Eetadvies en genre-keuze

Het maakte nogal wat los en ook mij was het niet ontgaan: het interview met de twee vrouwen van The Green Happiness in de NRC van 17 september. Ook ik had me erover verbaasd dat die krant ruimte bood aan zo veel rare adviezen op het gebied van voeding – alsof er daar nog niet al veel te veel van zijn. Er stak een storm van verontwaardigde reacties op (voorbeeld). De NRC schrok daar zelf van, zo blijkt uit het stukje van de eigen ombudsman Sjoerd de Jong, een week later (p. O&D11, ‘Het groene geluk: opgediend en meteen weer doodgekookt’ ).

Wat mij vooral opvalt in dat stukje van de ombudsman is dat de ophef niet alleen een inhoudelijke basis is, maar ook een kwestie is van foute schrijfkeuzes:

  • De door de schrijver van het interview bedoelde ironische toon (tongue in cheek) kwam niet over. Het voorbeeld daarvan in het ombudsman-stukje ‘ze vertellen alleen wat je diep van binnen al wist’, had ik inderdaad ook niet ironisch begrepen. Ik denk dat dat komt omdat ik me goed kan voorstellen dat dat type dieetgoeroes en hun geestgezinden daadwerkelijk zo praten en denken, zonder enig spoor van ironie. (Waren ze maar wat ironischer, konden ze hun kennis maar wat beter relativeren. Dan was voeding niet zo’n soort heilige oorlog als op dit moment.)
  • ‘Het verkeerde genre is gekozen voor een goed onderwerp’, zo meent De Jong. In die wekelijkse lunchrubriek praten de geïnterviewden ‘over zichzelf, hun leven en opvattingen’. Het is bedoeld als een aardig gesprek. Maar dat is niet de geschikte vorm om ‘twee diëtisten uitgebreid een radicale, blijkbaar omstreden voedingstheorie te laten verkondigen’. Daar hoort op zijn minst een kritische kanttekening bij. Sowieso, maar al helemaal omdat het artikel online losstaand leesbaar is en het dan al helemaal onzichtbaar is dat het om een lifestyle-stuk gaat.

Het eerste punt, dat lezers niet altijd de door de schrijver bedoelde toon oppikken, dat is een bekend verschijnsel. Het tweede, dat het genre uitmaakt hoe de inhoud van een tekst begrepen wordt, dat hoor je minder vaak. Ik weet bijvoorbeeld wel dat er onderzoek is waaruit blijkt dat het uitmaakt wat lezers onthouden van een tekst, afhankelijk van als welk genre die wordt gepresenteerd: verhaal of nieuwsbericht. Maar ik weet bijvoorbeeld niet wat het uitmaakt om, bijvoorbeeld, dezelfde inhoud als rapport of brief te presenteren. Terwijl dat bij zakelijk schrijven een relevante afweging kan zijn.

Inmiddels zijn de vrouwen van The Green Happiness ook nog eens bij Lubach belachelijk gemaakt vanwege hun vele taalfouten. Nouja, da’s een ander vak dan voeding natuurlijk. 

De laatste van de stapel

CoverIn de zomermaanden heb ik een hele serie boeken besproken. Deels had ik die net aangeschaft; deels lagen ze bij mij op de stapel voor zo’n relatief rustige periode. Van die stapel komt er nou nog eentje achteraan: Taal op drift. Lange-termijnontwikkelingen in taal en samenleving van Joop van der Horst.

Het boek is uit 2013 en misschien heeft het wel drie jaar op mijn stapel gelegen. Ik had er namelijk weliswaar goeds over gelezen en ik vind dat Van der Horst vaker interessante dingen schrijft hij heeft mijn denken over de standaardtaal en taalverandering sterk beïnvloed.

Maar ik was ook een beetje geïntimideerd: 542 pagina’s, over iets taalkundigs (dus ver van het bed van mijn dagelijkse werk), ging ik dat wel trekken?

Ja, ik heb het zeker getrokken, al heb ik er wel langer over gedaan dan de eerdere boeken. Het kostte wat tijd, maar eigenlijk ging het lezen vrij makkelijk. Het boek is toegankelijk geschreven, met het oog op geïnteresseerde leken – al lijkt het me daar dan eigenlijk toch te dik en te veel voor, ik vond het sowieso wat veel, met veel herhaling en uitweiding en toespreken van de lezer. Van der Horst had z’n punt in zeker 100 pagina’s minder kunnen maken. Maar daardoor lezen die 475 pagina’s (de rest is noten en literatuur) wel relatief makkelijk.

Bovendien is het interessant. Van der Horst beschrijft enerzijds twee lange-termijnontwikkeling in de westerse talen. De eerste daarvan is bekend: het belang van naamvallen en werkwoordsvervoegingen neemt af, de rol van de zinsdelen en hun volgorde in de zin toe. De tweede voegt Van der Horst toe: het recentelijk toenemende belang van vaste verbindingen, zoals op de hoogte, in de wolken, van de gekke en naar de haaie. Hij ziet daarin een verschuiving van het belang van eigenschappen van een woord, eerst naar zijn functies en vervolgens naar zijn relaties of netwerken.

Die verschuiving, dus van het belang van eigenschappen naar functies en dan naar netwerken, die ziet hij vervolgens ook in de maatschappij, of althans, in de verhoudingen tussen mensen. In de middeleeuwse standenmaatschappij hadden mensen een vaste plek op grond van hun vaste, onveranderlijke eigenschappen. De renaissance veranderde hen in meer sociaal mobiele individuen die wat konden bereiken op grond van hun capaciteiten (functies), en sinds ongeveer anderhalve eeuw veranderen we in massa-mensen waarvoor hun verbindingen in netwerken (sociaal en technisch) het belangrijkste zijn.

Dat is een interessante, maar onverklaarde parallellie. Interessant, ja, en leerzaam: ik heb op het gebied van taal en van de samenleving veel geleerd van dit boek. Ik ben alleen nog niet overtuigd. Niet dat ik het kan weerleggen, hooguit kan ik bedenken dat je het ook anders zou kunnen zien. Maar Van der Horst erkent zelf dat hij misschien een parallel ziet omdat hij die graag wil zien. Die twijfel, daar kom ik ook niet overheen. Maar fascinerende stof om over na te denken is het zeker. Confronterend zelfs ook wel een beetje: huh, ben ik ook zo’n massamens?

Mijn stapel is nu leeg, althans, ik heb gelezen wat er lag. Maar er liggen alweer nieuwe dingen: afgelopen week kwamen zowel Tekstblad als Tijdschrift voor Taalbeheersing en ik heb het eerste boek van het nieuwe seizoen ook alweer gekocht. Ik blijf lezen!

 

De oogst aan links

Hier weer de oogst aan leuke, interessante, leerzame links die ik de laatste tijd tegenkwam, vooral via Twitter (met dank) :

  • Waarom is toch zo veel van wat we lezen ‘poorly written, impenetrable, and frustrating to consume’, vraagt het Without-bullshit-weblog zich af. Helder antwoord, voorzien van mooie infographic.
  • Een mooie longread, althans, het is voor een webtekst aan de lange kant, die twee dingen die mij na aan het hart liggen met elkaar verbindt: denken en wandelen.
  • Een betoog dat ik ook wel eens houd: met een training bereik je niet zo veel. De voorgestelde oplossing, coaching toevoegen, is wat mij betreft trouwens ook niet bepaald zaligmakend.
  • Via het Taalunieversum te downloaden: een schrijfgids voor ambtenaren.
  • Laatst stond er in de NRC weer eens zo’n ‘ze kunnen niet meer schrijven tegenwoordig’-artikel en daarop schreven vier vakgenoten van de RUG een fraaie reactie.
  • Een artikel een beetje in de zijlijn van waar het op dit weblog over gaat, maar wel over een thema dat mijn aandacht heeft: hoe leer je mensen zich te verweren tegen de beïnvloedingstechnieken van het bedrijfsleven (en de overheid ook, trouwens), dit keer over jongeren en voeding: het helpt om ze bewust te maken van de marketingstrategieën.

Kunnen computers schrijven?

Het gaat de laatste tijd in de media regelmatig over het verdwijnen van middenklasse-beroepen door de toenemende robotisering. Eén van de beroepen waar het dan over gaat is dat van journalist: binnenkort, zo zegt men dan, schrijven computers nieuwsberichten (voorbeeld).

Ik geloof daar niks van. Het doet me denken aan hoe ik in 1984 als eerstejaars student bij het vak Algemene Taalwetenschap hoorde dat ‘binnenkort’ computers zouden kunnen vertalen. We noemen wat Google Translate doet toch echt niet ‘kunnen vertalen’, hè, hoe handig het ook is? Ik bedoel: meer dan 30 jaar later is dat ‘binnenkort’ nog steeds niet bereikt. En dat ligt eraan dat computers een heleboel kunnen, maar dat ons vermogen tot schrijven, vertalen, taal iets heel essentieels bevat wat we misschien nog niet eens goed begrijpen, laat staan dat we het computers kunnen leren. In een heel beperkt domein, ja: een weerberichtje opstellen, dat lukt wel. Maar een beetje relevanter en creatiever stuk schrijven, dat wil niet lukken. Er blijft heus werk voor journalisten.

Vind ik dan, en vandaag las ik een stuk op Neerlandistiek.nl waarin Marc van Oostendorp precies dat betoogt, en goed uitlegt: http://www.neerlandistiek.nl/2016/09/kun-je-een-computer-een-relevant-artikel-boek-laten-schrijven/

En nog even over Google Translate dan, dat blijft leuk: wij zijn onlangs naar Frankrijk geweest met verblijf in een AirB&B. Onze gastvrouw reageerde op mijn ongetwijfeld onbeholpen pogingen om in het Frans een mailtje te schrijven met Nederlandse Google-Translate-tekstjes. Zo biechtte ik na ons vertrek op dat we per ongeluk een stokbrood hadden laten liggen bovenop een keukenkastje. Ze mailde terug dat de staf geen probleem was. Staf? Google Translate kwam eraan te pas om dat terug te vertalen, met een beetje zoekwerk, en inderdaad, baguette betekent ook staf!

 

Klantvriendelijk e-mailen?

Ik stuurde laatst per mail een verzoek aan een commerciële organisatie, het betrof iets pietepeuterigs administratiefs routineus. Eerst kreeg ik de obligate ‘u ontvangt binnen 5 werkdagen een reactie van ons’, wat me tegenviel, want ik had het eerder geregeld willen hebben en mij leek het voor hen hooguit een paar minuutjes werk.

Op de valreep van die vijf werkdagen kreeg ik een reactie: ze hadden nog meer informatie van me nodig om  het verzoek in te willigen. Informatie die ze in hun eigen administratie zó hadden kunnen vinden. Vond ik dus niet zo klantgericht. Ik was ondertussen een paar dagen weg en kon het dingetje eerst zelf niet opzoeken, dus zo duurde en duurde het maar, dat lullige kleine regelklusje. Uiteindelijk thuis gedaan, maar toen moest ik weer vijf werkdagen wachten. Paar minuten werk, 15 dagen later…

Maar dan de tekst. Die bevatte al van die stijve formuleringen:

Naar aanleiding van uw bericht kunnen wij u informeren dat wij u graag X toe willen sturen. Hiervoor dienen wij echter eerst van u te vernemen voor welke Y u deze wenst te ontvangen.

En direct daaronder, onderaan het mailtje dus, stond:

Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Wanneer u nog vragen heeft, dan horen wij dit graag door middel van een reply op deze e-mail.

En toen sprong ik uit mijn vel. Houd toch eens op met die clichés alsjeblieft!

Die slotzinnen zullen wel automatisch gegenereerd worden onder elk mailtje, maar dat werkt niet. Klantvriendelijkheid is maatwerk, en de moderne schrijftaalnormen zijn veel persoonlijker dan dit.

Angstig schrijven

In de Onze Taal van deze maand (nummer 9) staat een interview met Frank Jansen, docent en onderzoeker Communicatie die net afscheid heeft genomen van de Universiteit Utrecht. De kop boven het artikel citeert “De wetenschap is me te bang voor avontuur” en verderop in het artikel zegt hij, nadat het is gegaan over populariseren, aantrekkelijk schrijven voor een breed publiek:

Voor die niet-wetenschappelijke manier van schrijven is tegenwoordig minder aandacht. De gemiddelde student leert eigenlijk alleen maar de strikt wetenschappelijke aanpak. Dat komt misschien doordat het academisch bedrijf angstig geworden is, bang voor wat buiten de regels valt.

 Jansen heeft het over het schrijven door wetenschappers, hij is zelf een bevlogen populariseerder. Maar wat hij schrijft, herken ik helemaal in het anders-dan-wetenschappelijk schrijven van academici als buiten de universiteit aan het werk gaan: ze hebben maar één manier geleerd, de strikt-wetenschappelijke, en daar klampen ze zich angstig aan vast. En dat is inderdaad heel anders dan aantrekkelijk schrijven of voor een breed publiek. Of voor beslissers en klanten.

Jammer toch, die eenzijdigheid. Ik heb wel eens gedacht: ze zouden studenten veel meer lef en flair bij moeten brengen, in plaats van nog meer statistiek en methodologie…

 

Leuke en nuttige links

Het is weer eens tijd voor een overzichtje van nuttige en/of leuke links:

  • Een origineel verhaal over hoe je van het redigeren van teksten zelf een betere schrijver wordt.  Herken ik wel, maar ik heb het in deze vorm nog nooit ergens zo betoogd gezien.
  • Deze vond ik erg grappig: een serie foto’s met gekke woordbeelden doordat de spatiëring van de letters niet bepaald gelukkig uitpakte.
  • Een bevinding naar mijn hart, zeker in zo’n zomer als deze waarin ik veel vakliteratuur lees en zeker boven de 3,5 uur uitkom: lezers leven langer.
  • Een opmerkelijke presenteertip: oefen met honden!
  • En een hele website gericht op de hardnekkige mythe waar ik ook tegen de strijd, namelijk dat je een zin niet met en zou mogen beginnen. Met mooie voorbeelden!

Een blader- en een hebboek

Ik heb deze zomer een boel vakboeken gelezen en hier besproken. Hier zijn er nog twee die ik graag aanbeveel, maar die ik zelf niet helemaal heb gelezen. Het zijn voor mij een bladerboek en eentje ‘voor de heb’, maar ze zijn dus wel de moeite waard:

Tekenend problemen oplossen

CoverNóg een boek. Ik heb een inspirerende zomer, qua leeswerk, dat moge wel blijken uit mijn eerdere leesverslagen. Maar dit is tot nu toe wel de topper: The back of the napkin. Solving problems and selling ideas with pictures, van Dan Roam. Althans, het is het enige boek van de hele reeks waarbij ikzelf aan het oefenen ben geslagen.

Roam introduceert SQVID-framework: de vijf letters staan voor vijf dimensies met elk twee  polen die in totaal tien verschillende manieren laten zien waarop je een concept kunt visualiseren. Hij illustreert dat aan de hand van een appel, en dat kon ik goed volgen, maar ik heb zelf zitten uitproberen of ik het wel echt snapte, aan de hand van het concept ‘triathlon’, in deze dagen voor mij nogal actueel. Dit is het resultaat, en dat is niet goed leesbaar omdat het van Roam met potlood moest, en dat is ook wel prima, want het was maar oefenen en ik ben een van die mensen die zeggen niet zo goed te kunnen tekenen maar dat maakt volgens Roam niet uit:

Vage potloodschets

Ik laat het alleen maar zien als bewijs dat het me tot ‘huiswerk’ geïnspireerd heeft. Ik heb alleen geen flauw idee of ik het goed begrepen heb. Ik heb dat bijna nooit, maar bij dit boek zouden oefeningen met uitwerkingen welkom zijn.

Wat ik oefenend merkte, is dat ik die dimensies niet per se visueel invul, dat kan net zo goed in woorden, wat mij betreft. De eerste letter, die S, die staat voor ‘simple’ versus ‘elaborate’, en bij ‘elaborate’ dacht ik aan de 2000 deelnemers van een grote wedstrijd. Maar daarvoor hoef ik die massa niet per se voor me te zien. Of wel?

Dat brengt me wel op het spoor van de vraag die voor mij overblijft na het lezen van het boek: is dit nou echt een nieuwe manier van probleemoplossen, namelijk door te tekenen, of is het het visualiseren van probleemoplossen? Het lijkt namelijk af en toe makkelijker dan dat het is. Dan tovert Roam een getekende oplossing van een probleem tevoorschijn en dan denk ik: ja, maar hoe heb je dan precies die stap gezet? Het gaat dan denk ik vooral om de tweede en derde stap van de vier die Roam definieert: looking-seeing-imagining-showing. In termen van het piramideprincipe vindt daar synthese plaats: niet alleen kijken naar wat de feiten zijn (‘looking’), maar ze clusteren tot betekenisvolle eenheden, interpreteren. Ik weet vanuit het werken met het piramideprincipe dat dat iets ongrijpbaars heeft, en dat heeft het óók als je tekent, ook al kun je wellicht met tekenen wel jezelf helpen nadenken.

De showing van het boek is deels niet zoveel nieuws, bijvoorbeeld als Roam de bekende regels voor grafiekvormkeuze behandelt. Maar hij zet wel een stap in conceptuele beelden die ik niet eerder heb gezien, door de beeldkeuze te koppelen aan het type vraag dat je beantwoordt. Dat zijn er zes:

  1. Wie en wat –> portret
  2. Hoeveel –> grafiek
  3. Waar –> kaart
  4. Wanneer –> timeline
  5. Hoe –> flowchart
  6. Waarom –> plot

 Niet heel revolutionair, maar ik heb dat nog nooit ergens zo systematisch gezien, en het maakt de keuze voor bijvoorbeeld het ontwerpen van een presentatie wel overzichtelijk. De waarom-vraag als plot visualiseren maakt overigens wel duidelijk dat dat geen echte waarom-vragen zijn (vragen naar zin- en betekenisgeving) maar veredelde hoe-vragen (naar oorzaken en werking – maar dat is ook een beetje filosofische kwestie).

In vier stappen, met zes mogelijke vragen, langs vijf dimensies – en da’s alles, daarmee kun je problemen oplossen. Daarmee kun je ook een reusachtig PowerPointpack terugbrengen tot de essentie die op één pagina te tonen is Zegt Roam, en ik denk dus dat hij daar inderdaad nuttige instrumenten voor aandraagt. Dat het dan allemaal een eitje is, dat geloof ik niet. Maar wel dus dat het enorm kan helpen om dat potlood te pakken en visueel aan het denken te slaan. Zouden we vaker moeten doen, zeker voordat we PowerPoint aanzetten. Of Word – want ook om te schrijven moet je oplossingen bedenken.

 

Oase uit

En weer net verschenen: Oase Magazine, jaargang 9 nummer 1, met daarin twee mini-columns van mij over sport. Eentje daarvan moest ik in de drukproeven aanpassen aan de actualiteit; dat gebeurt zelden. De column ging namelijk over Maarten Tjallingii, en aan het begin somde ik om wat die bereikt heeft in zijn carrière. Kort na de deadline voegde Tjallingii daar nog iets moois aan toe: hij droeg de bergtrui in de Giro d’Italia, en hij veroverde die nogalliefst in Nederland, op de Posbank. Dat kreeg veel media-aandacht, en dat moest er dus nog even in!