Wat heb je aan meer nul?

Ik fiets regelmatig langs een rare poster achter het raam van een kantoorgebouw in Schiedam:

sizero

Het zit hem vooral in die slogan ‘less size more zero’. In eerste instantie snapte ik die helemaal niet, omdat ik dacht dat deze poster op één bedrijf sloeg. Wat zou een fysiotherapiepraktijk bedoelen met iets met size en zero? Pas toen ik de foto van hierboven maakte en dus dichterbij kwam en er beter naar keek, zag ik dat het om twee bedrijven ging.

Dat is meteen al een interessante, vanuit het oogpunt van schriftelijke communicatie. Ik werd op het verkeerde been gezet doordat er maar één logo en één verdieping wordt gegeven, denk ik, en het paars van Sizero is net wat te subtiel om het visueel’ te onderscheiden van het zwart erboven. Oftewel: de signalen die richting ‘één’ sturen zijn sterker dan die richting ‘twee’.

Dan weet ik wel meteen dat Sizero wel iets zal doen met afvallen. Maar dan nog vind ik het een rare slogan. Op de website van het bedrijf (die mijn beschermingssoftware overigens hoogst verdacht vind) zie ik dat de naam slaat op ‘size zero’, met ze dus in twee functies. Dat vind ik te bedacht, en eerlijk gezegd had ik een sterkere associatie met Cicero. En wie wil er ‘maat nul’ of ‘meer nul’ of ‘minder maat meer nul’?

Nou zie ik op de website dat tekst niet bepaald de sterkste kant is van dit bedrijf (‘Wanneer je bij jouw kennismakingsbehandeling niet meer dan 4cm verliest hoef je deze niet te betalen’ – je hoeft die centimeters dus niet te betalen? En in de zin erna introduceren ze een apparaat inzake afslanken – oempf).

Het is dat ik totaal niet geloof in hun product en dat het eruit ziet als een dichtgetimmerde franchise. Anders zou ik de volgende keer aanbellen en mijn diensten aanbieden.

Taal is big business

CoverWat een apart boek, Taal is business. Taal, de turbo naar economisch succes! van Frieda Steurs. Ik ken geen enkel ander boek met een vergelijkbare inhoud.  Steurs laat de taalsector in de economie zien, de taalindustrie: wat voor taalproducten en -diensten zijn er allemaal, wat voor rol spelen die in de economie en  hoe zou die rol nog groter/beter kunnen zijn?

Over dat laatste: eigenlijk zijn de blunders altijd het leukste, vind ik. Zoals dat Starbucks z’n elders zo populaire gingerbread koffie maar niet verkocht kreeg op de Duitse markt, totdat ze ‘m Lebkuchen-koffie noemden want zo heet dat koekje in het Duits. Of zoals de vertaalfout die Parker maakte waardoor de reclameslogan in Mexico klonk als ‘It won’t leak in your pocket and make you pregnant’. Of de blunder van Puma op de markt van de Verenigde Arabisch Emiraten. Dat land bestond 40 jaar en Puma bracht speciaal een sportschoen op de markt in de kleuren van de nationale vlag. Maar de Arabieren vonden dat respectloze omgang met de vlag: een schoen is iets vuils, waarmee je de grond aanraakt.

Het laatste voorbeeld laat zien dat je ‘taal’ best ruim mag zien: het gaat ook om culturele aanpassing. Want dat zijn al die voorbeelden: lokaliseren, het aanpassen van producten aan lokale vereisten. Dat is dus meer dan alleen maar vertalen. Ik vond het hoofdstuk daarover (het derde) veruit het leukste van het hele boek. Het laat zien hoe belangrijk gedegen kennis van een andere cultuur is als je daar iets wilt verkopen. En daar heb je deskundigen voor nodig.

Die deskundigen, daaraan is een tekort, maar meer nog lijkt het hele boek uit te ademen dat ze onvoldoende gewaardeerd worden, onzichtbaar zijn. Het boek lijkt één groot pleidooi voor ‘kijk eens hoe belangrijk ons vak is’. Dat werd mij gaandeweg te veel. Ik werd moe van de vele versterkers: er is niet gewon een kloof, nee, een enorme kloof in informatievoorziening (p. 65) en het is maar liefst een zware opgave om juridische teksten te vertalen (p. 130), enzovoort, enzovoort.

Ook zijn er grafisch dingen gedaan om het boek op te leuken maar die zijn niet allemaal functioneel. Soms is er ineens een stukje tekst als kader gekleurd zonder dat duidelijk is waarom, en er zijn ook visualisaties bij die niets toevoegen. Nouja, en dan trekt er af en toe een zin scheef zoals de eerste op de achterflap:

We merken allemaal in ons dagelijks leven dat de impact van de internationalisering en de wereldhandel ook effect heeft op de communicatie en de wijze waarop nieuwe producten en diensten ons worden aangereikt.

Watte? In combinatie met de ronkende titel en ondertitel (met ook nog een uitroepteken erachter) vind ik dit bijna anti-reclame. Overigens had ik op basis van de ondertitel een wat meer praktisch gericht boek verwacht: hoe zet ik taal in om tot economisch succes te komen? Je kunt wel wat dingen afleiden daarover, maar het is zeker geen boek met praktisch tips. Belangrijkste boodschap eruit lijkt te zijn: onderschat het belang van taal niet.

Daar ben ik het zeker mee eens, maar het hoeft er wat mij betreft dus niet zo dik bovenop te liggen. Wat Steurs te vertellen heeft, was met een meer ‘sec’ benadering meer tot zijn recht gekomen. Meer show-don’t-tell vooral ook: niet roepen hoe enorm, zwaar en belangrijk iets is, maar het zo zichtbaar maken dat de lezer dat zelf gaat voelen. Dat had wellicht ook nog wel wat aardiger gekund met meer uitgewerkte voorbeelden en interviews met professionals in de sector, want steeds dezelfde soort beschrijvingen in dezelfde toon wordt ook wat opsommerig en saai, 12 hoofdstukken lang. Eenmaal over de helft lijkt het allemaal steeds op hetzelfde neer te komen: ja, natuurlijk speelt taal een grote rol  in het recht. En in de medische wereld. En in de IT.

Taal speelt overal een grote rol. Ja, die boodschap is er dus echt wel ingehamerd!

Bijzondere redactieklus

Het is zo midden in de zomer rustig met mijn gewone werk, en dus kan ik wat achterstallige en bijzondere klussen doen. Zoals het digitaliseren van de notities van mijn opa, die in de jaren dertig en de oorlog dorpsarts was in Barsingerhorn – er is daar zelfs een straat naar hem vernoemd. In de jaren tachtig heeft hij enkele markante herinneringen in de vorm van korte anekdotes opgeschreven, ‘Ontmoetingen in de praktijk’, soms humoristisch, soms serieus

Ik wist daar vagelijk van en trof ze opnieuw aan in de nalatenschap van mijn moeder. Zodoende lagen ze hier al jaren, en nu ben ik ze aan het scannen en bewerken om iets mee te gaan doen. Ik weet nog niet precies wat, ze zijn volgens mij interessant zowel vanuit de medische invalshoek als voor de streek West-Friesland. Ik heb al wat contacten gelegd voor uitgave ervan (en meer is nog welkom, mocht iemand dit lezen en er een idee voor hebben).

Ik vind het geen makkelijke redactieklus, maar wel een interessante. Ik moet van die beslissingen nemen als: laat ik zijn spelling intact? De enkele d/t-fout en ontbrekende spaties bij leestekens corrigeer ik, met het oog op de leesbaarheid. Maar moet ik het ook moderniseren? Hij schrijft niet alleen met de oude regels voor de tussen-n, zoals beddegoed, maar ook bijvoorbeeld paedogogisch en inhaerent en gangraeneus. Dat lijkt me zelfs voor de jaren tachtig, toen hij het schreef, al verouderd.

Hetzelfde geldt voor de naamvalsvormen: ‘het begaanbaar houden der polderwegen’. Vind ik mooi, trouwens, ik kan een genitief wel waarderen – maar in de jaren tachtig schreven we daar toch echt al gewoon van de.

Het laatste woord laat ook zien dat er medisch jargon in staat, wat doe ik daarmee? Mamma-carcinoom, kent iedereen dat? Er borstkanker van maken, hmm, daarmee verdoezel ik dat het woord kanker wellicht voor hem taboe was? Was dat zo? Ik heb geen idee. Een paar pagina’s verderop gebruikt hij het wel voor de maag. Soms legt hij wat uit. Infauste prognose, dat woord kende ik niet, maar opa zette er (slecht) achter, dat helpt.

Opa’s typmachine deed het niet altijd even goed, en zo moest ik googlen naar iets wat ik niet kende én niet goed kon lezen: een kypho- of hypho-scoliotische wervelkolom – aha, met een k dus. En over jargon gesproken! Maar zo leer ik er wel wat van.

Daarnet moest ik ook even goed kijken wat hij bedoelde.

… wij hadden een week vacantie gepland. (a = e, stom geschreven, geen nederlands)

Door de c in vacantie trekt mijn aandacht nogal naar dat woord, maar dan snap ik het stukje tussen haakjes niet. O, wacht dat gaat over gepland. Maar dat vind ik zo’n gewoon woord dat ik niks met die toegevoegde opmerking kan. Nouja, voorlopig maar laten staan dus.

Waar ik bij ander redactiewerk rücksichtslos kies voor het belang van de lezer, nu en hier, moet ik in deze tekst dus de hele tijd schipperen tussen dat belang en het recht doen aan de schrijver. Sowieso, maar al helemaal omdat ik nog niet weet wie de lezers gaan worden. Daarom hak ik de knopen voorlopig door richting opa’s eigen keuzes. Het later aanpassen aan een hedendaagse lezer/leek kan altijd nog.

 

Citeren

In journalistieke teksten is citeren de gewoonste zaak van de wereld. Je zet er aanhalingstekens omheen, en dan heeft iemand anders dat dus zo gezegd. Of nouja, niet altijd helemaal letterlijk. Op z’n minst bewerkt de journalist de spreektaal tot iets leesbaars, dus de uh’s enzo gaan eruit. Vaak gaat de bewerking ook wel verder en zijn de citaten meer parafrases dan letterlijke uitspraken.

Het komt alleen wel wat nauwer als je de spreker iets zelf kunt horen zeggen, als dat iemand is die nogal in de belangstelling staat, en als je er als journalist wel een erg vrije draai aan geeft. De NOS ging wat mij betreft afgelopen dinsdag over de schreef in hoe ze Wilders parafraseren maar wél aanhalingstekens om die woorden heen zetten. Kijk zelf maar: http://nos.nl/artikel/2115599-wilders-vindt-vertrek-farage-ongelukkig.html

Met dank aan @rovaz voor de inspiratie

Actiefoto’s

Zo heel veel foto’s van mijzelf aan het werk heb ik niet. Nou doe ik het schrijfwerk voor de Vrouwentriathlon als vrijwilliger, maar toch wil ik de actiefoto’s die zondag bij de wedstrijd in Utrecht zijn gemaakt hier graag laten zien, daarvoor vind ik ze zeker leuk genoeg. Ze zijn gemaakt door John de Boer.

Zo zie ik eruit als ik aan het interviewen ben:

vrouwentriathlonreporter4vrouwentriathlonreporter2En het resultaat daarvan was het persbericht dat hier is overgenomen.

 

Ruim dertig fraaie beïnvloedingsvoorbeelden

CoverIk kocht Beïnvloeden met emoties. Pathos en retorica van Jaap de Jong, Christoph Pieper en Adriaan Rademaker tegelijk met Harder praten helpt niet. Ik had niet heel goed opgelet om wat voor soort boek het ging, en aangenomen dat het zo ongeveer hetzelfde thema had, namelijk: hoe beïnvloed ik anderen? Toen ik het uit de kast pakte om te gaan lezen, schoot er dan ook door mijn hoofd: kennelijk is dat onderwerp hip op dit moment, maar ik vind dat het tijd wordt voor een boek ‘hoe verweer ik mij tegen de beïnvloedingsstrategieën van anderen?’ Omgekeerd dus eigenlijk. Ik vind dat niet alleen nuttig vanwege de Brexit-campagne en het toenemende populisme, maar ook vanwege reclame/commercialisering en de toenemende nudging door de overheid. Blijf maar eens echt zelfstandig denken onder al dat beïnvloedingsgeweld.

Toen sloeg ik het boek open en was ik verrast: dit is zo’n boek! Nouja, het is geen praktisch handboek met adviezen voor hoe je te verweren, maar het is wel een vlootschouw van beïnvloedingstechnieken, geïllustreerd aan de hand van meer dan dertig moderne en klassieke toespraken, voorbeelden uit de media, heet recht, literatuur, muziek, film en beeldende kunst. Daar zitten fraaie en geslaagde voorbeelden bij (Obama, Peter van Uhm, Timmermans en veel klassiek werk), maar ook tenenkrommende (Wilders, DDR-propaganda, Armstrongs betoog onschuldig te zijn aan dopinggebruik).

De bijdragen zijn van allemaal verschillende auteurs, en die De Jong, Pieper en Rademaker zijn  niet zozeer de schrijvers, maar de redacteuren of samenstellers. Het boek laat zien hoe het moet en niet moet, maar ze laten vooral ook zien op welke manieren ‘men’ ons probeert te beïnvloeden door op ons gevoel in te spelen. En dat vind ik dus nuttig en nodig: een gewaarschuwd mens telt voor twee.

Meer dan dertig voorbeelden, op dik 200 pagina’s, met foto’s (leuk!) dat wil dus zeggen dat de stukjes allemaal vrij kort zijn. Van een aantal van de auteurs heb ik al wel eens wat langers gelezen – er zitten namelijk nogal wat bekenden van me tussen via mijn link met de Leidse universiteit, waar dit boek vandaan komt. Dat verhaal van Henrike Jansen over het verweer van wielrenners tegen beschuldigingen van doping, dat kende ik al als wetenschappelijke artikel, en het werk van Ronny Boogaart (in dit boek gaat het over de verzuchtingsinfinitief ‘Zo te kunnen voetballen!’) en van Maarten van Leeuwen over de strategieën van Wilders besprak ik zelfs al eerder op dit weblog. Dan blijft het leuk, nuttig en interessant, maar wel wat kort, en dat vond ik ook van de stukken die ik nog minder goed kende.

Het smaakt echt naar meer, dit. Voor mij dan. Ik denk dat het voor een breed publiek juist nog wat praktischer zou mogen, meer een echte how-to. Dit boek bevat daar al het voorbeeldmateriaal voor!

 

Soms is tekst echt beter

In de huidige editie van Tekstblad (jaargang 22, nr. 3) staat een leuke column van Eric Tiggeler over iets waar ik me ook al vaker druk om heb gemaakt: de grafische file-informatieborden die tegenwoordig langs veel snelwegen staan, zoals deze van hier in de regio:

Bord ring Rotterdam

Tiggeler beschrijft hoe hij daar iets niet van snapte, bijvoorbeeld omdat de weergave wel heel erg abstract zijn: de snelwegen lopen niet in een nette rechthoek om de stad heen. De symbolen, zoals de verschillende soorten pijlen, zijn ook niet bepaald vanzelfsprekend. Bovendien moet je de informatie zien te verwerken terwijl je er met 80 à 130 km per uur langsrijdt. Tiggeler raadpleegde de verklarende folder van Rijkswaterstaat, maar werd daar ook niet veel wijzer van.

Ik herken het helemaal, en ik kan daar nog twee eigen ervaringen aan toevoegen:

  • Ik ben van de oude stempel die meer kaartleest dan tomtomt, en dus had ik in het begin de neiging om het vierkant zo te interpreteren dat het noorden boven ligt. Ik weet nu wel dat het anders is, maar ik moet het nog steeds omdraaien in mijn hoofd om te weten waar ik heen moet – waar ik woon, zeg maar. Bij dat pijltje naar de A13 – maar ik woon helemaal niet pal in het westen van de stad! (En van ons vandaan loopt de A20 niet recht naar het zuiden, potjandorie!)
  • Ik rijd zo af en toe langs knooppunt De Poel, en daar staat een bord met een soort spaghetti met tekst erbij over de te verwachten rijduur dan wel vertraging, en ik weet nog steeds niet welke tekst op welk sliertje slaat. Ik krijg dat erlangsrijdend gewoonweg niet ontcijferd.

Tiggeler wil tekstborden zoals ‘3 km file A9 richting Almere’ en dat zou al schelen, maar ik vind ook wegnummers nog te abstract. Als ik op de Rotterdamse ring afrijd, heb ik het meest aan de aanduiding ‘via Beneluxtunnel’ en ‘Via Brienenoordbrug’. Dat is voor mij de cruciale keuze, en over welke snelwegnummers dat precies is, daar moet ik alweer over nadenken. Gelukkig staan die ‘via’-borden er soms ook.

Met mijn kaartleesachtergrond is een noord/oost/zuid/west-aanduiding een mogelijk alternatief, zo van: file op de ring-zuid. Zo werken mijn hersenen: landmarks en windstreken. Geen te kantelen cryptische vierkanten. In plaats daarvan tekst – want ja, tekst is soms echt hartstikke handig!

Fan-tas-tisch boekje!

CoverHet boekje kost nog geen tientje en is geschreven door een universitair docent die gepromoveerd is op het onderwerp waar het over gaat. Nou, dat moet wel een goede prijs-kwaliteitverhouding zijn, toch? Deden maar meer wetenschappers dat, zulke toegankelijke boekjes schrijven!

Ik heb het over Fan-tas-tisch om hier te zijn. Verbeter je taalgebruik van Christine Liebrecht. Dat gaat over taalversterkers: talige middelen om je boodschap zo effectief mogelijk te maken. Zoals af en toe, maar niet te vaak, zeggen dat iets fan-tas-tisch is, zoals onze koning doet. Dat is een superlatief, en dat is maar één van de twintig soorten taalversterkers die Liebrecht behandelt, in korte hoofdstukken met veel leuke voorbeelden.

Humor komt bijvoorbeeld een keer in een eigen hoofdstuk aan de orde, maar ook in de andere hoofdstukken staan grappige voorbeelden. Een voorbeeld uit het humor-hoofdstuk (p 118):

Een man en vrouw zijn in hun blootje aan het picknicken. Zegt de vrouw: Leuke picknick. De man: Ik heet geen Nick. 

Die kende ik nog niet! Of dat nou taal versterken is of er simpelweg mee spelen, wat maakt het uit – het is leuk, en dat is effectief.

Ik weet niet of mijn taal verbetert van het boekje, zoals de ondertitel belooft, maar wel raakte ik er maar weer eens van onder de indruk hoe veel er met taal kan, hoe veel je ermee kan spelen ook. En dat is hartstikke leuk.

Op details zou ik een heleboel te zeuren hebben. Ik ben het met lang niet alle voorbeeld-analyses eens en ze doet wat voor mij als ‘deskundige’ een paar gekke dingen, zoals een vergelijking een metafoor noemen (en omgekeerd) en suggereren dat we superlatieven in rijtjes (op school?) aangeleerd hebben – zo leer je je moedertaal niet. Titel en ondertitel vind ik ook niet heel geslaagd. Enzo.

Maar dat is allemaal muggeziften. Dit boekje is voor een breed publiek simpelweg een hartstikke dikke aanrader! Het inspireert echt om eens wat anders te doen dan standaardzinnen oplepelen.

Dus: met wat voor taalversterkers zal ik het verder aanprijzen? Ach, laat maar – ga het maar gewoon lezen!

Goed boek

CoverIk doe op dit weblog regelmatig verslag van vakboeken die ik heb gelezen, maar niet zo vaak van andere boeken, zoals romans. De relevantie daarvan voor mijn werk is er niet zozeer per boek. Wel in het algemeen: ik lees óók literatuur om mezelf bloot te stellen aan goede teksten. Dat houdt me fris. Maar vooral toch lees ik ze voor mijn plezier.

Een goed boek dat ik met veel plezier heb gelezen wil ik hier nu toch noemen, omdat het wel twee raakvlakken heeft met het ‘tekstenwerk’: Dood van een thrillerschrijfster van Pauline Slot. Slot is een vakgenoot van mij, ook taalbeheerser dus, al ken ik haar eigenlijk alleen maar van naam – en eerdere romans, want die schrijft ze al jaren. Maar daarvoor bijvoorbeeld ook een boek over het schrijven van betogen. Dat is het eerste raakvlak.

Het tweede raakvlak is dat  het boek schrijven als onderwerp heeft. Het speelt zich af tijdens een schrijfretraite op een mooie plek in Griekenland, waar een divers groepje schrijvende mensen zich een week terugtrekt om te kunnen werken aan hun boek, en daarbij begeleid te worden door de hoofdpersoon. Eén van die schrijvers is een bekende thrillerschrijfster, en rondom haar ontspint zich ook nog eens iets thriller-achtigs. Dat is niet de enige dubbele bodem.

Het boek is spannend, meeslepend en erg grappig. Toen ik net even googlede op het boek, zag ik in een recensie het woord vilein staan, en dat neem ik graag over. Het boek neemt alles op de korrel, vooral in de vorm van de gedachten van de hoofdpersoon. Die is vernietigend over de aspiraties van de wannabe-schrijvers, over de thrillerschrijfster (vast ook jaloers; zelf schrijft ze ook, maar niet zo succesvol) maar ik vond ook de eigenaardigheden van de andere deelneemsters fraai getypeerd. Ik moest vooral lachen om de dame die zo’n modern dieet volgt en dus geen gluten eet en haar theewater altijd vier minuten door laat koken – behalve als de taart-met-gluten wel heel erg lekker is! Het is wat dat betreft ook een tijdsbeeld, inclusief de vluchtelingencrisis (Griekenland!).

Het einde is open en daar houd ik ook wel van: nog een tijdje nadenken over hoe het nou precies zit. Dat zit hem er vooral in dat je als lezer niet weet wat tot de vertelde ‘werkelijkheid’ hoort en wat ook binnen het verhaal fictief is. Anders gezegd: de verteller is onbetrouwbaar. Dus of de titel wel ergens op slaat… lees het zelf maar om dat uit te zoeken!

 

Subtiele signalen beïnvloeden communicatie

Ik werd vorige week geattendeerd op het stukje op het weblog van Debatrix over hoe taal ervoor zorgt dat de ander openhartiger wordt (dank, Marina). Als het verwerken van wat iemand zegt makkelijk gaat (processing fluency), schat je kennelijk een situatie in als niet zo risicovol. Daardoor voel je je meer op je gemak en ben je geneigd meer prijs te geven. 

Er staat een verwijzing onder naar het oorspronkelijke onderzoeksartikel van Alter en Oppenheimer (2009). Dat heb ik inmiddels ook gelezen, maar daar wordt de link met taal en woorden niet gelegd en al helemaal niet aangetoond. Wel met leesbaarheid: meer en minder makkelijk leesbare lettertypes. Een moeilijk leesbaar lettertype (grijs, cursief, 10 punts) leidt tot minder openhartigheid dan een  makkelijke (zwart, gewoon, 12 punts), zo bleek in een aantal aardige experimenten. De meeste daarvan waren in het laboratorium, maar één was ‘in het echt’: een website waar mensen geheimen kunnen delen werd makkelijker leesbaar gemaakt door een beter contrast tussen letter en achtergrond, en inderdaad werden daarna de bijdragen (nog) openhartiger.

Enerzijds jammer dat het dus niet om moeilijke woorden blijkt te gaan waar mensen geslotener van worden, maar anderzijds: lettertype is eigenlijk nog subtieler. Had je ooit verwacht dat je van een 12-puntsletter openhartiger wordt dan van 10? Iets om bij het schrijven rekening mee te houden!

Sowieso is natuurlijk interessant dat je kennelijk heel subtiele signalen oppikt uit de communicatiesituatie en daardoor beïnvloed wordt. Iets soortgelijks kwam ik vanochtend tegen in een stukje op Neder-L waarin Marc van Oostendorp oppert dat stopwoordjes voortkomen uit angst van de spreker. Ik vond dat enigszins vergezocht, het lijkt me wat psychologiserend voor iets wat bij doodgewone interactie hoort, totdat me te binnen schoot dat iemand die ik ken alleen aan de telefoon grossiert in dus zeggen. Heeft die misschien bel-angst?