Schrijven om jezelf te dwingen te denken

In de NRC van vorige week zaterdag (de 21e) stond een mooie column van Martijn Katan onder de titel ‘Stiekem ben ik een docent’. Hij schrijft over schrijven: eerst over dat van journalisten, later in vergelijking met wetenschappers zoals hij zelf ook is. Die zijn altijd geneigd om slagen om de arm te houden, daar waar journalisten de essentie eruit pikken. Veel wetenschappelijk proza is daardoor ‘in tienduizend moeilijke woorden niets zeggen’.

Zijn eigen doel bij zijn wetenschappelijk werk en in zijn schrijven is daarom ‘niet essentiële verschillen weglaten zodat de essentiële overeenkomsten overblijven en ik natuurwetten kunnen worden vastgelegd’. Oftewel, voor wat betreft schrijven: beslissen wat er weg kan en wat niet.

En dan komt de slotalinea die ik prachtig vind én uitermate herkenbaar:

Mijn columns moeten leuk zijn om te lezen, maar net als een goede journalist wil ik meer dan u vermaken, ik wil u iets laten zien, iets uitleggen, iets leren. En tijdens die moeizame pogingen om dat voor u op te schrijven groeit mijn eigen inzicht. Zo leer ik zelf nog het meest van mijn stukjes. Ik schrijf dus in de krant om mezelf te dwingen een onderwerp te doordenken, als sport dus, en een beetje uit ijdelheid. Maar stiekem hoop ik toch dat u er iets van leert.

 

Creativiteit

Vandaag verwijs ik graag weer eens naar Jan Schultinks weblog, vooral naar een mooie post over de rol van creativiteit bij het maken van Powerpointdecks. Eén ding daarin had ik me nog niet eerder gerealiseerd, maar ik herken het meteen: dat afstand nemen zorgt dat de details wat naar de achtergrond zakken en de essentie duidelijker wordt. Ik heb in elk geval zelf de ervaring dat de hoofdboodschap soms zomaar verschijnt als ik, bijvoorbeeld, een stukje fiets of hardloop, huishoudelijke klusjes doe, of onder de douche sta. Dat verschijnsel kende ik dus al, maar ik had me niet eerder gerealiseerd dat dat mede komt door het ‘vervagen’ van de details.

Luister naar de sturende kracht van taal

Leuk, Ronny Boogaart vertelde op de radio naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwe boek Een stoptrein is een sprinter zonder wc over de sturende kracht van taal. Van harte aanbevolen!

Ik kan amper meer met de trein reizen zonder aan Ronny te denken. Ja, vanwege die titel, vanwege de trein van 11u39 die ondanks 2 minuten vertraging toch níet de trein van 11u41 wordt, maar vooral vanwege treinen uit Leiden naar Vlissingen die vandaag rijden naar Den Haag, zoals ik afgelopen maandag had. Toen kwam ik overigens terug van een hapje eten met diezelfde Ronny! Want Ronny is Leidse collega, vakgenoot, oud-studiegenoot én vriend van mij.

Drogredenen inderdaad onredelijk

In de argumentatieleer kun je op basis van regels bepalen of een arumentatie deugdelijk is of niet, dus of je een geldige zet dus of een ongeldige, ook wel drogreden genoemd. Dat is zwart-wit: je argumentatie is redelijk of niet. De praktijk van taalgebruik is echter helemaal niet zo zwart wit: soms kom je weg met drogredenen, en een goede argumenteerder weet handig te manoevreren met zijn zetten.

Desalniettemin blijkt uit onderzoek dat gewone taalgebruikers wel degelijk drogredenen minder redelijk vinden. Dat leerde ik gister bij de taalbeheersingslezing* van Bert Meuffels. Hij doet al jarenlang onderzoek naar de beoordeling van argumentatie door gewone mensen, meestal scholieren. Het gaat dan om bijvoorbeeld de ad hominem (persoonlijke aanval), in deze voorbeelden steeds de laatste gespreksbijdragen:

Voorbeeld 1, okee:

A: Ik vind jou echt een onbetrouwbaar iemand

B: Hoe kom je daarbij?

A: We spraken af dat je het tegen niemand zou doorvertellen, en nou weet het hele dorp het al.

Voorbeeld 2: drogredelijk

A: Ik denk dat de koop van een occasion de beste keus voor ons is

B: Volgens mij moeten we een nieuwe kopen: het onderhoud is veel goedkoper

A: Kom nou toch! Wat weet jij daar nou van? Je hebt geen greintje verstand van auto’s!

Proefpersonen beoordelen de drogredelijke op een schaal van 1 (onredelijk) tot 7 (redelijk; 4 is dus neutraal) met een 3,08 gemiddeld, en de niet-drogredelijke met 5,08. En daarbij gaat het in dit onderzoek niet zozeer om de absolute getallen, maar om de telkens terugkerende rangorde: de drogredelijke zet scoort lager dan de niet-drogredelijke. Dat geldt ook in andere landen, en in verschillende domeinen: bovenstaande voorbeelden komen uit het huiselijk domein, maar in de politiek en wetenschap is de rangorde niet anders.

Dus: drogredenen zijn niet alleen onredelijk omdat ze niet mogen van de argumentatieregels, ze worden ook als onredelijk ervaren door gewone taalgebruikers.

 

 

* Die lezingen worden met enige regelmaat georganiseerd door de vakgroep Taalbeheersing in Leiden waar ik af en toe voor werk.

 

 

 

 

 

Beter woord voor ‘emergerend’?

Onlangs gebruikte ik in een binnenkort te verschijnen artikel (daarover t.z.t. meer) het woord emergerend. Dat is niet zo mooi, kreeg ik van de redactie te horen. Nee, klopt, maar ik weet echt niets beters als vertaling van het Engelse emergent, in de context van emergent change.

De woordenboekvertaling daarvan is verschijnend, te voorschijn komend of opkomend, maar ‘verschijnende’ of ‘tevoorschijnkomende’ verandering. – urgh, dat is geen verbetering. ‘Opkomend’ vind ik bovendien te zeer een positieve bijbetekenis hebben. Ten slotte denk ik dat mensen die de Engelstalige literatuur over organisatieverandering en/of het werk van Thijs Homan kennen, die Nederlandse woorden niet herkennen, en dat is ook een gemiste kans.

Daarom: toch maar emergerend, eventueel met toelichting. Of weet iemand iets beters? Dat hoor ik dan graag.

Enne: lastig kan het soms toch zijn, hè, schrijven/vertalen!

Praten is eigenlijk luisteren

Ik schrijf het hier regelmatig, en het staat ook in Adviseren met Perspectief en in de nieuwe druk zelfs nóg prominenter: om goed te kunnen schrijven in de zakelijke dienstverlening is praten met je klant essentieel. Alleen als je de zorgen en belangen van je klant goed kent, kun je een ‘raak’ advies geven (= goede hoofdboodschap formuleren), en ook de rest van de tekst optimaal afstemmen op die lezer voor wie je werkt.

Maar hoe doe je dat eigenlijk, praten met je klant, goed contact opbouwen? In Adviseren met Perspectief ga ik daar niet op in, want dat valt buiten het bereik van het boek – het onderwerp vergt een boek op zich. Ik zou dus graag naar een goed boek over zakelijke gesprekken verwijzen. Maar dat valt tegen – zo’n boek is er niet of nauwelijks, althans, niet dat ik weet. Ik heb nu weet van twee:

  • Peter Block’s Feilloos Adviseren, sowieso een geweldig boek, dat blijf ik vinden: elke keer als ik erin lees, vallen me weer nieuwe inzichten op die ik herken en waar ik van leer. Block benadrukt het relationele karakter van adviseren, en in het boek staat dan ook het opbouwen van de relatie met de klant centraal. Je vindt er onder meer in welke onderwerpen je in welke fase van het adviestraject moet bespreken en hoe je je intuïtie kunt gebruiken om het contact te verbeteren.
  • De kracht van luisteren van Larry Barker en Kittie Watson. Dit boek kreeg ik als tip van Marjan Huisman van Twinc. Het is er in het Nederlands helaas niet meer, maar wel in het Engels. Het gaat over luisteren, niet over praten, en dat lijkt eerst misschien gek, maar dat is het juist niet. Want met dat ‘praten met je klant’ bedoel ik ook eigenlijk vooral ‘luisteren naar je klant’. Maar dat luisteren is een onderschatte vaardigheid: we vinden het belangrijk, we waarderen het, maar we zijn er zelf vaak niet zo goed in, en we doen het weinig bewust, laat staan dat we aan onze luistervaardigheid werken. Dit boek biedt daar handvatten voor. Het gaat onder andere over verschillende luisterstijlen, onze beperkte luister-energie en over het belang van aandacht. Het boek bevat veel treffende voorbeelden.

Je leert het voeren van goede gesprekken niet uit een boekje, dat benadrukt zeker dat tweede boek ook. Maar je kunt er wel degelijk mee aan de slag om je sterke en zwakke punten op te sporen en zo te bedenken waarmee je wilt oefenen in de praktijk. Ik heb mezelf wat luister-huiswerk gegeven bijvoorbeeld, om toe te passen in de aankomende trainingen.

Voor andere tips voor goede boeken over zakelijke gesprekken houd ik me aanbevolen!

‘So what?’ voor vrouwelijke sporters

In mijn favorieten-lijstje waar ik het gister ook over had, trof ik er nog eentje aan die ik had bewaard omdat ik er zo mooi mee kan illustreren waar mijn werk op neerkomt. Het is een tweet die in mijn Triathlon-twitter-kringen werd geretweet, afkomstig van van Die kondigt aan een “Overall take home message for female athletes with regards to nutritional considerations”, onder verwijzing naar deze slide*:

Slide met veel tekst

Wat mij betreft, staat die take home message er precies níet. Ik kan me niet voorstellen dat een vrouwelijke sporter de riedel eronder mee naar huis moet nemen namelijk. Ik denk dat ze zich afvraagt: ‘dus?’ (so what?).

Nou ben ik een vrouwelijke sporter, dus ik mag me dat zeker afvragen. Eigenlijk kom ik er niet uit, of althans, ik moet een beroep doen op wat ik weet, namelijk dat veel vrouwelijke sporters te weinig eten, vaak zelfs een eetprobleem hebben (ik niet hoor!). Dat kan ik relateren aan wat er staat, want dan is wat er staat argumentatie voor de boodschap ‘zorg dat je genoeg voedingsstoffen binnenkrijgt’. Haar vervolgvraag is ‘welke’ en dat gaat om eiwit, koolhydraten en micronutriënten, zoiets (met behoud van jargon overigens):

Make sure your diet contains all necessary nutrients:

• Protein: needed for for the building and repair of muscle tissue
• Carbohydrates: needed for muscle glycogen replacement
• Micronutrients: needed for…

– Bones (calcium, magnesium, vitamin D)
– Energy production (B vitamins)
– Red blood cell and haemoglobin synthesis (iron, folate, B12)
– Immune function (zinc, antioxidants, iron)

Frappante boodschaploze slide is het origineel, omdat het wel een take home message aankondigt – aankondigt, maar niet geeft. En dat zie ik best wel vaak gebeuren, zeker in het werk van deskundigen: de kennis staat er, maar de betekenis ervan voor ‘gewone’ mensen net niet. Schrijvers en presenteerders helpen die boodschappen wél te verwoorden, is de kern van mijn werk.

Overigens denk ik dat je dan nog niet veel bereikt tegen eetproblemen, maar dat is een andere kwestie.

————–

* Als je de slide op het plaatje slecht kunt lezen, dit staat er:

Overall take home message for female athletes with regards to nutritional considerations

Protein intake must be adequate for the building and repair of muscle tissues, while adequate carbohydrate intake is needed for muscle glycogen replacement. In addition, many of the micronutirents needed for bone (calsium, magnesium, vitamin D), energy production (B vitamins), red blood cell and haemoglobin synthesis (iron, folate, B12) and immune function (zinc, antioxidants, iron) must be present in the diet. )

Schrijfwijsheid

Ik bladerde laatst weer eens door mijn Twitter-favorieten, en toen kwam ik twee fraaie uitspraken over schrijven tegen die ik had bewaard. Ze zijn allebei alweer van een tijdje terug, en allebei wat mij betreft mooie wijsheden die op een tegeltje zouden passen.

  • Via een citaat van David Ogilvy: “If you want ACTION, don’t write.Go and tell the guy what you want”. Onder verwijzing naar zijn ‘10 Tips on Writing‘ die sowieso de moeite waard zijn.
  • Via een citaat van Edwin Schlossberg:The skill of writing is to create a context in which other people can think’.

     

    Laat ze even tot je doordringen, zou ik zeggen.

Alweer een inspirerende NACV-meeting

Zoals ik eerder aankondigde, was ik vorige week naar de Expertmeeting van het NACV. Net als de vorige keer dat ik er was, twee jaar geleden, vond ik het een leuke en nuttige dag. Ik ervoer hem wel ook als heel anders, deels omdat het contrast tussen wetenschap en ‘de praktijk’ dan wel de karikatuur van dat laatste me nu niet is opgevallen, en deels omdat ik zelf wat deed (daar kom ik zo op terug).

Wat hetzelfde was, was dat ik sommige presentaties inspirerend en nuttig vond voor mijn eigen praktijk. Marjolein Bolster-Van der Werff & Thea Mepschen van de Hanzehogeschool beschreven bijvoorbeeld een intensieve schrijfdag waarvan ik dacht: ‘zo zou ik een training ook aan kunnen pakken’ en Jacky van den Dikkenberg van de HvA beschreef een leesvaardigheidstraining die me onmiddellijk op ideeën bracht voor een leestraining voor professionals. Alleen al daarom was de dag goud waard (en de moeite van de reis, want ik ‘strandde’ met de trein in Driebergen door een kabelbreuk en kwam uiteindelijk 45 minuten te laat).

Verder was ook de lezing van Jacqueline van Kruiningen en Femke Kramer van de RUG interessant. Die ging over ‘schrijven over schrijven’ door eerstejaars studenten, en wat daarin aan de orde kwam, was dat studeren op de universiteit natuurlijk óók een socialisatieproces betekent: je aanpassen aan hoe de dingen daar zoal gaan, inclusief schrijven.

Dat was meteen een bruggetje naar onze eigen discussie, over dat wij (Willy Francissen en ik) in de praktijk ervaren dat we een boel van dat aangeleerde gedrag weer moeten ‘afleren': de praktijk stelt andere eisen aan schrijfvaardigheid dan de wetenschap, en veel professionals vereenzelvigen schrijven met die ene manier die ze tijdens hun studie hebben geleerd. Ik vond het een leuke discussie, we hebben de deelnemers duidelijk wel geprikkeld en aan het denken gezet, dus doel bereikt.

Wel had ik de indruk dat we een beetje preekten voor eigen parochie, of liever gezegd: dat we geen representatieve dwarsdoorsnede van universitair docenten in de groep hadden. Dat schrijven uit meer bestaat dan alleen volgens de academische conventies, daar was iedereen het wel mee eens. Maar wat daar precies de consequenties van moeten zijn, daarover was meer discussie. Bijvoorbeeld: als je studenten ook iets anders wilt laten schrijven, moet dat dan vanaf het begin, of wil je ze juist eerst aan de wetenschappelijke conventies laten wennen voordat je er iets naast zet? Daar zou wat ons betreft mee geëxperimenteerd moeten worden.

Aan het slot vatte Albert Pilot de dag samen. Hij was ook bij onze discussie geweest en vatte die samen als: wat als de studenten moeten weten dat er andere genres, contexten en lezers zijn, maar ondertussen de hele omgeving ‘framet’ richting die ene manier, de wetenschappelijke? Dat vond ik wel een mooie samenvatting, dus dat deed me deugd. En toen ging de terugreis gelukkig ook een stuk vlotter dan heen, dus ik kwam tevreden thuis.