekspartners die met u meedenken, want al onze adviseurs zijn hoog opgeleid’.  
  • Als een voorstel veel we bevat, duidt dat op te veel beschrijven van kenmerken (‘wij werken multidisciplinair’) in plaats van voordelen (‘u bespaart tijd en geld, want u heeft één aanspreekpunt terwijl uw probleem wordt opgelost vanuit meerdere invalshoeken’).

 

De cavia: mijn tijd vooruit

Ik gebruik al twintig jaar hetzelfde voorbeeld om het verschil tussen een onderwerp en een boodschap uit te leggen. Onderwerp: de cavia. Zoals op school vroeger: ‘mijn spreekbeurt gaat over de cavia’. Boodschap: de cavia is een erg geschikt huisdier voor drukke, werkende mensen;  ‘In mijn spreekbeurt ga ik betogen dat de cavia een erg geschikt huisdier is voor…’. Een boodschap stuurt en heeft een doel, roept een vraag op (‘waarom?’) en daarmee een verwachting over de inhoud. Voor de spreker/schrijver maakt een boodschap het mogelijk om hoofd- en bijzaken van elkaar te scheiden en ordening aan te brengen. 

Uit een column van Ellen Deckwitz in de NRC van afgelopen donderdag (dierendag; p. C22) begrijp ik dat de cavia op het ogenblik heel populair is. De kop van de column is zelfs ‘De grote caviarage’. Deckwitz had al langer cavia’s, ze vond ze als kind al lief en aanhankelijk. Ze werd voor gek versleten (wat ik, als hamsterbaasje, herken), maar nu ineens is ze hip. Ze heeft recentelijk meerdere interviewaanvragen gekregen over haar huisdieren. Cavia-foto’s op Instagram trekken honderdduizenden volgers, en dat is dan ook de oorzaak van de populariteit: cavia’s zijn heel fotogeniek.

Deckwitz bespreekt ook de keerzijde van zo’n rage: als de hype voorbij is, worden straks talloze cavia’s afgedankt en bij een opvang gedumpt (of erger). Ook dat herken ik – als het Nederlands elftal eens wél een eindronde haalt op WK of EK, zitten de oranjekleurige hamsters in de lift, en die belanden kort daarna al in de opvang: als de baasjes op vakantie gaan. Tsja.

Met haar al langer durende cavia-liefde noemt Deckwitz zichzelf ‘visionair’ – ze is ineens van sneu in cool veranderd. Mag ik me daarbij aansluiten en concluderen dat ik met mijn cavia-voorbeeld mijn tijd ver vooruit was? Als argument gaf ik onder andere ook dat ze lief en aanhankelijk zijn, maar inmiddels moet ik daaraan toevoegen: omdat ze zo leuk op de foto staan.

Of ik moet een heel ander voorbeeld geven. ‘In mijn spreekbeurt ga ik betogen dat je je cavia niet af moet danken als straks de hype voorbij is’. 

 

Structuur aankondigen ≠ inhoud beschrijven

De afgelopen tijd kwam in mijn trainingen regelmatig het onderwerp ‘aankondigen van de structuur’ aan de orde. Als je schrijft volgens het piramideprincipe, kun je dat in één simpele zin doen. Na de  hoofdboodschap volgt  bijvoorbeeld iets als

Daarvoor zijn drie redenen, die in de drie hoofdstukken uiteengezet zullen worden.

Dat ondervangt de lange en in mijn ogen zinloze beschrijving van de inhoud:

In hoofdstuk 1 zullen we zien dat… In hoofdstuk 3 komt… aan de orde en daarna zullen we dus in hoofdstuk 4 zien hoe… Hoofdstuk 5 gaat daarna in op…

Daar heeft een lezer geen houvast aan, dat kan-ie toch niet allemaal onthouden. Ik heb dus nog nooit een lezer daar enthousiast over gehoord. Ook al zie je ze heel vaak, en de laatste tijd  hoorde ik een paar mensen zeggen dat ze zoiets verplicht in hun scriptie moesten opnemen (waarop ik zei dat het academisch onderwijs wel meer slechte schrijfgewoontes aankweekt…).

Het zat nog in mijn hoofd om weer eens een blogpost te schrijven over de structuur aankondigen, dus schoot ik net in de lach toen ik een wel heel ingewikkelde beschrijving van de inhoud tegenkwam. Een hoofdstuk van een voorstel opent direct na de hoofdstuktitel met iets als:

We gebruiken vijf indelingsprincipes. Die passen we toe per sector. De vraag hebben we ingedeeld naar drie thema’s: X, Y en Z. De analyse daarvan structureren we aan de hand van drie criteria: A, B en C. 

Bent u er nog, bij deze vierdimensionale opsplitsing?

Toen volgde de eerste paragraaf, en die luidde ‘definities’. Huh? De vijfde dimensie?

Pas toen ik beter ging kijken, zag ik dat die eerste zinnen een soort mini-samenvatting van de inhoud van het hoofdstuk waren en dus wel degelijk de rode draad expliciteren. Althans, gedeeltelijk: de sectoren komen niet nader aan de orde, die zijn waarschijnlijk bekend bij de lezer. De indelingsprincipes, thema’s en criteria volgen in de paragrafen 2, 3 en 4. Definities banjert daar in z’n eentje dwars doorheen.

Als je het lezers moeilijk wilt maken, moet je het zo doen! 

Mijn idee voor een herschrijving:

Je kunt vanuit drie invalshoeken naar dit probleem kijken. In de paragrafen na ‘definities’ bespreken we die.

Nog niet de schoonheidsprijs, maar beter dan dit wordt het niet zonder grondige herverkaveling van de structuur. In boodschappen in plaats van analytische categorieën.

 

Tussenin-koppen

Afgelopen maandag werd ik er in een overleg met collega Roy van de Oberman Groep op geattendeerd dat er koppen zijn die het midden houden tussen analytisch en adviserend. Even later bedacht ik er een voorbeeld bij dat direct aansloot bij mijn ervaring op dat moment. Ik ervoer een probleem aan de OV-fiets waar ik op reed, en dat zou ik op drie manieren kunnen uitdrukken:

  1. De band is zacht (analytisch: constatering van een probleem).
  2. Pomp de band op (adviserend: oplossings- en actiegericht)
  3. De band kan wat meer lucht gebruiken (tussenin: oplossings- maar minder actiegericht)

Als koppen zijn alle drie de vormen geschikt, alleen zou ik het voor de derde variant lastiger vinden om de rode draad eenduidig aan te kondigen. Zo van: hieronder vindt u de oorzaken (1), hieronder vindt u de adviezen (2), hieronder vindt u wat er zoal aan zou kunnen gebeuren (3)?

Maar verder mooie oplossing voor als adviezen als te sturend ervaren worden. Dan moet je 3 misschien dus maar gewoon adviezen noemen? 

 

Papierloos heeft voor trainer nadelen

Gister had ik het over digitale ontwikkelingen, vandaag nog eentje, maar dan anders: elk digitaal voordeel hep z’n nadeel. Hier drie ontwikkelingen die ik als (deels) nadelig ervaar in mijn werk, en die alle drie te maken hebben met het oprukkende papierloze werken in organisaties:

  • Wat met m’n mooie spulletjes? De eerste is heel erg vanuit mijn eigen belang geredeneerd. Ik heb een paar jaar geleden schrijfmateriaal laten maken voor deelnemers aan trainingen: pen, blok en map. In toenemende mate kan ik dat niet meer kwijt, omdat er in steeds meer organisaties helemaal digitaal gewerkt wordt. Ze hebben dan zulke spullen niet meer nodig, maar ze kunnen ze eigenlijk ook nergens kwijt.
    Gister bijvoorbeeld, toen kreeg ik het van zes van de negen deelnemers weer terug, en mogelijk hebben de resterende drie het alleen meegenomen uit beleefdheid. Want de ‘teruggevers’ maakten hun excuses – ze ervoeren het wel degelijk als een cadeau, en dat geef je niet terug. Maar ze konden er niks mee. Hmm, wat nu? 
  • Misbaar om papier. Ik krijg steeds meer commentaar op het papier dat ik toch gebruik. Ik doe bijvoorbeeld werkvormen met eigen schrijfwerk die niet anders dan op papier kunnen, en dat leidt soms tot behoorlijk wat printwerk. Soms ook tot behoorlijk wat te veel printwerk, bijvoorbeeld als iemand rekent op tien deelnemers om een fors document mee te bespreken en een dat stuk met bijlagen print, en dan komen er maar vijf opdagen en de bijlagen hadden niet gehoeven. Ja, dat is zonde van het printwerk.
    Maar ik moet zeggen dat ik het misbaar dat sommigen daarover maken ook wel wat overdreven vind. In een wereld én organisatie van verspilling zijn een paar tevergeefse printjes geen wereldramp, en zo klinkt het tegenwoordig wel. Ik kreeg laatst bijvoorbeeld vrij pittige feedback over een papieren handout die volgens de feedbackgever meteen weer in de prullenbak zou liggen. Dat was een schande. En dat in een bedrijf waar ze in leaseauto’s rijden en voor van alles vliegen.
    Nouja, er is wel meer op milieugebied erg ‘penny wise, pound foolish’. Begrijp me niet  verkeerd: ik vind het wel degelijk zonde om bomen om te hakken voor zinloos printwerk. Maar waar gehakt wordt, vallen spaanders, en laten we een paar nutteloze printjes alsjeblieft zo zien, en niet als meer dan dat.
    (Overigens is het papier dat ik zelf gebruik gerecycled.)
  • Geen controle. In het verlengde daarvan: het probleem voor mij als trainer is dat ik over wat er op een beeldscherm gebeurt geen controle heb. In papierloze organisaties hebben mijn deelnemers hun laptop of tablet nodig om aantekeningen te kunnen maken. Dat is prima natuurlijk, maar ik kijk tegen de achterkanten van opengeklapte schermen aan, en ik zie niet wat er op dat scherm gebeurt – misschien wel filmpje kijken, en zeker af en toe e-mail lezen. En dergelijke. 
    Heel specifiek: ik heb ook geen controle op het invullen van de evaluatieformulieren. Een organisatie waar ik voor werk is – alweer een tijdje geleden – overgegaan op evaluatieformulieren voor de trainingen die de deelnemers op hun telefoon toegestuurd krijgen, zo’n beetje op het tijdstip dat de training afgelopen is. Vroeger waren het papieren formulieren die ik uitdeelde, de deelnemer in liet vullen en leveren, zodat ik ze verzamelde en meteen doorgaf. Dat was in vijf minuten gepiept en het ging alleen maar niet goed als er een deelnemer eerder weg moest. 
    Nu heb ik geen enkele controle over wat de deelnemers ermee doen, en dat gaat nogal eens mis. De ‘response rate’ is eigenlijk nooit 100 procent (ook al beloven ze het allemaal wel), sommigen vullen het pas dagen later in, en laatst kreeg ik van een deelnemer een mailtje dat ze het formulier niet had gehad, terwijl degene die er verantwoordelijk voor was, beweerde dat dat echt wel zo was. Ja, zoek het maar uit…
    Mijn indruk en die van een collega-trainer bij deze organisatie is dat bij een lage response rate en bij uitgesteld invullen onze gemiddelde score daalt. Hij kan zeer zeker dalen, ook wel meegemaakt, als er tussen het einde van de training en de evaluatie een groepsgesprek heeft plaatsgevonden waarin een belangrijke deelnemer zei dat hij/zij het niks vond – ook meegemaakt. Althans, dat was een keer de enige manier waarop ik de evalatieresultaten kon begrijpen, en die keer zat er lang tussen mijn laatste contact en de evaluatie.
    Papierloze organisatie – slechtere trainers? Wel dus als je op de evaluaties afgaat. Gelukkig weten de meeste organisaties de evaluatieresultaten wel te relativeren (daar zijn meer redenen voor, vooral dat het ‘pleasen’ van de deelnemers niet altijd leidt tot de beste training). Maar onhandig vind ik het wel.

Verdwenen: prezi en zwarte achtergrond?

Ai, alweer voor mijn doen lang niet geschreven. Dit keer simpelweg omdat ik te druk was, onder andere met in anderhalve week vier hele dagen in Amsterdam (met de huidige treinen-drukte geen sinecure). Al dat werkt heeft wel een boel schrijfinspiratie opgeleverd, dus ik maak mijn blogachterstand ook weer goed!

Eerst twee ‘goh, dat is lang geleden’-observaties:

  • Bij een opdrachtgever bespraken we een presentatie met een zwarte achtergrond. Ik kan me niet heugen een zakelijke, inhoudelijke presentatie gezien te hebben – dat is echt jaren geleden. Met ‘zakelijk, inhoudelijk’ bedoel ik dat de slides gevuld zijn met tekst, grafieken, tabellen en conceptuele beelden – ik heb zelf onlangs nog twee keer een presentatie gemaakt met een zwarte achtergrond, maar die bestond uit bijna alleen maar foto’s – van ‘Down Under’, want ik heb verhalen verteld over fietsen in Nieuw-Zeeland en op Tasmanië. De slides zijn dan echt dia’s, en dat is anders dan het materiaal waar ik bij mijn opdrachtgevers mee werk. Te anders, overigens – ik denk dat veel zakelijke presentaties ervan zouden opknappen als het beeld meer leidend werd.
    Maar goed, terug naar het punt: als ik het me goed herinner, deed McKinsey al toen ik daar twintig jaar geleden werkte de zwarte of donkerblauwe achtergrond in de ban. Om te printen is het hopeloos, en voor projectie noodzaakt het tot een verduisterde zaal, wat niet goed is voor de interactie. Allebei terecht, mijns inziens. 
    De presentatie had nu op één van de aanwezigen een grote aantrekkingskracht, vanwege het verrassingseffect van die achtergrond. Je kunt er nu dus juist mee opvallen! 
  • Toen het ging over presentaties en PowerPoint kreeg ik de vraag wat ik van Prezi vind. Vind? Vond. Althans, dat realiseerde ik me: ik heb al in geen jaren meer een Prezi gezien. Op dit weblog kan ik nagaan dat ik er in 2011 mee kennismaakte. Ik was er wel enthousiast over toen, al waren er ook wel wat nadelen, waarvan ik hoopte dat het kinderziektes zouden zijn. Belangrijkste voordeel ten opzichte van PowerPoint, zo kwamen we er ook op, is dat het meer samenhang kan bieden. PowerPoint kan alleen maar slides als een lineaire ketting achter elkaar zetten. Prezi kon in- en uitzoomen en daardoor bijvoorbeeld deel-geheelrelaties en hiërarchie visueel maken. Maar het heeft het niet gehaald, althans, dat is mijn observatie: het is weg. PowerPoint is te dominant, denk ik, en misschien waren de nadelen ook wel te groot? Dat is jammer. Van PowerPoint zien veel mensen al decennialang de nadelen, maar er verandert of verbetert niet veel aan. Typisch een winner-take-all-geval? 

Het waren allebei voorbeelden van iets waarvan ik me pas realiseerde dat ik ze heel lang niet had gezien toen het er weer eens over ging. Ik bedoel: ik heb ooit eens m’n laatste zwarte achtergrond en m’n laatste Prezi gezien, maar dat wist ik toen niet. En ineens is dat dan lang geleden! 

 

Ineens ruimte

Nog een reflectie op een intensief presentatie-voorbereid-proces. Twee weken geleden schreef ik hier dat ik op drie sporen tegelijk aan het denken, voorbereiden en slijpen was: vorige week hield ik drie verschillende, nieuwe presentaties, eentje daarvan twee keer. Het is allemaal goed gegaan en het was leuk. Ik plaatste hier al een terugblik naar één van de drie bijeenkomsten waar het over ging, en op mijn andere blog een stukje met foto van nog een andere.  

In die post van twee weken geleden had ik het erover dat mijn hoofd nogal vol zat. Achteraf gezien zat het nog voller dan ik toen in de gaten had, want afgelopen week werd ik me bewust van de ruimte die is ontstaan nu alles achter de rug is.

Ik heb nu niet bepaald niets te doen, maar wat ik te doen heb, is op een gegeven  moment wel echt af. Zoals woensdag. Ik moest die dag een training voorbereiden en daarvoor een aantal teksten van feedback voorzien en er fragmenten van in mijn presentatie verwerken – routine. Om 5 uur was ik klaar en we zouden pas om 7 uur gaan eten. Twee uur over. Echt over. Voor klusjes. En daar schoot ik ineens doorheen. Het ene na het andere verdween van mijn to-do-lijstje.

Ik realiseerde me dat ik al wekenlang in zo’n geval minstens de helft van die twee uur besteed zou hebben aan dat slijpwerk aan de verhalen en het presentatiemateriaal. Zo van: ‘nog even door mijn PowerPoint lopen’. Eigenlijk was ik daar bijna de hele tijd mee bezig, tenzij ik iets anders moest. Het gewone werk als onderbreking van het denk- en slijpwerk. Deze week stond het weer ‘gewoon’ centraal, en was ik dus soms ook ‘gewoon’ klaar.

Als ik intensief aan het voorbereiden ben, ben ik nooit echt helemaal klaar. Het denkwerk gaat altijd door. Ik realiseerde me deze week ook dat ik op momenten dat mijn geest kan dwalen, zoals tijdens de afwas en bij het sporten, niet meer in gedachten alvast het ene of het andere verhaal hoefde ‘af te spelen’. Mijn gedachten hoefden even nergens heen. Er kwam dus ook niks bijzonders, maar dat hoeft ook niet – het is wel even best zo. 

En wat in die laatste week gebeurde was dat ik zenuwachtig was. Ik heb geen spreekangst, vind het meer leuk dan eng. Maar ik heb wel degelijk gezonde spanning. Twee presentaties waren ’s avonds, en dan ben ik me er bijvoorbeeld van bewust dat ik niet te veel kruit moet verschieten om nog voldoende energie over te houden voor die presentaties. Op die manier beïnvloedt zo’n presentatie de hele dag. Ruim op tijd bereid ik alle praktische zaken voor. En dan, ja, uh… nouja, dan doe ik niet echt iets anders productiefs in elk geval! Gelukkig hoefde dat ook niet.

Dat is dus wat schrijven en presentaties voorbereiden doet met mijn tijd en met mijn geest: een heleboel ruimte innemen. Geen probleem. Als het maar niet altijd zo is. 

 

Ingevingen: geheugentruc?

Had ik vorige week nog een wandeling georganiseerd met als thema dat je zo lekker denkt tijdens het bewegen, lees ik vanochtend iets wat dat weerspreekt… In het boek Leven in cadans. Hoe je fietsend je hoofd verzorgt van Martijn Veldkamp staat dat het helemaal niet zo is dat je, bijvoorbeeld, op de fiets betere ideeën krijgt. Dat is alleen maar een illusie, althans, dat beweert Carsten de Dreu, hoogleraar op het gebied van creativiteit (volgens dat boek, dus, hè, op p. 67). Ingevingen op relatief ongewone momenten blijven je beter bij. Het is een truc van je geheugen.

Ik kan daar een eind in meegaan. Het voorbeeld van die ene keer dat ik tijdens het dweilen van de keuken een eureka-ervaring kreeg voor de tekst waar ik op dat moment mee worstelde, dat heb ik al zo vaak verteld, dat is een eigen leven gaan leiden. Meestal dweil ik de keuken zónder zulke invallen, dat is zeker waar, dus ik recycle een verhaal over een heel toevallige gebeurtenis en hecht daar wellicht te veel waarde aan.

Maar toch… en zo denkt Veldkamp duidelijk ook. Want vervolgens besteedt hij er een heleboel bladzijden aan om uit te leggen dat fietsen toch wel degelijk iets doet met je gedachten: ze ordenen, hoofd- en bijzaken van elkaar scheiden, er andere emoties bij betrekken, er nieuwe, zintuiglijke informatie aan toevoegen… Dat herken ik allemaal – en dat herkenden vorige week de wandelende tekstschrijvers ook. Dat kan toch niet alleen maar een geheugentruc zijn?

Maar mogelijk ontkennen we dus ook allemaal iets? Veldkamp deed een informeel onderzoekje onder fietsers, en daarin rapporteerde maar de helft dat ze merkten dat ze creatiever werden op de fiets. Maar, zo legt hij uit, dat is mogelijk zo omdat niet iedereen op dezelfde manier fietst. Voor dat lekkere denken moet je bijvoorbeeld alleen zijn, en wel een beetje, maar niet te prestatiegericht. Zo fietst niet iedereen.

Leuk boek trouwens – mij uit het hart gegrepen. Ik vind het wel net een beetje moeizaam dat Veldkamp, zoals ik hierboven al beschrijf, wetenschappelijk onderzoek losjes combineert met eigen, informeel onderzoek, interviews en eigen ervaringen. Daardoor haalt hij soms z’n eigen punten onderuit en is de draad in het betoog niet altijd even helder. Ik vond het vooral een feest van herkenning – of soms juist niet, ook interessant. 

Voor fietsen mag je ook andere repetitieve duursporten invullen, zoals wandelen, hardlopen en zwemmen. En de keuken dweilen! 

 

Getekstnetwerkt!

Dinsdag was ik bij Tekstnetwerken, het tweejaarlijkse evenement van Tekstnet voor ‘ontmoeting en ontwikkeling’. Het thema was ‘tekstschrijven en topsport’ en de locatie was dan ook Papendal. Ik was een paar maanden geleden benaderd om een presentatie te geven, en ik heb toen voorgesteld om in de pauze ook daadwerkelijk te bewegen, want dat zat nog niet in het programma. Daarmee had ik mezelf naast tweemaal die presentatie ook nog het begeleiden van een wandeling ‘op de hals’ gehaald. Met veel plezier trouwens. Een verslag van een dynamische dag! 

In de lunchpauze heb ik met een forse groep tekstschrijvers een wandelingetje gemaakt waarbij ik had voorgesteld om te praten over de positieve invloed van bewegen op schrijven. Omdat zo veel schrijvers de ervaring hebben dat je erg lekker kunt denken als je loopt, fietst – of tuiniert of schoonmaakt, dat kan ook. De groep was te groot om dat gesprek plenair te voeren, en ik heb zelf ook alleen maar een impressie: ik heb zelf waardevolle gesprekken gevoerd en ook nog wel wat leuks teruggehoord. Over de gesprekken, maar ook dat het gewoon lekker was om te lopen, en dat vond ik helemaal prima. Op de foto op het blog van Wout Sorgdrager zie je de sliert wandelaars vertrekken.

’s Middags gaf ik twee keer een ‘hoorcollege’ over hoe je met tekst kunt overtuigen. Dat was een snelle samenvatting van het vak dat ik anderhalf jaar geleden in Leiden gaf. Erg leuk om te doen voor zulke betrokken en goed geïnformeerde ‘studenten’, en op basis van wat ik terughoorde, viel het in de smaak. Hier is een actiefoto die Gert Hardeman maakte en op Twitter plaatste,  ik laat daar de samenvattende slotslide zien:

Ik voor projectiescherm

Het beeld drukt uit dat je maar heel weinig mensen kunt beïnvloeden, en dat die mensen teksten op twee manieren verwerken – en dat je dan nog steeds alleen maar hun attitude te pakken hebt, en dat is nog niet hun gedrag. Dus: bescheiden ambities, en dan zorgen dat je tekst aansluit bij die twee verwerkingsmanieren. Daar heb ik voorbeelden van laten zien, waarvan ongeveer de helft met dank aan de studenten van toen.

Tussen mijn twee optredens in hield Jan Renkema in dezelfde zaal een interessant betoog over het belang van ‘schaduwdoelen’ van lezer en schrijver. Ik herkende veel van wat hij zei, en hij gaf het een mooi vernieuwend kader. Ik vond het voorbeeld dat hij gaf bijna schokkend slecht. Dat was een brief van een gemeente aan bewoners van een achterstandsbuurt, en erin waren echt álle planken misgeslagen. Hij liet zien dat een beetje herschrijven dan niet werkt – als tekstschrijver moet je in gesprek met de schrijver om erachter te komen wat die werkelijk beweegt, en je moet in de huid van de lezer kruipen om erachter te komen hoe je die kunt bereiken. Daarna moet de tekst overnieuw.

En toen was de dag alweer zo’n beetje voorbij. Hij was omgevlogen, met in de pauzes ook nog een heleboel meer en minder (oude) bekenden met wie ik vluchtige praatjes maakte. Ik had het allereerste ochtendgedeelte overgeslagen (Rotterdam-Papendal per OV is een mijl op zeven), had nog wel de oefeningen meegepikt van Saskia van der Valk van Deskfit, dat was een interessante en leuke workshop.