Lastig, die fietsers – so what?

Ik zag net een krantenkop die illustreert waarom het formuleren van een (één) hoofdboodschap zo belangrijk is:

Nederland ‘best voorbereid’ op autonome auto’s, fietsers maken komst lastig.

Dat zijn twee boodschappen; het deel voor de komma stuurt richting ‘dus die gaan er komen’, het tweede richting het omgekeerde. Dus wat moet ik nou denken/vinden, wat is de so what

Die blijkt pas als ik ga lezen: 

de opbouw van Nederland maakt het lastig om de zelfrijdende auto een prominente plek te geven in stedelijke gebieden

Okee, weet ik dat – maar dan vraag ik me af waar het deel voor de komma op slaat. ‘Goed voorbereid’ wil kennelijk zeggen: qua technologie, acceptatie van consumenten, wetgeving en infrastructuur. Ik zie het die consultants in een modelletje zetten en afvinken. Maar dan denk ik: dan heeft het criterium ‘overige weggebruikers’ ontbroken in de analyse. Dus het deel voor de komma is (denk ik) de uitkomst van de analyse, en ojee, toen waren er ook nog fietsers, model overhoop. 

En dat denk ik óók omdat ik zulke restantjes van een analyse wel vaker zie, en wel vaker ook zie dat die in de weg zitten voor het formuleren van een eenduidige hoofdboodschap.

Nederland is helemaal niet goed voorbereid op autonome auto’s: te veel fietsers. Soms kan een bevinding in één klein hoekje van je analyse de hoofdboodschap doen kantelen.

Ik geef weer college – in loondienst

Ik heb één academisch jaar overgeslagen, maar inmiddels is het weer zo ver: sinds donderdag geef ik weer college, ben ik weer eens inval-universitair-docent dus. Opnieuw in Leiden, dit keer een vak dat ik zelf als student erg leuk gevonden zou hebben en dat ook weer een heleboel raakvlakken heeft met mijn ‘gewone’ werk en dus met dit weblog: tekst- en gespreksanalyse

We zijn donderdag goed begonnen: de studenten gaan onder andere aan de slag met een eigen tekst, en ik heb dat ‘afgetrapt’ met een eigen tekst: het eerste couplet van Into My Arms van Nick Cave, een tekst die ik geweldig én bijzonder vind. We hadden meteen al wat discussie over de interpretatie daarvan, en dat vond ik leuk. Dat interpretatie verschilt tussen lezers (en luisteraars) is een belangrijk inzicht dat ik de studenten hoop mee te geven en bovendien leer ik daar zelf ook van.

Ik zal op dit blog natuurlijk weer verslag doen van wat ik van het vak ‘meeneem’ voor de praktijk van zakelijk schrijven. Nu eerst even over iets anders dan de inhoud, namelijk: de arbeidsverhouding.

Tot de vorige keer, twee jaar geleden, kon ik voor de Universiteit Leiden werken als zelfstandige. In Utrecht kon dat al eerder niet, en nu bleek het ook in Leiden niet meer te kunnen. Dat werd pas duidelijk na een voor mij wat frustrerende onderhandeling erover, waarin ze iets boden wat voor mij een affront was. Maar daar bleek dus achter te zitten dat het niet meer mag, als freelance docent een vak geven. Van de Belastingdienst niet, en het breekpunt is dat er sprake is van een gezagsverhouding, iets wat sinds het afschaffen van de VAR en de mislukte invoering van de wet DBA belangrijker geworden is.

Enerzijds snap ik dat van de gezagsverhouding wel: de universiteit leidt op voor een erkend diploma en dus mag ik als docent niet zomaar wat doen. Anderzijds is het wat mij betreft een vaag schemergebied: mijn baas heeft letterlijk gezegd dat ik het vak naar eigen inzicht in mag richten, terwijl ik elders wel eens een door het bedrijf ontworpen training geef waarvoor in een draaiboek is vastgelegd wat ik van uur tot uur moet doen. Dat laatste doe ik wél als zelfstandige. Tsja.

Dus, ik ben in loondienst, voor dik 6 uur per week voor 6 maanden. Naast de bekende financiële nadelen daarvan (mijn eigen kosten voor pensioenopbouw, reserves voor slechte tijden, arbeidsongeschiktheid e.d. lopen gewoon door terwijl ik over salaris van alles afdraag waar ik niet of nauwelijks gebruik van kan of zelfs mag maken) zijn er nog twee andere nadelen aan verbonden:

  • Ik kan dit maar één keer per jaar doen, want bij een tweede keer zou ik ook nog eens m’n ondernemersaftrek kwijtraken, wat een paar duizend euro scheelt en dan zou ik dus bijna voor nop werken. Immers, nu kan ik nog voldoende uren naast die loondienst in mijn eigen bedrijf stoppen, maar met nog meer loondienst is dat niet meer reëel. Hier klopt wat mij betreft iets niet in het belastingstelsel, want zo’n enkel snippertje in loondienst verandert niets wezenlijks aan de manier waarop ik werk en  mijn bedrijf run, en dus ook niet aan het risico dat ik loop. Recht op een uitkering heb ik bijvoorbeeld niet, als ik straks in de zomer in Leiden formeel ‘op straat sta’. 
  • Ik word niet gecompenseerd voor de grote mate van flexibiliteit die de klus van me vraagt. Ik krijg nu een kleine 20 % van een voltijds salaris, voor 6 maanden. Ik ben fatsoenlijk ingeschaald, dus dat klinkt heel redelijk. Maar ik zou nooit een stuk of 12 van dit soort puzzelstukjes bij elkaar kunnen leggen, als ik fulltime zou willen werken en verdienen – dat lukt nooit. Daarom geldt in mijn werk als zelfstandige dat mijn uurtarief hoger ligt voor kleine klussen, en dat ik sowieso per uur behoorlijk wat meer moet verdienen dan iemand die een contract van 40 uur heeft, om er netto over een langere periode hetzelfde aan over te houden. Ik kan niet anders werken dan met gaten, loze ruimtes, tussen mijn verdienende tijd. Daar hoor ik voor gecompenseerd te worden, bij zo’n klein snippertje, en in mijn gewone werk spreekt dat voor zich. Maar voor de universiteit dus niet.

Dat ik toch ‘ja’ heb gezegd, is zakelijk dus eigenlijk niet te verantwoorden. Maar ik vind het erg leuk werk, ik begrijp hoe klem ze zitten (en na enig heen-en-weer begrepen ze vanuit Leiden mij ook), en het levert me immaterieel altijd heel veel op aan inspiratie en nieuwe kennis, en aan plezier van het contact met studenten en collega’s. Bovendien vinden veel opdrachtgevers het wel interessant dat ik ook nog wel eens wat doe aan een universiteit. Vooruit dan maar – de zaken lopen verder goed genoeg. 

Het laat mij wel zien dat de universiteiten enerzijds niet voldoende flexibel kunnen zijn, terwijl  er anderzijds een heleboel wetenschappers op tijdelijke contracten zitten die maar geen vast contract krijgen. Aan beide kanten onvoldoende maatwerk, lijkt mij. 

Praten met docenten adviesvaardigheden

Afgelopen woensdag was ik naar een bijeenkomst voor docenten adviesvaardigheden en consulting in het hoger onderwijs. Die vond plaats bij SIOO in Utrecht. Ik heb al een tijdje geen adviesvaardigheden meer gegeven, maar dat in het verleden wel gedaan en ik hoop ook dat het in de toekomst weer zo gaat zijn. En ik heb een boek geschreven dat in het hoger onderwijs gebruikt wordt. Vandaar dat de bijeenkomst zeker mijn interesse had.

En het was ook inderdaad leuk. Er waren zo’n twintig deelnemers, meest van Hbo-opleidingen, maar verder heel divers. Een deel van de bijeenkomst ging over een ‘whitepaper’ van SIOO over wat een adviseur moet kunnen maar het leukste vond ik om van de anderen te horen wat ze doen en wat daar de mooie en lastige kanten van zijn. Ik had daar graag nog verder over doorgepraat, want drie uurtjes ervoer ik als veel te kort – hopelijk gaat dat ook nog wel gebeuren, die intentie was er zeker. Ik heb ook nog enkele contacten gelegd waar mogelijk ook een vervolg op komt.

Eén klein dingetje dat me opviel was dat de docenten de term ‘beroepsproduct’ gebruikten. In de context van adviesrapporten is dat het ding dat de studenten in een praktijksituatie uitbrengen aan de opdrachtgever, en daarnaast schrijven nog een ‘verantwoordingsdocument’ voor de opleiding, bijvoorbeeld met de gebruikte literatuur erin. Dat was nieuw voor mij. Ik vind dat een goede ontwikkeling, omdat de praktijk vraagt om iets anders dan de schoolse manier van rapporteren, dat is één van mijn stokpaardjes (zie hier bijvoorbeeld).

Als het er maar niet toe leidt dat de indruk ontstaat dat je je ‘in het echt’ nooit hoeft te verantwoorden, of je adviezen met literatuur onderbouwen. Er zijn geadviseerden voor wie dat wel degelijk wenselijk is.  

 

Voor in de collectie slechte brieven

Vorige week kregen we een onverwachte brief van onze netbeheerder. Er staat ‘Factuur Storingscompensatie’ boven. Ik citeer:

<Netbeheerder> is verantwoordelijk voor het transport van  naar uw aansluiting. Wij streven ernaar om dit zo optimaal mogelijk te laten verlopen.

De onderbrekingsduur vangt voor alle door de onderbreking van de transportdienst getroffen aangeslotenen aan op het moment dat de netbeheerder de eerste melding van die onderbreking van een aangeslotene ontvangt.

Deze vergoeding bedraagt € 35 bij een onderbreking die van 4 tot en met 8 uur heeft geduurd, plus een bedrag van € 20 voor iedere 4 uur dat de onderbreking langer heeft geduurd. 

Dit betekent dat u in aanmerking komt voor een bedrag van € 35,00. 

Binnen 4 weken na dagtekening van deze brie zal dit bedrag aan u worden overgemaakt.

Daar gaat zo veel mis dat ik het hilarisch vind – een pareltje voor in mijn collectie slechte brieven! 

In de eerste zin ontbreekt een woord of een / ofzoiets tussen van en naar – daar staan wel twee spaties. Zo optimaal mogelijk is dubbelop, al vind ik dat niet heel erg. Ik zou ‘van elektriciteit’ toevoegen achter transport

De tweede alinea begint met de onderbrekingsduur, waarbij de suggereert dat die duur al bekend is uit de eerdere tekst. Dan volgt er een ingewikkelde formulering met joekel van een tangconstructie (‘door de onderbreking van de transportdienst getroffen’ zit klem tussen alle en aangeslotenen) die ik wel snap als ik ‘m een paar keer lees: zodra de stroomstoring gemeld is, begint de teller voor iedereen te lopen. En ‘de netbeheerder’, dat was in de alinea ervoor nog wij. Perspectiefbreuk, heet dat.

Deze in de volgende alinea suggereert ook weer dat er al sprake is geweest van een vergoeding, en ‘van 4 tot en met 8 uur’ moet je niet lezen als ‘van 16 tot en met 20 uur’, maar in tijdsduur. Okee.

In de laatste zin wordt pas echt zonneklaar dat dit ding wel factuur heet, maar dat we geld krijgen. Maar waarvoor precies? We kunnen ons twee stroomstoringen herinneren uit de afgelopen maanden. Heeft de eerste daarvan 4 uur geduurd, nee toch, zo lang? De tweede was zeker korter. Een datum is nergens in de brief te vinden.

Op de factuur staat dan ook nog dat het bedrag op de dag van de dagtekening is overgemaakt, da’s wel wat sneller dan binnen 4 weken. Het is een ‘factuur voor onderstaande kosten’ en die bedragen € -35.00.

We zijn blij met die 35 euro, hoor. Maar dit kan echt wel beter! Zoiets als:

Op <datum> was er bij u een stroomstoring. Dat spijt ons: we doen ons best de stroomvoorziening optimaal te verzorgen. De storing duurde langer dan vier uur en daarom heeft u recht op compensatie. We hebben daarom vandaag € 35 naar u overgemaakt.

Volgens mij ben je er dan al. Tenzij de juridische afdeling nog wat te mekkeren heeft over de berekeningen van tijdsduur en vergoeding. Dat zou ik dan op een website zetten en in de brief verwijzen met een linkje (‘wilt u precies weten hoe de vergoeding is berekend, ga dan naar…’).   

 

Uitzicht (2)

In augustus postte ik hier een keer over de fraaie uitzichten bij sommige van mijn opdrachtgevers. Afgelopen vrijdag zat ik in Amsterdam op de 22e verdieping en nam ik deze foto van het uitzicht recht naar voren uit het raam:

Grijs vlak

Als je klem tegen het raam ging staan, zag je beneden nog net de grond, zo mistig was het. Het had iets vervreemdends: mijn ogen wisten niet waarop te focussen en het leek alsof we in een grijze cocon zweefden! 

 

Steenkolen

Ik ben de laatste tijd twee voorbeelden tegengekomen van echt steenkolenengels: English that has gone Dutch. Beide neerlandicismen waren in de organisatie in kwestie een eigen leven gaan leiden en werden dus niet meer als fout ervaren:

  • Your ask, voor your request of question, dus ask als een zelfstandig naamwoord, als ons vraag. Mogelijk is dat trouwens geen neerlandicisme: enig googlen leert me dat mogelijk wel klopt wat ze daar zelf over zeiden: dat het consultant-jargon is voor ‘wat is het dat de cliënt wil dat we doen’. Ik ben het verder nog niet tegengekomen, en dat het consultees is, lijkt me ook een reden om het niet te gebruiken.
  • Plan of approach, voor plan van aanpak, waar Engels approach of action plan zou zeggen, volgens mij, eventueel in combinatie met proposed of proposal. Ik vind het op Google wel, maar opvallend veel op Nederlandse sites, dus dit lijkt me wel degelijk een steenkooltje.

Niks mis met het passief?

Ik heb hier vaker geschreven over de moeite die ik wel eens doe om al te zwart-witte oordelen over de lijdende vorm wat te nuanceren. Die vermaledijde passief heeft echt wel eens nut, en de zin simpelweg actief maken is zeker niet altijd beter. Vorige week vond ik mezelf ineens terug in een omgekeerde discussie – ik wist niet wat me overkwam.

Ik begeleidde een stijlworkshop voor jonge consultants. Ik gebruikte daarbij de klassieker ‘Strunk & White’ (The elements of style). Eén van de adviezen daarin is ‘schrijf actief’ en gezien de teksten die ik wel eens zag van het bedrijf in kwestie leek dat me geen slecht advies. Tot mijn verbazing zagen de deelnemers geen enkel bezwaar tegen het passief, sterker nog: ze hadden zo leren schrijven, op de universiteit. Daar was hen nadrukkelijk verboden om bijvoorbeeld ik of we te gebruiken in verslag van onderzoek, dus niet ‘we hebben deze stappen gezet’ en ‘ik heb zus-en-zo gedaan’ maar ‘er werden stappen gezet en er werd zus-en-zo gedaan’. 

Ik legde uit dat dat wat mij betreft een jammere conventie is, die gelukkig niet in elke discipline even hardnekkig is. Dat er niets natuurlijker is dan schrijven vanuit het perspectief van de handelende persoon, zeker als jij dat zelf bent – iets wat ik kan beargumenteren op basis van mijn proefschrift, maar dat hoeft helemaal niet. Want helemaal niemand vertelt bijvoorbeeld over z’n eigen vakantie in termen als ‘en toen werd het vliegtuig genomen’ en ‘op de camping werd de tent opgezet’. 

Dat was niet het goede voorbeeld, want een zakelijke tekst is geen vakantieverhaal, vonden ze. Zo bedoelde ik het niet, ik bedoelde alleen maar dat de lijdende vorm een gezochte, gekunstelde keuze is als het gaat om te vertellen over wat je zelf hebt gedaan. 

Nou, dat ervoeren ze dus niet zo. Niks mis mee, met dat passief.

Ik liet ook nog een voorbeeld zin van een instructief bedoeld stukje tekst van vier zinnen met daarin zeven passieven, waardoor voor mij niet duidelijk was wie nu wat moest doen. Vonden ze ook geen probleem. Zo hoorde dat, zakelijk schrijven.

Aiai, wat leert de universiteit studenten toch een rare schrijfhouding aan. En wat is het moeilijk om jonge professionals daaruit los te weken. Wat ik heb aangeraden: vooral veel goede teksten lezen, liefst literaire. Om weer gevoel te krijgen voor wat goede schrijftaalzinnen zijn. 

Dat ze een beetje vervreemd waren van goed schrijven, dat wilden ze gelukkig wel van me aannemen.

Drie leuke dingen uit Schrijven

In de huidige editie van Schrijven Magazine (06-2018) staan een boel mooie artikelen. Dat valt me extra op, omdat het tijdschrift in mijn ogen best wel vaak in herhaling valt: heel vaak dezelfde soort schrijftips bijvoorbeeld, of weer een debutant aan het woord met in andere woorden gelijksoortige ervaringen. Zelf een boek schrijven, het thema van het tijdschrift, tsja, het houdt wel een keer op met wat je daar voor nieuws over kunt zeggen.

Of niet? In deze editie vond ik een paar dingen toch echt wel vernieuwend – ik houd m’n abonnement maar weer aan! Ik haal er drie dingen uit:

  • Een tamelijk filosofisch artikel van Ton Rozeman over hoe verhalen heel vaak gaan over verhalen, in de zin van dat onze persoonlijkheid uit verhalen bestaat, en zo ook de literaire personages. Verhalen die je jezelf vertelt, c.q. die de personages zichzelf vertellen of zouden kunnen vertellen, en die doorklinken in het boek.
  • Een mooie observatie van Hetty Kleinloog over hoe iets wat eerst alleen maar in haar hoofd bestond en op papier, uiteindelijk iets werd van vlees en bloed. Kleinloog is namelijk schenarioschrijver, en in een van haar scenario’s kwam een kameel voor. Ze had nog gedacht: dat wordt een probleem voor de producent, een  echte kameel in de studio halen. Maar nee hoor,  en zo stond haar idee ineens ‘levend, kauwend en poepend’ voor haar neus – aaibaar en riekend, met twee bulten (p. 33)! Dat lijkt me een geweldige ervaring!
  • Wel in herhaling, maar ik blijf het graag beamen: Rosita Steenbeek heeft als derde schrijfadvies ‘Ga wandelen’ (p. 65). Eerst een tijdje schrijven, dan lopen – om het lopen, niet om schrijfproblemen op te lossen. Maar dat gebeurt dan toch. Ineens valt er iets op z’n plek. En naderhand ga je met frisse ogen verder. En ja, dat geldt óók voor zakelijke schrijven! 

 

Gekke zin: opgeroepen uitvoerder in beknopte bijzin

Op mijn bureau ligt al een tijdje een briefje met een zin erop die ik op de radio hoorde en zo opmerkelijk vond dat ik ‘m meteen heb opgeschreven. Het briefje ligt er al zo lang dat ik vergeten ben wanneer en in welk programma precies, het moet Radio 1 geweest zijn, voor de kerst.

Het gaat om een beknopte bijzin, en daar gaan wel vaker dingen mee mis. Het voorbeeld uit mijn leerboek van vroeger zit nog steeds in mijn hoofd:

Zwaaiend reed de auto met de koningin voorbij.

Dan zwaait dus de auto, niet de koningin. Zie uitleg en andere voorbeelden.

Nou de zin die ik opschreef:

Zeilend op een schip werd een experiment uitgevoerd.

Alleen naar de grammatica kijkend klopt deze zin niet: het onderwerp van de hoofdzin is een experiment en dat kan niet zeilen. Maar de hoofdzin is een lijdende vorm, en die roept standaard de gedachte op aan een handelende persoon, dus een de ‘uitvoerder’ van dat experiment (zie mijn proefschrift). Die uitvoerder ‘zweeft’ dus ergens boven de zin, en die is waarschijnlijk ook de zeiler. 

Ik vind de zin dus een extra argument voor wat ik in mijn proefschrift betoog: dat de lijdende vorm de handelende persoon oproept. Dat vind ik interessanter dan of de zin ‘fout’ is of niet. Ik snap ‘m in elk geval wel. In een tekst zou ik hem overigens wel corrigeren.