Piekschrijven (2)

Afgelopen zomer besprak ik hier enthousiast het boek Peak Performance. Ik schreef daarin:

Als klap op de vuurpijl werd vroege intekenaars een extra stuk van Stulberg beloofd over ‘peak performance’ in het schrijven. Ik watertandde! Nou moet dat extra stuk nog komen, dus daar kom ik later nog op terug.

Dat extra stuk, een handout, dat kwam maar niet, en toen het er na mijn terug-van-weggeweest nog steeds niet was, heb ik er een mailtje aan gewaagd en toen kreeg ik het per kerende post.

(Terzijde: ik ben ondertussen een klein beetje benieuwd of de vertraging te maken heeft met Stulbergs overspannenheid. Want dat is hij geweest, althans, hij noemt het zelf ‘mental illness’. Hij is er open over (zie hier), wat bewonderenswaardig is, vind ik – hij is tenslotte zelf stress-expert. Hij vindt grotere openheid – terecht – belangrijk. En oja, dat weet ik omdat ik hem en co-auteur Magness op Twitter volg; (ze inspireren me zeer – binnenkort post ik hier een resultaat daarvan).

Het is een mooie handout, ‘Brad’s writing principles’, waar ik instemmend van ging knikken, bijvoorbeeld bij van die adviezen als ‘Write daily’ (ja, oefening baart kunst), ‘Read daily’ (ligt minder voor de hand maar heb ik vorige week nog aan iemand aangeraden die vond dat hij onvoldoende gevoel had voor schrijftaal), ‘Don’t write and edit at the same time’ (yep, scheid die fasen die zo sterk verschillen in de rol van de interne criticus). 

Die adviezen zijn niet heel revolutionair, maar eentje is in veel schrijfadviesliteratuur totaal afwezig: ‘Exercise daily’. Stulberg werkt dat als volgt uit (het is een handout, dus allemaal beknopt):

My best everything—from ideas for articles to sentences to titles—always seem to pop into my mind during aerobic exercise.

Ja, bij mij ook, en ik weet dat het nog bij meer mensen zo werkt.  Het gaat er wel eens over, maar meer in kringen van filosofen (Marc Van den Bossche heeft er uitvoerig over geschreven, bijvoorbeeld in zijn boek Wielrennen) en duursporters – ik heb zelf ook wel eens kleine duiten in dat zakje gedaan. Maar in standaard schrijfadviezen is dit advies afwezig. Super goed dat Stulberg het wél opneemt.

 

Bordjes Down Under (8, slot): Nog wat leuke dingetjes

Als laatste in de serie over de bordjes Down Under nog zes losse andere leuke dingetjes uit de verzameling schriftelijke communicatie in de publieke ruimte.

Eerst eentje waar ik wel wat van ging fronzen, maar ze bedoelden het niet slecht, geloof ik – op een camping in Greymount, Nieuw-Zeeland:

Kitchen-womenDe keuken en het dames-sanitair waren te bereiken via hetzelfde doorgangetje.

Erg leuk vond ik de borden die je echt maar in één land kan aantreffen, zoals dit in Nieuw-Zeeland:

Of deze, dat moet wel Tasmanië zijn (Tasmaanse duivel):

In Nieuw-Zeeland staken we de moeder aller T-splitsingen over: alle bestemmingen beginnen met een T:

Van de richtingaanwijzers is dit een mooie:

IMG_4983

Gemaakt in Alice Springs, waar de vorige post over ging. Van die stad is álles ver weg, zeker als je weet dat pas Darwin en Adelaide steden zijn, de rest zijn vlekjes. Alice Springs dankt haar ontstaan aan de telegraafverbinding tussen Melbourne en (uiteindelijk) Londen; we bezochten er het oorspronkelijke telegraafstation, met deze poster:

In Alice Springs spelen ze ook met de naam van hun stad:

Vaker grappig: de koosnaam voor Tasmanië is Tassie, de inwoners zijn Tassies. Voor ons grappig natuurlijk, sowieso, maar zeker in samenstellingen. Het busbedrijf heet Tassielink, in bier zat ‘100  % Tassiehops’, ‘Tassie souvenirs’ verkocht andere dingen dan alleen tassen, enzovoort. Of wat te denken van deze  reusachtige beschildering op een mineraalwaterfabriek:

Love from  Tassie

Dan waren er natuurlijk bordjes met spreuken. Deze foto is van Tasmanië, maar ik had de spreuk ook al in Nieuw-Zeeland gezien:

In datzelfde koffietentje stond dit, ook al onvertaalbaar:

* * * 

Zo komt er een eind aan de serie, ik ben alweer vier weken terug en heb de draad weer opgepakt. Wie meer wil zien van onze reis: ons dagelijks journaal is te lezen op Polarsteps, alle foto’s staan op Flickr en we hebben een verhaal geschreven als antwoord op de vraag wat het hoogtepunt was van de reis. Daar zou eigenlijk ook nog best iets bij mogen over de bordjes. Dat ging met kleine beetjes tegelijk maar leverde wel stof op voor maar liefst acht blogposts! 

Zon en andere columns

Net uit: Oase Magazine, jaargang 10, nummer 4, met daarin van mijn 6 mini-columns over sport. Of althans, vijf gaan er echt over sport, de zesde gaat over ‘zon’. Ik schreef hem in Nieuw-Zeeland, waar we elke dag letterlijk met de noorderzon vertrokken. Van de vijf andere columns passen er twee bij het thema ‘moe’, hmm, ik hoop dat dat niet iets zegt over mij! 

Bordjes Down Under (7): Een ander perspectief

‘Bordjes’ is een wat te beperkt begrip voor waar ik het vandaag over wil hebben, het waren posters en afbeeldingen van schilderijen, maar vooruit, het past wel in de serie. Twee verschillende observaties.

  1. Up Above? 

Ik had me voor ons vertrek gerealiseerd dat het hele idee van Australië en Nieuw-Zeeland als zijnde ‘Down Under’ relatief is: gezien vanuit onze positie op de traditionele wereldkaarten en -bollen. De aarde heeft geen absolute boven- en onderkant, dus wat beneden en boven is, is een kwestie van conventie. Vandaar dat ik het leuk vond om op een camping in Nieuw-Zeeland deze wereldkaart aan te treffen:

Dubbel omgekeerdDe conventie is hier twee keer omgekeerd: boven- en onderkant zijn omgewisseld, en de aarde is op de andere kant door midden geknipt om horizontale project mogelijk te maken. Conventioneel is dat die ‘knip’ door de Grote Oceaan gebeurt, hier is de Atlantische in twee stukken verdeeld. 

Als je de Grote Oceaan doorknipt, is Nieuw-Zeeland de uiterste periferie; ik heb wel wereldkaarten gezien waar het land zelfs helemaal niet op staat. Als je dat omdraait, is Europa de periferie (rechts onder) en valt beter op uit wat een boel pietepeuterige kleine landjes ons continent bestaat. Ik vind dat heerlijk relativerend. Ik heb inmiddels zelf een ‘Pacific-centered’ wereldkaart gekocht om als poster op te hangen in mijn werkkamer. 

2. In vogelvlucht

In wat de indrukwekkendste lezing was in mijn jaren als promovendus in de taalkunde leerde ik in 1994 over het bijzondere perspectief dat Aboriginals in hun kunst (en in hun taal!) innemen: vanuit vogelvlucht, of helicopterperspectief. Dat is heel anders dan het onze: wij zijn geneigd zijn om dingen af te beelden (en te benoemen) vanuit ons eigen gezichtspunt. Die lezing (het was tijdens de First International Summer Institute in Cognitive Science, SUNY Buffalo, en ik meen me te herinneren dat een van de sprekers David Wilkins was, maar ik weet dat niet zeker meer) vond ik deels zo interessant omdat  mijn eigen onderzoek ook net het terrein had betreden van hoe taal een reflectie is van ons perspectief op de wereld, maar vooral ook omdat ik me toen realiseerde hoe anders het kan zijn, en dat het wellicht mogelijk is om een minder egocentrisch wereldbeeld te hebben. Sindsdien wilde ik naar de plek waar die lezing over ging: Alice Springs, die stip op de kaart van Australië midden in het grote niks van de woestijn, terwijl alle andere stippen in dat grote land aan de kust liggen, op meer dan 1000 kilometer afstand. 

Welnu, ik ben in Alice Springs geweest, een van de hoogtepunten van onze reis, en ik heb inderdaad voorbeelden gezien van dat bijzondere perspectief. We konden twee voorbeelden op de foto zetten. Hier zie je twee mensen die rond een waterhole zitten, met een windscherm naast zich ter bescherming, of, kort gezegd: ‘a good place to sit’:

En dit is een rivier, nouja, droge rivierbedding, maar rivieren zijn daar meestentijds droog:

En dat is dus het gewone perspectief, hè, voor de Arrernte, het volk dat van oudsher in de omgeving van het huidige Alice Springs leeft. Fascinerend. Temeer omdat de Aboriginals een superieur richtinggevoel en oriëntatievermogen hebben, bijna alsof ze hun land vanuit de lucht kennen. En dat kan nu wel zo zijn, maar ze konden dit al lang voordat de vliegtuigen, de helicopters en de landkaarten kwamen. Landkaarten hebben ze helemaal niet nodig, dat is iets voor die suffe westerlingen. En toch zijn het ook gewoon mensen, net als wij…

 

Begrijpelijkheid meten

Vandaag promoveert Suzanne Kleijn in Utrecht op een proefschrift dat een nieuwe leesbaarheidsformule voorstelt. Met een applicatie gebaseerd op die formule kun je de moeilijkheidsgraad van teksten meten, om te bepalen voor welke doelgroep een tekst geschikt is. Althans, voor middelbare scholieren. Voor volwassen lezers is de wetenschap nog niet zo ver.

Ik ga niet naar de promotie, ken ook het proefschrift niet, heb er wel wat over gelezen en wilde er daarom nu even over schrijven, vooral omdat dit onderzoek duidelijk maakt dat het meten van begrijpelijkheid helemaal geen uitgemaakte zaak is. Er wordt nogal anders beweerd, onder andere vorige week in reclamespotjes op Radio 1 over het meetinstrument Klinkende Taal. Elk meetinstrument op de huidige markt is drijfzand, natte-vingerwerk. Het beste wat je erover kan zeggen is dat het bij kunnen dragen aan tekst-bewustwording. Het slechtste is dat ze schijnzekerheid bieden, en een veel te beperkt beeld van begrijpelijkheid en goed schrijven. 

Als je begrijpelijk wilt schrijven voor een volwassen doelgroep en je komt er zelf niet uit, betrek er dan een goede tekstschrijver bij. Daar kun je hetzelfde van leren als van een meetinstrument, en nog veel meer.

Voor die middelbare scholieren in het onderzoek bleken er zes tekstkenmerken een rol te spelen in de begrijpelijkheid:

  • woordfrequentie: veel voorkomende woorden zijn makkelijker
  • concreetheid: concretere woorden zijn makkelijker 
  • verbindingswoorden: maken de tekst makkelijker (althans, een klein beetje – dit kenmerk heeft het niet tot in het computerprogramma geschopt)
  • informatie per deelzin: hoe minder, des te makkelijker
  • tangconstructies en aanverwanten: maken de tekst moeilijker
  • bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden – idem.

Bordjes Down Under (6): Betutteling & schone schijn

Fietsen in Nieuw-Zeeland is weliswaar fantastisch, maar het heeft ook een groot nadeel: je rijdt soms op te drukke en te smalle wegen waar automobilisten te dicht langs je komen. Er is een alternatief: de ‘cycle trails‘, fietsroutes die stevig gepromoot worden. Zo heeft elke ‘trail’ een eigen website, met – opnieuw – heel veel tekst (voorbeeld). 

Als fietser zou ik ook een heleboel kunnen zeggen over de trails (wat ik overigens ook ga doen: ik houd in juni een praatje bij Bike4Travel over fietsen in Nieuw-Zeeland), maar in het kader van deze serie over de schriftelijke communicatie op bordjes waren de trails soms ook zeer opmerkelijk, vooral de Great Taste Trail,  waarvan we het gedeelte tussen Motueka en Nelson reden. 

Ook hier weer een stortvloed aan bordjes met veel woorden erop, waarvan ik een groot deel niet anders kan omschrijven dan als betuttelend. Een selectie:

  Sharp bendVooral die laatste is hilarisch: je wordt daar gewaarschuwd omdat je op een weg komt, nou, kijk daar links, wat een lévensgevaarlijke snelweg daar aankomt! 

Nou moeten Nederlanders natuurlijk niet onderschatten hoe onwennig fietsen kan zijn voor mensen uit andere landen. Maar toch denk ik: als je bij het leren fietsen niet ook geleerd hebt uit te kijken voor bochten, wegen, voetgangers enzovoort, dan ga je het door zulke bordjes zeker niet doen. Sterker nog: als je alles gaat lezen, let je juist niet op het verkeer. En word je ook niet een beetje kleuterig van zo onvolwassen behandeld worden? 

Een soortgelijke opmerking maakte ik een keer over de talloze bordjes ‘slippery when wet’ langs de kant van de weg. Volgens mij kun je beter tijdens je rijles leren dat wegen glad kunnen worden van nattigheid dan dat op honderden bordjes schrijven. Er stond soms ‘next 23 kilometers’ achter, en dan dacht ik wel eens: over 23,1 kilometer staat het volgende bordje.

Opmerkelijk was ook dat we ook op de Great Taste Trail weer door de bomen het bos misten, of dat er toch nog cruciale bordjes ontbraken. We zijn namelijk een keer van de route afgeraakt en op de grote weg terechtgekomen (lévensgevaarlijk – kuch), en we hadden ook moeite met dat vinden wat de Great Taste Trail bijzonder maakt: de vele brouwerijen langs de route. Goed de weg aangeven, nou juist in onze ogen het allerbelangrijkste, lukt toch niet zo goed. Of er verzoop wat voor ons tussen de vele bordjes. Want dat effect is er natuurlijk ook: het zijn er zoveel, je kijkt er niet meer naar.

We kregen er wel wat jeuk van, dat je ze graag iets zou willen leren over de Nederlandse fietsinfrastructuur. Die is ook niet ideaal, maar een paar dingen gaan hier wel goed. In elk geval gaan we ervan uit dat fietsers en andere weggebruikers een béétje weten wat ze doen… 

Iets anders wat ons bij de trails parten speelde is dat waar wij informatie verwachten, de communicatie vooral promotie was. Het voor ons meest vervelende voorbeeld daarvan was de Ohakune Old Coach Road. In de tekst staat:

Mostly smooth terrain and just a few moderate hill climbs make this trail suitable for most abilities.

Op een andere site staat hij als ‘grade 2: easy’ en in een papieren folder stond iets als geschikt voor het hele gezin. Dus wij dachten dat dat wel kon op onze bagagefietsen; grade 2 hadden we eerder gedaan.

Nou, niet dus. Het werd de zwaarste ochtend van de hele reis, we hebben 3 uur gedaan over 14 km, ik heb meer dan de helft moeten lopen en ben door al het duwen aan mijn fiets geblesseerd geraakt aan een schouder…. Dat zat hem vooral in de enorm grove ondergrond van heel slecht liggende stenen (kasseien in het kwadraat). Later begrepen we dat de ‘grades’ vaak naar beneden geflatteerd worden, want dat geeft grotere subsidiemogelijkheden. 

Een ander voorbeeld: in de intro van de tekst over de Kaipara Missing Link Trail staat:

The missing link to this cycle tour involves a boat trip across the Kaipara Harbour.

Nou leuk, denk je dan. Totdat je je goed in de tekst ingraaft. Er is daar namelijk helemaal geen veerboot ofzoiets; die oversteek moet je zelf regelen en het charteren van een boot kost € 300! Of je moet proberen te liften met vissers. Helemaal onderaan de pagina krijg je daar misschien een eerste vermoeden van, maar ik keek toch aardig op mijn neus toen ik doorklikte naar de details. Dat is toch bepaald geen detail – dit kun je toch geen serieuze doorgaande fietsroute noemen?

Het viel me vaker op in Nieuw-Zeeland: het land lijkt een beetje in een droomwereld te leven, waarin de schijn van voorlichting (en zelfbeeld) mooier is dan de werkelijkheid. Leren nieuwzeelanders zelf om door de reclame heen te lezen en er de echte informatie uit te halen? 

Maarre… we hebben verder geweldig gefietst, hoor, in Nieuw-Zeeland! Je moet dus wel een beetje weten wat je doet, maar ik kan het aanraden. 

 

Bordjes Down Under (5): ontkenningen

Het ‘bordje’, nouja, de tekst op het autowrak in mijn vorige post in deze serie bevatte een ontkenning: don’t drink and drive. Nu is het nadeel van ontkenningen dat ze oproepen wat nou net niet de bedoeling is. Het beroemde voorbeeld daarvan is ‘denk niet aan een roze olifant’. Wat zit er prompt in je hoofd? Of ‘kijk niet naar rechts’ – de neiging is bijna onbedwingbaar.

Nou denk ik dat het niet zo vaak gebeurt dat een automobilist op basis van ‘don’t drink and drive’ acuut een borrel achterover slaat, maar ik zag in Nieuw-Zeeland wel een ander voorbeeld – niet op de foto maar ik vond hem wel online (even scrollen): ‘100 – it’s not a target’. De maximumsnelheid in Nieuw-Zeeland is 100, op wegen waar wij 80 al als hard zouden ervaren: tweebaans, smal en bochtig (het land heeft een enorm infrastructuurprobleem, waar wij als fietsers ook last van hebben gehad, maar dat terzijde).

Mij lijkt die ontkenning zo’n gevaarlijke. Ik kan me heel goed voorstellen dat er mensen zijn die prompt kijken of ze dat target halen, en zo niet: gas erbij. Of het als uitdaging zien om het target te overtreffen natuurlijk, want dat is helemaal mooi. 

Grappig is trouwens dat het bord op de foto van de link hierboven zichtbaar op een andere manier als target is gebruikt, voor erop schieten, en dat snap ik dan dus ook.

Op de ontkenning volgt ‘Drive to the conditions’, dat is een positieve formulering, maar daarvan zagen we op Tasmanië ook wel weer het lastige: onder veel maximum-snelheidborden daar stond ‘Changing road conditions’ (te zien op deze pagina, ook weer even scrollen). Die vond ik vaag, vooral omdat het geen boodschap is. Ik heb even gezocht, en ik vond dit (bron):

The message is to let drivers know that rural roads are not consistent, have a changing alignment, that there may be shoulders on some sections but not on others, or that lane widths may be inconsistent.

O, nou, dat stáát er niet, ik had het zo ook niet geraden. Ik dacht meer aan veranderlijke omstandigheden, zoals bij slecht weer. Bovendien lijkt mij dat als de weg zo slecht is dat 100 eigenlijk te hard is, er een andere maximumsnelheid zou moeten gelden. 

Mij lijkt dit bord, ook van Tasmanië, effectiever:

What's around the corner?We vonden het als fietsers ook wel grappig om gelijkgeschakeld te worden aan kangoeroes! 

Een andere problematische ontkenning troffen we aan in Melbourne:

No junk mailSoms héél vaak:

Heel veel keer No junk mailNiet alleen de ontkenning is hier lastig en daarin zijn deze stickers niet anders dan onze ‘nee-nee’-stickers. Problematischer is het begrip junk mail. Want daar loopt een bezorger een prachtige reclamefolder rond te brengen, en dat is toch geen troep (junk)? 

Misschien lijkt dat vergezocht, maar zo redeneren reclamemakers: wat zij hebben is een prachtig aanbod. Mij lijkt ons ‘geen ongeadresseerd drukwerk’ preciezer en dus effectiever. Ondanks de ontkenning.

Bordjes Down Under (4): onterecht vertrouwen

Met die vele bordjes overal was de gedachte al eerder door mijn hoofd gegaan dat ze ‘Down Under’ kennelijk nogal vertrouwen op de effectiviteit ervan. En dat is een illusie: tekst is een heel zwak middel om tot gedragsverandering te komen. In een gesprekje dat ik had met een reisleider van een excursie die we helemaal aan het eind van de reis deden, werd die gedachte bevestigd – al heb ik geen idee hoe representatief zijn mening was.

Die excursie was in de Australische ‘Outback’: de reusachtige, vlakke en bijna onbewoonde woestijn in het midden van het land. Die wordt doorsneden door bijna kaarsrechte wegen, en daarop rijdt maar heel weinig verkeer. Volgens onze gids was het risico op een auto-ongeluk daarom ook heel beperkt. Ik bracht daar tegenin dat juist op zulke wegen het risico van in slaap vallen of een soort ‘blindheid’ (wat wij polderblindheid noemen) groter is. Zijn repliek was dat daar voldoende voor gewaarschuwd werd door middel van borden langs de weg.

Inderdaad hadden we die borden wel zien staan – we hebben ze overigens niet op de foto. Het ging om boodschappen als ‘Fatigue kills’ en ‘Plan your break’. Op zich prima natuurlijk, maar toch ook nogal machteloos. In elk geval zou ik er niet op vertrouwen dat die borden echt uitmaken. Al is het maar omdat je ze amper waarneemt als je rijdt. Want dat is het onhandige aan teksten: je kunt ze heel makkelijk negeren.

In Nieuw-Zeeland speelt het vermoeidheidsthema minder. Rijden onder invloed was daar een veel zichtbaarder thema, ook weer op een boel borden, maar ook op een manier waar ik iets meer waarde aan hecht: door in elke kroeg alternatief vervoer aan te bieden.

En ook nog een enkele keer op een manier die in elk geval wat meer aandacht trekt en inspeelt op ‘fear appeal‘ (overigens ook een twijfelachtig middel):

Autowrak met tekst

Bordjes Down Under (3): Gebruiksaanwijzing wc

Die vele bordjes en de grote hoeveelheid tekst daarop, waar ik het eind vorige week over had, die zijn typerend voor een immigratieland: een samenleving waarin mensen uiteenlopende achtergronden hebben, en dus een boel niet vanzelf spreekt en dus verbaal verduidelijkt moet worden. Nouja… zo heel duidelijk waren de bordjes dus niet altijd, maar het zijn wel pogingen om iets te expliciteren wat kennelijk niet vanzelf spreekt.

Het meest extreme voorbeeld daarvan vonden we dit:

Niet op hurken, maar op zittenZo’n gebruiksaanwijzing voor een wc zagen we, in allerlei varianten, vaak met maar één van de twee boodschappen, en vooral in Nieuw-Zeeland. In dit geval is het niet zozeer het immigratie-karakter van het land dat zoiets expliciteren noodzakelijk maakt, maar het toerisme, vooral uit China. Hier is dat te zien aan de karakters. Wij zijn via China gevlogen en inderdaad had het vliegveld van Guangzhou (Kanton) ook hurktoiletten. 

We hebben ook wel varianten gezien met veel meer tekst, vooral over dat wc-papier, met een hele uitleg erbij dat Nieuwzeelandse waterleidingen zijn aangelegd om wc-papier te verwerken en dat je het daarom rustig door mag spoelen. In het Engels. Tsja…

Nouja, soms was het wel lachen! Dat je mensen uit moet leggen hoe ze op een wc moeten zitten… het moet niet gekker worden! 

 

 

 

 

Bordjes Down Under: heel veel tekst

Ik eindigde mijn vorige (eerste) post over de bordjes Down Under ermee dat me opviel dat het vaak wel heel veel tekst was. Bijvoorbeeld tekst waar wij beelden zouden gebruiken. Een voorbeeld daarvan is dat een doodlopende weg in beide landen niet met een verkeersbord met een symbool wordt aangegeven, zoals bij ons, maar met woorden onder het straatnaambordje: ‘no exit’ (Nieuw-Zeeland) of ‘no through road’ (Australië).

En hier is een ander fraai voorbeeld van wel heel veel tekst om een punt te maken, een bordje op een voet- en fietsveer over de haven Auckland, naar Devonport:

 Safety message to cyclistsIk vind hem ook nog enigszins verhullend, want bij ‘Safety message to cyclists’ dacht ik dat het ging om de veiligheid voor fietsers, maar het gaat  meer om ‘denk aan de anderen’.

De veelheid bordjes was ook zichtbaar in alle (overigens fantastische) campingkeukens in Nieuw-Zeeland. In elke keuken wemelde het van op briefjes uitgedrukte ge- en verboden. Deze zetten we op de foto vanwege de grappige fietsjes: In diezelfde keuken hing ook onderstaande instructie, ook weer een mooi voorbeeld van: goed bedoeld, maar veel te veel tekst:Gevaar van zo veel tekst is dat er wel eens iets aan de aandacht ontsnapt natuurlijk. Daar zijn sommige bordjes-makers zich van bewust, dus dan zet je er ‘please read’ boven: Ook weer een heel impliciete trouwens. Pas nadat ik hem heb gelezen, realiseer ik me dat er mensen vragen stellen over het geurtje van het water, en dit beantwoordt die vraag. 

In diezelfde mineral pool had ik bovenstaand bordje gezien voordat we erin gingen, maar in de veelheid van bordjes en briefjes was dit me ontgaan:Ik zag het pas na afloop en ik was met mijn hoofd onder water geweest. Ik heb wat nerveus daarna zitten googlen wat het risico daarvan was, en dat viel gelukkig mee: die meningitis is weliswaar heel erg, maar ook heel zeldzaam. Desalniettemin denk ik dat de beheerder van de pool dit tegen ons had moeten zeggen. Schrift is zo zwak!