Twee nuttige links

Vandaag twee verschillende maar allebei nuttige links:

  • Op het Blogatelier een mooie uitleg over waarom je niet ‘voor iedereen’ kunt schrijven. Dat geldt niet alleen voor blogs, maar voor alle genres. Ik moest onmiddellijk denken aan de discussie die ik een paar maanden geleden voerde in een training met een deelnemer die beweerde dat zijn beleidsteksten ‘voor iedereen’ leesbaar moesten zijn. Ik betoogde toen ook dat dat onmogelijk was, maar ik had daar volgens mij een boel meer woorden voor nodig dan dit weblog!
  • Tekstnet heeft op een rijtje gezet wat de Wet DBA betekent voor tekstenwerk. Nuttig, geruststellend, en met dezelfde conclusie als waar ik ook al op uit was gekomen: in vrijwel geen enkel geval is een (model-)overeenkomst nodig voor het soort werk dat ik doe. De enige uitzondering voor mij is het werk dat ik doe voor de universiteiten. Dat kon al niet altijd als zelfstandige (helaas…), en dat gaat niet veranderen, dus is een overeenkomst als ik het wel als zelfstandige doe wel nodig.

Interview met mij

Lamar Communicatie heeft een nieuwe website. Die is sowieso de moeite waard om te zien, maar wat helemaal leuk is: ik sta erop! Ik ben geïnterviewd door Lyanne Lamar, met wie ik regelmatig samenwerk. Ze heeft me uitgehoord over mijn visie op beter schrijven in organisaties. Dat was al een heel leuk gesprek, en ik ben blij met en trots op het resultaat:  http://lamarcommunicatie.nl/interview-louise-cornelis/

 

Plakkerig

Ik was in de loop van de jaren al wel vaker de ideeën van Chip en Dan Heath over de plakfactor (‘made to stick’) tegengekomen, maar pas nu net heb ik het boek gelezen, over waarom sommige ideeën aanslaan en andere niet. Dat boek is inderdaad de moeite waard, en de relevantie ervan werd me ook duidelijk.

De Heaths (het zijn broers) claimen dat het succes van een idee afhangt van zes kenmerken: het is eenvoudig, onverwacht, concreet, geloofwaardig, en gebracht met gevoel en met een verhaal. In het Engels kun je daar het acroniem succes van maken: simple, unexpected, concrete, credible, emotional, story. Dankzij de vele aansprekende voorbeelden is hun eigen idee wat mij betreft ook zeker succesvol.

Bovendien valt me op dat in elk geval de eerste twee factoren overeenkomen met de kenmerken van een goede hoofdboodschap in het piramideprincipe: het is die ene, kernachtige uitspraak (simpel) die de opdrachtgever op het puntje van zijn stoel krijgt (onverwacht). Een héél goede hoofdboodschap is daarnaast beslist ook concreet, geloofwaardig en misschien zelfs ook wel emotioneel. Dan houdt het wel een beetje op, want het piramideprincipe is juist niet narratief.

Eén van de eerste voorbeelden in het boek illustreert het verschil tussen narratief en piramidaal overtuigen. Om het idee ‘pas op voor onbekende mooie vrouwen in de grote stad die je een drankje aanbieden’ over te brengen, is het beroemde broodje-aap-verhaal over de gestolen nier overtuigend, waar het piramideprincipe om rationele argumentatie zou vragen. Ook al blijft het broodje aap beter hangen, met een broodje aap wil je je klant niet overtuigen natuurlijk.

Enfin, leuk boek, en ik had het nét uit toen ik thuis een fraai vormgegeven brochure aantrof van – uh, ja, van wat eigenlijk? Het heet ‘Route 33’, naar de buslijn die naar onze wijk voert. Maar de tekst zondigt tegen alle plakfactoren en daardoor krijg ik geen idee wat ze nou eigenlijk doen en of ik daar wat aan heb of mee kan:

Abstracte tekst

Wat hiervan blijft hangen is vooral de indruk van abstract beleid. Van het idee dat een ‘netwerk’ mij zou kunnen ‘ondersteunen’ krijg ik zelfs een beetje jeuk. Ik denk niet dat dat is wat de schrijvers wilden overbrengen. Misschien moeten ze De Plakfactor maar eens lezen.

De oogst aan links

Hier weer eens wat links naar interessante blogposts en webpagina’s die mij de laatste tijd bereikten via Twitter en soortgelijke kanalen:

  • Op http://www.dewereldmorgen.be/artikel/2016/02/26/jan-blommaert-let-op-elk-woord-neem-loonlast-voor-wie-is-dat-een-last laat Jan Blommaert mooi zien hoe ideologisch geladen woordkeuze is. Loonlast – voor de meeste mensen is loon bepaald geen last, dus als je dat woord gebruikt, schaar je je duidelijk aan een bepaalde kant. Het stuk is eigenlijk aan aankondiging van een boek van Blommaert, maar het is zo uitvoerig dat het zelfstandig prima leest – als pleidooi voor kritisch leren denken ook!   
  • Op http://www.sayx.nl/content/schrijfcursus-voor-werknemers-overbodig/ staat een (al wat ouder) betoog tegen losse schrijftrainingen, iets waar ik me goed in  kan vinden. De performancebenadering wordt als alternatief aangedragen, ik had het daar laatst ook al over, maar terecht volgt daarna een stukje over dat ook die niet altijd tot beter schrijven leidt. Soms kun je schrijven maar beter uitbesteden aan mensen die er hun vak van hebben gemaakt. Of ik zou zeggen: samen doen met. Want alléén kan zo’n tekstschrijver het ook niet.
  • Op https://pfauth.com/blogging-advice/effective-writer/ staat een mooi stuk over schrijven, ook alweer van een dik jaar oud, met als belangrijkste strekking: scheid schrijven van redigeren. Helemaal mee eens! En Blaise Pascal, die laat ik ook regelmatig voorbijkomen. Opvallend: is het blog van taal veranderd? De recente pots zijn in het Nederlands. En de 101  ‘thoughts’ eronder zijn dat niet helemaal…
  • Het Taalbeheerser-weblog was laatst heel productief, en daarvan vond ik deze post nuttig: zo’n lijstje zocht ik laatst, maar om als grap omgekeerd te gebruiken. Zo van: hoe kom je academischer over, dan wel hoe kom je aan meer woorden als je aan een minimumeis moet voldoen? 
  • Ik kan bijna elke keer dat ik zo’n lijstje met fraaie links hier post wel verwijzen naar slidemagic.com, het weblog van Jan Schultink over het ontwerp van investeringspitches waar ik groot fan van ben. Dus ook nu maar weer. Schultink had bijvoorbeeld een tijdje terug een interessante post over het verloren gaan van de hoofdboodschap in zo’n presentatie: http://www.slidemagic.com/blog/2016/4/7/ooff-but-we-answered-you-already.  

Uit de vakliteratuur

De afgelopen dikke week vielen Tekstblad en Tijdschrift voor Taalbeheersing in de bus. Uit allebei één dingetje voor hier:

  • Tekstblad heeft tegenwoordig in elke aflevering een paar ‘favoriete schrijfoefeningen’ van schrijftrainers. Ik vind die telkens leuk om te lezen, maar nu dacht ik voor het eerst: ‘dat ga ik ook een keer zo doen!’ Het gaat om de oefening van Leonore Noorduyn voor het formuleren van de hoofdboodschap, in dit geval voor een zakelijk blog, maar ik ga uitproberen of het ook zo lukt bij andere zakelijke teksten. Hij heet ‘De schreeuw op het station’ en dat is ook de kern ervan: je kan nog net je lezer toeroepen wat je te zeggen hebt voordat diens trein vertrekt. Dat bereid je voor, en je spreekt de hoofdboodschappen met elkaar na, vooral ook om te checken of de lezer er nieuwsgierig van wordt.
  • In Tijdschrift voor Taalbeheersing staat een verslag van onderzoek van Frank Jansen en Daniël Janssen naar de mate waarin spelfouten in sollicitatie- en sponsorbrieven de besluitvorming beïnvloeden. Die invloed is er inderdaad: lezers zijn negatiever over brieven met veel d/t-fouten. Anders dan de onderzoekers verwachten is er daarbij geen verschil tussen sollicitatie- of sponsorbrieven. Wel is de aard van het oordeel verschillend: bij sollicitatiebrieven is het oordeel meer over de schrijver, bij sponsorbrieven over de tekst. Dat oordeel over de schrijver is overigens niet alleen maar zwart: spelfouten zijn ook een teken van authenticiteit. Bovendien zijn mensen harder in hun oordeel over spelfouten dan over brieven-met-spelfouten. Sommige spelfouten passeren ongezien, en het lijkt erop dat lezers ook best wel een beetje vergevingsgezind zijn.

Piramideprincipe: willen en kunnen

Nog een terugblik op het college: over hoe het de studenten is vergaan met het piramideprincipe. Ze hebben daarin aan het begin één keer een korte training (1,5 uur) gehad en op het college daarna in een presentatie ermee geoefend. Dat is ongeveer overeenkomend met wat ik elders in organisaties wel als basistraining doe. De eerste twee oefeningen in die korte training waren zelfs precies hetzelfde.

Vervolgens moesten ze het gaan toepassen, op drie schrijfopdrachten die het cijfer voor het vak bepaalden en waar ik het op dit blog ook telkens over heb gehad: een theorie-opdracht over de vraag wat een advies goed maakt, een praktijkopdracht over wat er terechtkomt van communicatie-advies en een reflectieverslag. Samen maakten die 90 procent van het cijfer uit, en dat vond ik achteraf te veel, niet zozeer vanwege zo veel piramideprincipe, maar omdat het allemaal schriftelijke communicatie was, alsof je als adviseur niet heel veel mondeling doet. Als ik het vak nog een keer zou geven, wat dus niet zo is want het houdt op te bestaan, zou ik dat anders doen; ik had het nu overgenomen van eerdere jaren.

Maar goed, schriftelijke piramides dus, en ik vond dat de studenten dat prima gedaan hebben. In het begin was er een beetje gepruttel vooral over de noodzaak tot die ene hoofdboodschap. Zo’n onderwerp als ‘een goed advies’ is heel breed, en dan lijkt zo’n eis beperkend. Dat is-ie niet, volgens mij, want een hoofdboodschap kan zelf ook breed zijn – zo komt er in die breedte wel een duidelijke kern. Om maar een reden te noemen waarom de eis geldt. Ik heb dat nog eens uitgelegd in iets wat ik FAQ’s ging noemen, zie hieronder.

Maar verder ging het goed en zag ik helder gestructureerde, logisch samenhangende teksten, in de tweede ronde alweer meer dan in de eerste. Dat ging dus hartstikke goed – veel beter dan in de gemiddelde organisatie die het piramideprincipe aanleert. De meeste studenten hadden er volgens mij ook wel lol in om eens zo anders te schrijven dan meestal op de universiteit, en ze zagen de relevantie voor de praktijk wel. Hoe komt het toch dat ik zo vaak ene andere houding aantref bij mensen die een paar jaar verder zijn?

Eén deel-antwoord op die vraag gaven de studenten indirect toch ook. Er was er één van wie ik geen goede piramide heb gezien en die zei, toen we erover spraken, het niet te zien zitten, dit type opdrachten zo structureren. Daar speelde meer mee, maar één ding leek me zeker te gelden: niet kunnen en niet willen gingen hand in hand, vormden een voor mij niet zomaar te ontwarren knoop. Bij één op 28 studenten is dat een incident; bij, zeg, acht van twaalf te trainen medewerkers gaat het om serieus verzet waarin met een beetje pech die andere vier ook worden meegetrokken. En dan moet ik dus eigenlijk acht of twaalf van die willen-kunnen-knopen gaan ontwarren!

—————————————————————————————————————————-

Uit de FAQ’s – Waarom die ene hoofdboodschap?

Vraag: Waarom moet je eigenlijk per se die ene, kernachtige hoofdboodschap formuleren? Het antwoord op de klantvraag kan toch ook uit een paar onderdelen bestaan? Die vraag heb ik gehoord, maar ik zie ook een aantal meervoudige hoofdboodschappen in jullie uitwerkingen van opdracht 1 – dus hoofdboodschappen met en of komma’s en/of andere voegwoorden erin, of zelfs bestaande uit meerdere zinnen.

Antwoord: Ik heb daar een aantal argumenten voor, die misschien wel op hetzelfde neerkomen: omdat dat je ‘dwingt’ je gedachten tot die ene kern ‘door te duwen’ (‘to push your thinking’):

  • Omdat je zo de ‘sense of urgency’ uit kunt drukken, zie http://www.lhcornelis.nl/schrijftips/over-het-nut-van-dehoofdboodschap/
  • Omdat je hoofdboodschap waarschijnlijk anders een samenvatting is van de rode draad, en niet iets overkoepelends zegt. Daarmee beantwoord je dan dus ook niet de so-what-vraag over de elementen van de rode draad: wat betekenen die samen? Dus als je bijvoorbeeld zegt, in opdracht 1: een advies is goed als de adviseur oprecht is en de stappen van het adviesproces goed zet, en paragraaf 1 is dan ‘oprechtheid’ en 2 ‘stappen’, dan herhaalt de hoofdboodschap alleen maar het niveau van de rode draad. Dat is trouwens ook gek in de tekst, die herhaling, alsof de tekst stilstaat. De lezer kan aan het eind blijven zitten met de vraag ‘dus?’
  • Omdat je bij een meervoudige (hoofd-)boodschap geen eenduidig startpunt hebt voor je logica. Zelfde voorbeeld als net: als je dan de waarom-vraag gaat beantwoorden, slaat dat waarom (en dus ook het antwoord) op het eerste deel van de HB, op het tweede deel, of op allebei samen?
  • Omdat een meervoudige hoofdboodschap er soms op duidt dat je nog net niet helemaal uitgedacht bent. Dat is dan vaak het geval als je in de hoofboodschap twee keer ongeveer hetzelfde zegt, waardoor de twee delen ervan overlappen, maar bijvoorbeeld in het tweede gedeelte preciezer (‘een advies is goed als de adviseur kwalitatief goed werk aflevert en de stappen van het adviesproces goed doorloopt’). Dat is een soort multiple choice: welk van de twee delen is het nou écht? Hak een knoop door, laat dat niet over aan de lezer!
  • Omdat het je hoofdboodschap moeilijker vindbaar maakt, vooral bij afzonderlijke zinnen. De lezer leest de eerste en denkt ‘m te pakken te hebben. Dan komt er nog één. En nog één? En nog één??? Lezers kunnen dat als ‘wollig’ ervaren. Een goede tekst ís kernachtig, en dat zit hem dus ook hierin.

En hoe doe je dat nou, zo’n eenduidige hoofdboodschap formuleren? Nou, dat is dus vooral een kwestie van nog langer, beter, dieper denken, er het beroemde nachtje over slape, eens met iemand over praten, enzovoort…. Zie verder hoofdstuk 4 van Adviseren met perspectief!

Slot adviseren over Communicatie

Vorige week hebben we het vak ‘Adviseren over communicatie’ afgerond. De slotweek begon ermee dat de studenten hun reflectieverslag inleverden. Ik heb die verslagen met veel plezier gelezen. De meest opvallende zin uit de stapel van 28 verslagen was deze openingszin van Eva van Schaijk:

De afgelopen periode heb ik voor mijn studie voor het eerst stukken van twee pagina’s geschreven in plaats van vijftig pagina’s tellende rapporten.

Toen ik ‘m voor het eerst las, schoot ik spontaan in de lach, terwijl ik later dacht: het is ook eigenlijk om te huilen hoe slecht het hoger onderwijs studenten voorbereidt op de praktijk. Enfin, daar heb ik het hier vaker over (laatst nog). Het contrast tussen onderwijs/universiteit en praktijk is in het vak regelmatig aan de orde gekomen, en ik hoop dat ik de studenten zo wél een beetje heb voorbereid.

Verder waren de reflectieverslagen heel uiteenlopend. Ik heb meer een reactie gegeven dan echte feedback, en ook mijn reacties waren heel verschillend. Wel gaf ik een aantal tips meerdere keren, en die heb ik voor hier bij elkaar geharkt:

  • Over adviseren over schrijven/teksten: Blijf vooral doorgaan met het ontwikkelen van je eigen schrijven. Dat doe je door veel te schrijven, deels voor jezelf (‘freewriting’ – de studenten kennen dat) en deels ook in allerlei contexten, dus met een variatie in genres en lezers. Vraag op die tweede vorm vooral ook veel feedback, dat is dé manier om steeds beter te gaan schrijven.
  • Over beter luisteren, een boekentip: De kracht van luisteren. Inzicht in communicatie van Larry Barker en Kittie Watson (Den Haag: BZZTôh, 2001, alleen tweedehands nog te verkrijgen, of anders in het Engels: Listen up!) Daar kun je praktisch mee aan de slag, en er staan bovendien veel leuke voorbeelden in.
  • Over beter ‘nee’ zeggen: wat mij heeft geholpen is om het ‘ja’ zeggen uit te stellen. Ik bedoel: ik vond (of vind nog steeds) het in eerste instantie lastig om ‘nee’ te zeggen, en wat ik me heb aangeleerd is om dan iets te zeggen als ‘vind je het goed als ik er later op terugkom/als ik het je morgen laat weten’ e.d. Zo geef ik mezelf de kans om na te gaan wat ik écht wil zeggen en dat eventueel ook te onderbouwen, of met een alternatief te komen.
  • Over beter overtuigen: overtuigen bij adviseren begint met het opbouwen van partnerschap. Dan hoef je namelijk niet te overtuigen, want je hebt het advies samen gemaakt en zo al commitment gekweekt.
  • Over flexibel zijn: ja, belangrijk, maar zorg ervoor dat je niet te flexibel wordt, want dat heeft minstens twee valkuilen: qua tijd kan het ten koste gaan van de balans in je leven, en inhoudelijk neigt al te veel flexibiliteit kan gaan neigen naar de handlangersrol met de opdrachtgever (‘u vraagt, wij draaien’, c.q. ‘zegt u het maar’. Dan ben je dus niet voldoende gelijkwaardig.
  • Als er naar mijn idee wel heel vaak ‘moeten’ voorkwam in het verslag heb ik daar ook iets over gezegd, zo van: kijk vooral ook naar wat je al kunt, zet jezelf niet te veel onder druk, wat als je ‘moeten’ overal eens zou vervangen door ‘willen’?

Op het laatste college hebben de studenten deze en andere reacties van me teruggehad, we moesten verder nog wat andere dingetjes regelen en tot slot hebben de studenten allemaal een kaart uitgekozen en aan zichzelf geschreven die ze over een paar maanden van me terugkrijgen. Ze zijn dan stage aan het lopen en die kaart gaat hen eraan helpen herinneren dat goed stage lopen nog iets anders is dan echt adviseren. Deze kaarten zijn het:

Kaarten van&voor de studenten

En toen zat het erop! Ik heb het geven van het vak als best pittig ervaren, en daarom was ik er blij om dat het afgelopen was, maar toch vond ik het ook jammer: ik leerde de studenten pas net echt kennen. En nu zie ik ze niet meer! Er komt ook geen vervolg, want het vak houdt op te bestaan. Ik heb het met veel plezier gegeven en er zelf ook veel van geleerd. Dat zat hem in wat voor mij ook nieuwe literatuur, in de gastcolleges, maar vooral in de leuke, goede en slimme dingen waar de studenten mee kwamen. Ik praatte nog even na met de hoogleraar waaronder het vak valt, en die zei dat ook: precies dat is het leuke van werken met studenten!

Freewriting vaak ondergewaardeerd

In een recente blogpost beschrijft Alison Donaldson (schrijfadviseur met originele ideeën) haar denkproces in de aanloop naar een workshop voor studenten over het schrijven van een goed essay.  Ze komt erop uit dat ze drie dingen over wil brengen. De eerste twee daarvan liggen nogal voor de hand, zo zegt ze zelf ook: organiseer je denken en schrijf goede zinnen.

De derde is inderdaad een veel zeldzamer advies. Donaldson bepleit het bevrijden van je creativiteit, bijvoorbeeld door freewriting (‘taking pen and paper and spending a few minutes handwriting whatever comes to mind on a particular subject without stopping or erasing anything’) en door te praten, bijvoorbeeld met een mede-student.

Over dit advies zegt ze dat het often underrated is. Ik ben het daarmee eens: het is een uitermate nuttig advies, en je hoort het inderdaad veel te weinig!  

Adviseren is hartstikke relationeel

De studenten van het vak Adviseren over Communicatie hebben de afgelopen weken in duo’s een praktijkonderzoek gedaan. Ze gingen op bezoek bij een adviseur en diens opdrachtgever om te kijken wat er in de praktijk van een advies terechtkomt. Twee duo’s gingen naar een adviseur uit mijn netwerk, de andere twaalf naar een student uit het jaar ervoor die net klaar is met de stage en daarin een advies gegeven heeft. In de afgelopen week hebben mijn studenten er op college en op papier over gepresenteerd.

Het is niet in één term te vatten wat er van een communicatieadvies in de praktijk terechtkomt: dat is zeer divers. Wat wel duidelijk naar voren komt uit de presentaties is dat adviseren erg ‘hangt’ op de relatie tussen adviseur en geadviseerde. Als die goed is, kan het advies zelf soms best een beetje rammelen, en dan nog is de geadviseerde tevreden. Als de relatie minder goed is, lukte het mijn studenten soms niet eens om de geadviseerde te spreken te krijgen, zo weinig verbonden voelde die zich kennelijk.

Het relationele karakter van adviseren viel vooral op in de context van zo’n stage. Want op de universiteit kun je best in je uppie goed onderzoek doen, en dan op de laatste avond er een paar aanbevelingen bij bedenken. Zo is het wel gegaan in die stages, en dat leidt mogelijk tot een goed stage-resultaat, maar de opdrachtgever vindt de aanbevelingen dan ‘leuke ideetjes’ en dat is niet echt een compliment.

Ik herken dat wel van de adviseurs met wie ik werk: zo lang hun rolopvatting die van expert is (vakinhoudelijk specialist, deskundige, onderzoeker), bungelt het adviseren er altijd een beetje losjes bij. Als je de rol van adviseur serieus neemt, streef je naar gezamenlijkheid, gelijkwaardigheid, gedeelde verantwoordelijkheid, partnerschap (de term van Block). Omdat dat tot een beter resultaat leidt (geen ‘leuke ideetjes’ maar iets waar de opdrachtgever daadwerkelijk mee aan de slag kan), maar ook omdat je zo gaandeweg commitment kweekt.

Als het relationele aspect bij adviseren zo belangrijk is, betekent dat dat je zelf als adviseur daar ook een belangrijke rol in speelt: jij bent de helft van die relatie. Met je hele hebben en houden, inclusief je vakkennis. Uit het praktijkonderzoek kwam naar voren dat opdrachtgevers vaak niet zo zitten te wachten op theorie. Maar anderzijds dus wel, want daarom laten ze zich adviseren. Ze zitten volgens mij niet te wachten op theorie-om-de-theorie, en dat snap ik wel. Maar ze hebben wel degelijk behoefte aan goede vakkennis.

En daar komt de link met het piramideprincipe. Iedereen kan feiten op een rijtje zetten, maar alleen een deskundige is in staat die te interpreteren in het licht van de belangen van de geadviseerde. En precies dat is wat je doet door (hoofd-)boodschappen te formuleren. In het praktijkonderzoek kwamen ook nog andere verschillen tussen schrijven en presenteren in de adviespraktijk en op de universiteit naar voren: opdrachtgevers willen het kort en bondig, ze willen wat kunnen met de resultaten, en ook schrijven doe je in de praktijk niet alleen.  

Het vak zit er nu bijna op; de studenten schrijven volgende week nog een reflectieverslag en we hebben een afrondend college. Als ze meenemen van dit vak hoe belangrijk de relatie is, dan vind ik dat winst. Zekere als ze zich realiseren dat ze zelf een heleboel kunnen en moeten doen om zo’n goede adviesrelatie tot stand te brengen. Het ging af en toe over de ‘klik’ die je al dan niet kunt hebben, en ja, die speelt een rol. Maar een klik kun je bevorderen. Dat begint met simpelweg investeren in die relatie. Hopelijk gaan ‘mijn’ studenten dat in hun stage én daarna doen!

Waarom geleerd proza lelijk is

In de NRC van afgelopen zaterdag stond een column van Harald Merckelbach met als titel ‘Waarom geleerd proza lelijk is’. Het stuk pleit in dezelfde richting als Willy Francissen en ik laatst al voor de tweede keer deden op een conferentie: laat studenten in het hoger onderwijs niet alleen maar schrijven voor de wetenschap. Dit zijn Merckelbachs slotwoorden:

Wees er vroeg bij en geef studenten veel schrijfopdrachten. En laat dan niet wetenschappers, maar journalisten aan studenten uitleggen wat een goed geschreven tekst is. Af en toe organiseren mijn collega’s en ik zo’n bijeenkomst, waarbij journalisten door studenten geschreven stukken van commentaar voorzien. De studenten vinden dat een nuttige oefening. Een vaak gehoorde opmerking is dat ze dan pas begrijpen waarom het makkelijk is om lelijk te schrijven. Want, inderdaad, schrijven is denken, mooi schrijven is helder denken en dat is waarom  het zo verdomd moeilijk is.

Uit mijn hart gegrepen! En de rest van de column lees ik ook met veel instemming. Dat wetenschappelijk schrijven zo lelijk is, ligt volgens Merckelbach aan twee oorzaken:

  • De kennisvloek, de curse of knowledge – hij verwijst daar naar Pinker, van wie ik dat ook heb geleerd en inmiddels al héél vaak dankbaar heb gebruikt: dat je je niet kunt voorstellen dat iemand anders niet weet wat jij wel weet. Daardoor wordt een tekst al gauw niet te harden voor oningewijden.
  • Al te veel nuance, leidend tot een krampachtige stijl. Merckelbach richt zich vooral op zombie-woorden: woorden die betekenisloos, maar wel een aura van diepgang bezitten, zoals framework, dimensie, model, proces, of in zijn eigen vakgebied: non-cognitieve processen bij leerlingen, maar ook chemische onbalans: een metaforisch begrip waarmee dubieuze aannames verdoezeld worden. Achter chemische onbalans zit de aanname dat depressies ontstaan door een serotonine-tekort, maar dat is helemaal niet bewezen en het doet mensen geloven dat een depressie net zoiets is als suikerziekte (insulinetekort), waarvoor je je hele leven medicijnen moet gebruiken. Kijk, dat lees ik niet alleen met instemming, daar leer ik nog wat van ook.