Dicht op de schrijvershuid

Ik heb net het Handboek verhalende journalistiek gelezen, en dat vond ik de moeite waard. Niet dat ik me op het pad van de verhalende journalistiek begeef (al lijkt me dat best leuk schrijfwerk), maar omdat ik het een goed schrijfhandboek vind. Het is vooral uniek in de mate waarin het dicht op de huid van de schrijvers zit. Auteurs Henk Blanken en Wim de Jong hebben verhalende journalisten geïnterviewd, van eentje zelfs de elf voorlopige versies van zijn stuk mogen zien, en er twee (waaronder Blanken zelf) voetnoten bij een eigen verhaal laten zetten ter toelichting en met commentaar over wat ze zelf achteraf gezien de sterke en zwakke punten vinden.

Zo’n kijkje in de keuken, in verschillende keukens, geeft geen enkel ander boek, bij mijn weten. Het is daarbij ook prettig geschreven, met een boel aansprekende voorbeelden en verwijzingen naar nog meer inspirerend leesvoer. Het boek is van vorig jaar, dus de voorbeelden zijn ook nog actueel en betreffen bijvoorbeeld de Harense Facebook-rellen en de val van Ruttes gedoogkabinet. Anderzijds zijn het klassiekers, zoals een verhaal over de geboorte van een Siamese tweeling op het Friese platteland, of tijdloos als de beschrijving van een hersenoperatie waarbij de patiënt bij bewustzijn moet blijven.

En één keer ging er ook nog een lampje branden – weer typisch zoiets waarvan ik dacht: het is zo logisch als wat, en toch heb ik het nooit bedacht. In mijn manier van schrijven staan lezersvragen altijd centraal; een adviesrapport geeft bijvoorbeeld antwoord op ‘wat moet ik doen?’ en ‘waarom?’ Ik had me niet eerder gerealiseerd dat de leidende vraag in een verhaal is ‘en toen?’ (p. 46):

Als verteller wil je maar één ding: een lezer die, zodra hij aan je verhaal begint, vanaf de eerste zinnen dus, ‘En toen?’ roept.

En zo is het maar net! Dat geeft meeslepende journalistiek. Met z’n mitsen en z’n maren, en ook die behandelt het boek. En het geeft ook een prettig leesbaar en inspirerend boek.

Omhaalpoespas?

Ik had het hier eerder al over Tamara de Reus, een wat mij betreft veelbelovende jonge schrijfster. Ik las recentelijk nog een mooie facebookpost van haar, over hoe ze schrijven ervaart: OMHAALPOESPASHEISAGEDOEROMPSLOMP. Ook weer een tip van Verena van de Tekstnet-intervisie, en ook weer raak geformuleerd. Het gaat er onder andere over dat schrijven niet zomaar het op een rijtje zetten van bestaande gedachten is, maar dat je die gedachten moet bewerken, je moet er wat van máken. Dat is schrijven – en dat kost concentratie en moeite. En dat geldt ook voor zakelijk schrijven, al gaat het daar niet zozeer om gedachten, maar om inhoud/data/feiten/gegevens.

Nog twee vakantiefoto’s

De Ierland-foto’s nog eens doorlopen, en er zijn er nog twee leuk voor dit weblog. Wie van mij wel eens een training in slide design gehad heeft, weet dat ik bezwaar maak tegen (sommige) pijlen, zoals de BFA, de big f*cking arrow. Welnu, dan was dit pijltje langs de wandelroutes van Glendalough wel een nachtmerrie voor me natuurlijk:

2015_06_28_0253

En deze, ook van Glendalough, vind ik ook leuk, omdat lezen zo centraal is in mijn werk en ik toch maar weinig lezend op de foto sta. Terwijl ik op vakantie echt vaker zo aan te treffen ben:

2015_06_29_0266

Tekst laat zien wie lezer is

In de periode voor mijn vakantie had ik uitzonderlijk veel trainingen waarvoor de deelnemers een eigen tekst moesten inleveren, die door mijn van feedback voorzien werd. Naar schatting zijn er tussen eind april en half juni bijna 100 teksten van divers pluimage door mijn handen gegaan. Als ik daarop terugkijk, is er van alles over te zeggen, maar heb ik er vooral één ding over geleerd wat iets zegt over mijn manier van werken maar ook over teksten: ik wil eraan kunnen zien wie de beoogde lezer is.

Wat ik doe als ik een te becommentariëren tekst krijg, is me inleven in de beoogde lezer van de tekst, en ik doe dat op basis van signalen die de tekst daarover geeft. Soms zijn die heel expliciet, zoals wanneer er boven een memo staat dat het voor de Raad van Bestuur is. Vaak is het subtieler, en dan helpen van die kleine woorden als we en u erbij.

Met de subtiele signalen ging het in die ongeveer 100 teksten wel eens mis. Dan raakte ik in de war, en bovendien was het aanleiding voor mij om er feedback over te geven, want ik vind het niet alleen mijn probleem, maar dat van de tekst. Twee voorbeelden:

  • Ik neem op basis van andere signalen aan dat de tekst voor een directe baas of collega is, maar in de tekst wordt elke interne afkorting uitgelegd. Ik ben goed in het over dat soort afkortingen heen lezen: de beoogde lezer zal het eigen jargon wel kennen. Uitleg is niet nodig en dus ook voor de beoogde lezer overbodig. Over precies dit punt kreeg ik een keer een fikse discussie in de training, want de schrijver wilde dat zijn teksten voor ‘iedereen’ begrijpelijk waren. Ik was het daar zeer mee oneens: je schrijft niet voor iedereen, niemand schrijft voor iedereen, schrijven is maatwerk, en schrijven in de zakelijke dienstverlening al helemaal: je bedient je klant ermee. Die heeft er geen boodschap aan wat iemand anders niet begrijpt aan een voor hem alledaagse afkorting.
  • De schrijver is extern en de tekst begint met een fors stuk beschrijving van de organisatie van de lezer, in zo ongeveer de bewoordingen die je op homepages ziet staan. Dat zie ik wel eens vaker, ik noem dat de ‘dit is wie u bent’-passsages. Niet doen. De lezer zit niet te wachten op zo’n algemene beschrijving; het overnemen van de homepage heeft zelfs iets pijnlijks. Kom maar meteen ter zake: waar gaat het om?
    Overigens zat er achter enkele van deze gevallen een goede bedoeling: de schrijver wist dat deze versie van de tekst niet naar de beoogde lezer zou gaan, maar naar mij, en ik ken het bedrijf niet. Desalniettemin zit ik niet te wachten op zulke info. Omdat ik me dus verplaats in die beoogde lezer, maar ook omdat ‘om welk bedrijf gaat het?’ voor mij geen vraag is die bij mijn op feedback-geven gerichte leesdoel past. Die heel enkele keer dat ik nieuwsgierig ben, google ik zelf wel.

Een goede tekst geeft dus op allerlei manieren hints over wie de beoogde lezer is: van expliciet benoemen via de kleine woordjes naar de informatie-selectie (afkortingen uitleggen of niet, algemene achtergrondinformatie opnemen of niet) . En die moeten specifiek én in lijn met elkaar zijn. Zo niet, dan kun je feedback van mijn verwachten!

Voetbalbobotaal

Ik lees graag de columns van Nico Dijkshoorn in VI, vooral omdat die zo goed schrijft, met vooral heel treffende en bloemrijke beelden. In de column van de VI van week 25 is hij op dat punt ook weer goed op dreef, door de draak te steken met op hun shoppende vrouw wachtende mannen naast winkeldeuren (‘Het mooist zijn wachtende mannen met allemaal tasjes van Hunkemöller tussen hun voeten’).

Maar wat ik vooral leuk vond aan die column is hoe hij de taal die bij Ajax gebezigd wordt door oud-voetballers volstrekt belachelijk maakt – en terecht. Dijkshoorn steekt eerst de draak met het woord skillbox ,dat hij aantrof in een stuk van Bryan Roy. Geen idee wat dat is, maar hij is meetbaar, en commercie en marketing zijn er een wezenlijk onderdeel van.

Daarna citeert hij Roy als volgt:

Het is zaak dat de rest nu ook meetbaar gaat worden gaat worden om het individu en de teamactief optimaal te kunnen ontwikkelen en om het vervolgens breder in de organisatie te implementeren.

Zulk soort zinnen, urgh, ze zijn rijp voor Bobotaal, en dat is bij de overheid al erg genoeg, maar ik ben het met Dijkshoorn eens dat ze met voetbal al helemaal niet te rijmen zijn. Zoals Dijkshoorn zegt:

We hebben het hier over voetbal. Over een vreugdevolle sport. Een sport waarin maar één ding belangrijk is: genialiteit en eigenheid.

Vreugdevol, geniaal en eigen is van die abstracte beleidstaal niet, en voetballers zouden eigenlijk keihard moeten lachen om een skillbox. Eigenlijk zouden we dat met z’n allen veel vaker moeten doen: heel hard lachen om beleids- en managementspeak. Volgens mij werkt dat beter dan er boos om worden!

De joy van schrijven

In de NRC van 26 juni staat een stuk ‘De kick van ongestoord werken’, met daarin koren op mijn molen. Het gaat net wat verder dan de meeste ‘ojee, we kunnen ons door de nieuwe media niet meer concentreren’. Het betoogt dat we ons ‘reflecterend brein’ nodig hebben voor creativiteit, vooruit kijken en gebeurtenissen in de juiste context plaatsen – activiteiten die nodig zijn voor schrijven, wat dan ook als voorbeeld wordt aangehaald.

We gijzelen echter dat reflecterende brein, doordat we ons steeds laten afleiden door mails, appjes e.d. Om die te verwerken, gebruiken we ons reflexbrein, wat het goed functioneren van het reflecterende brein hindert. Met écht denkwerk is al dat snelle schakelen niet te combineren. Dat vergt ongestoorde concentratie. Inderdaad.

Wordt werken dan niet saai, zo vraagt het artikel zich af? Nee. Het levert weliswaar minder directe behoeftebevrediging (fun) op, maar wel meer joy: het geluksgevoel van goed werk leveren.

In een kader bij het artikel staan tips voor offline werken, en één ervan bepleit ik ook regelmatig, maar ik kende de term niet: BBB-momenten. Dat staat voor bed, bad en bus: de momenten en plekken waar je dingen bedenkt. Bed, bad en bus zijn mij overigens lichamelijk nog te passief, ik heb zelf het meest aan FLH: fietsen, lopen en het huishouden doen!

 

Tekstblad verschenen

Tijdens mijn vakantie is het nieuwe nummer van Tekstblad verschenen, nummer 3 van jaargang 21, met daarin mijn artikel over zakelijk lezen, gebaseerd op de scripties van Dorien en Kiki. In het artikel wil ik laten zien dat wat zakelijke lezers dénken dat ze doen en vinden dat ze moeten doen (‘alles lezen en onthouden’) niet aansluit bij hoe ze daadwerkelijk lezen: sterk bepaald door een leesdoel dat verschilt per situatie. Leuk dat het artikel er nu is, en ik kreeg er via Twitter al een paar mooie reacties op!

In hetzelfde nummer staat ook nog een interessant weetje in een artikel van Rob le Pair over klachtentweets: als je je tweet begint met het aanspreken van de organisatie, dus de twitternaam @organisatie op de eerste plek, krijg je vaker een reactie dan wanneer @organisatie verderop in de tweet staat. Enerzijds is dat gek, want juist bij verderop zien alle volgers de tweet en heeft een klacht dus een groter publiek. Maar kennelijk voelen organisaties zich meer persoonlijk aangesproken bij voorop, en dus ook meer geroepen om te reageren. Het artikel besluit met een terechte oproep aan organisaties om ook aan de ‘verderop’-tweets aandacht te geven.

Ierse observaties

Ik was de afgelopen weken op vakantie in Ierland – vandaar dat het stilletjes was op het weblog. Zoals gebruikelijk een paar vakantie-observaties. Ik heb me in Ierland vergaapt aan het Ierse Gaelic. Ik heb het amper gehoord, misschien maar één keer, in Dublin; we waren niet in het gebied waar het nog de native taal is. Maar gezien: te over. Het is immers officieel de eerste taal van de republiek, en alle officiële dingen zijn in twee talen. We wandelden de Wicklow Way, en dan zie je onderweg bijvoorbeeld:

2015_06_30_0323

En deze suikerzakjes vond ik ook fraai, met Ierse wijsheid in twee talen:

IMG

Verder kregen we onze eerste gestructureerde restaurantrekening ooit, op onze rustdag in een fijn restaurant vlakbij Glendalough. Althans, gestructureerd… de bedragen zijn gecategoriseerd, maar dat is een cruciale stap bij structureren. Het onderscheid tussen beverages en drinks is daarbij een aardige:

IMG_0001Het was lekker weg – en nu weer fris aan de slag dus!