So what in the London Underground

Ik ben net terug van twee fijne weken vakantie in Wales – en een beetje Engeland. Op Wales kom ik later nog terug: ik heb onder andere weer een paar leuke en interessante bordjes op de foto gezet, en mijn ogen uitgekeken op de tweetaligheid.

Nu eerst een bordje dat ik maandag zag, op de terugweg uit Cardiff met de trein. Het was in de London Underground die ons van het ene station naar het andere bracht. Ik kan dat bordje zó gebruiken als voorbeeld in een training, om uit te leggen wat de verhouding tussen hoofdboodschap (so what) en onderbouwing is:

Ik zou die twee zinnen omdraaien:

Please keep your belongings and clothing clear of the doors. Items trapped in the doors cause delays.

Dat is wat ‘hoofdboodschap voorop’, en de tweede zin beantwoordt dan de waarom-vraag. Maar die hoef je als lezer eigenlijk alleen maar te lezen als je dat wilt – als je jezelf dat waarom afvraagt.

Bij de oorspronkelijke volgorde is de eerste zin alleen maar een algemene mededeling, waarvan je je als lezer kunt afvragen ‘nou en?’ of ‘dus?’ of ‘wat betekent dat voor mij?’ of, in de toepasselijke taal: ‘so what?’ Precies die vragen zetten je in het algemeen op het spoor van de hoofdboodschap – het zijn in de piramide de bottom-up-vragen.

In dit geval, om daar antwoord op te krijgen, of de voor jou relevante strekking te lezen, moet je méér lezen, en nog kleinere lettertjes ook.

Ik vind het onhandig zo. Maar misschien is dit wel een verschijnsel van de wat indirectere Britse communicatiecultuur?

Vliegplaats

Ik wandelde laatst in de duinen bij Zoutelande en toen kwam ik dit wat verbleekte bordje tegen:

Tsja, dat zei me toch even helemaal niets. Vliegplaats? Dat is iets anders dan een vliegveld, en vliegvelden heb je niet in de duinen en/of bij Zoutelande. Ik had dus ook geen idee waar ik op moest letten. Toch niet iets met die insecten?

Toen ik iets verder liep en een afgetrapt stukje duin zag, bovenop een heel steil en hoog stuk, viel het kwartje wel: oja, voor van die paragliders enzo. Heb ik vroeger wel eens gezien, dat ze dat daar deden.

Maar dan weet ik nog steeds niet waar ik precies op moet letten. Die lui springen eraf, niet op het wandelpad, toch? Of moet ik oppassen daar zelf niet naar beneden te kukelen? Vaag woord toch, opletten.

Het is ook niet zo heel gek dat ik het woord niet ken, zie ik als ik google. De eerste pagina staat vooral vol met resultaten van… Zoutelande. Er zijn bovendien, zo lees ik, maar drie vliegplaatsen in Nederland.

Vliegplaats is ongetwijfeld een heel gewoon woord in Zoutelande en omgeving. Maar niet voor de vele bezoekers en toeristen.

Prima is niet zo goed

In mijn vakgebied is wel eens wat discussie over de betekenis van het woord prima – als ik me goed herinner, was het laatst op Twitter weer zo, en ik vond bijvoorbeeld ook deze blogpost.

Waar het om gaat is dat prima van z’n woordenboekbetekenis af aan het glijden is. Die is iets als eerste, fijnste, voornaamste, uitstekend, bijzonder goed. Maar inmiddels is gewoon goed positiever, en is prima verschoven naar ‘niet zo veel tegenin te brengen’. Overigens hangt dat wel af van de intonatie.

Of ook dat al niet meer? Ik kreeg onlangs een enquête toegestuurd over een sportevenement met daarin de volgende vraag met keuze-opties:

Prima staat hier tussen ‘ja’ (= deelname was naar wens) en ‘redelijk naar wens’ in en is dus ook bepaald niet bijzonder goed of uitstekend maar duidelijk wat lauwer dan dat.

Voor mij is dat toch gek. En interessant: een betekenisverschuiving die zich voor mijn ogen voltrekt.

Betekenisverschuivingen van woorden die een waardering uitdrukken is trouwens van alle tijden. Ik krijg het ‘jeugdige’ gebruik van vet bijvoorbeeld niet uit mijn mond. Of denk aan verschrikkelijk tegenover verschrikkelijk goed. Als taalgebruikers hebben we kennelijk veel behoefte aan uitdrukkingsmogelijkheden voor hoe we iets vinden.

Gaaf is dat.

PowerPointLol live

Vorig jaar schreef ik hier over de hilarische Powerpoint-persiflage van Arnout Vandenbossche. Eergisteren heb ik hem diezelfde act live zien doen, in Vlaardingen. Geweldig!

En er was meer: zijn show heet ‘Burnout voor beginners’ en gaat over ellende op het werk. Meer thema’s raakten aan ‘tekst & communicatie’: de e-mail-stortvloed, mislukkende vergaderingen, zinloze trainingen. Bovendien maakt Vandenbossche veel gebruik van visuele middelen, zoals een flipover. Daarop verscheen het ene kwadrant na het andere, om hilarische indelingen te maken van bazen, collega’s, klanten enzovoort.

Toen ik gisteren aan het werk was op een kantoor van een opdrachtgever, had ik de hele tijd flashbacks naar de avond ervoor – en dan zat ik weer even te gniffelen.

Vandenbossche heeft een goed inzicht in hoe het gaat op het werk, en hij heeft een maffe, droogkloterige manier van daarover praten. Ik vond het zeer de moeite waard.

Zijn Nederlandse tournee duurt nog even, en is nog net niet helemaal uitverkocht, dus ik zou zeggen: grijp je kans!

Hulpwerkwoorden in de ban

Ik heb hier al eens eerder iets geschreven over de hekel die sommige mensen hebben aan zullen, en voor kunnen geldt hetzelfde. Inderdaad gaan sommige slechte teksten gebukt onder een overdaad van dat soort ‘disclaimers’ – niet ‘we gaan iets doen’, maar ‘we zouden iets kunnen gaan doen’. Maar je kunt ze niet zomaar allemaal schrappen – het zijn nuttige hulpwerkwoorden. Geen noodzaak om er al te allergisch voor te zijn dus.

Dit punt speelt mogelijk ook in het Duits. Althans, dat concludeer ik uit de reclame van een bouwbedrijf die ik gister zag op een metrostation – ik was voor een bliksembezoek in Berlijn, heb daar gistermiddag een training gegeven. Mijn foto ervan is helaas niet scherp – ik had haast want mijn metro kwam eraan – maar wel leesbaar:

Voor een bouwbedrijf vind ik ‘m fraai!

Je kunt ook te duidelijk willen zijn

In de adviesrapporten die ik redigeer, ben ik vaak bezig met het vervangen van namen door verwijswoorden. Het gaat om dit soort zinnen:

Het gebruik van de ABC-database groeit gestaag. De ABC-database kan zo een bijdragen leveren aan optimale bedrijfsvoering.

Dat is gek: het is net alsof het bij de tweede keer ABC-database over iets nieuws gaat. Vergelijk dat je een verhaaltje over Jan zo zou vertellen:

Jan staat op. Jan gaat onder de douche en daarna maakt Jan zijn ontbijt klaar. Daarna gaat Jan naar zijn werk.

dat is heel raar, toch – als we ‘Jan’ eenmaal kennen, kun je volstaan met naar hem te verwijzen met hij. Precies daarvoor dient verwijzen: je geeft een signaal aan de lezer dat je verder gaat over iets bekends. Doe je dat niet, dan lijkt het dus alsof je over iets nieuws begint. Dat is verwarrend als het niet zo is.

Die zin hierboven kan bijvoorbeeld zo:

Het gebruik van de ABC-database groeit gestaag. De database kan zo een bijdragen leveren aan optimale bedrijfsvoering.

Het gebruik van de ABC-database groeit gestaag. Deze kan zo een bijdragen leveren aan optimale bedrijfsvoering.

Het lijkt duidelijk, het beestje bij de naam noemen. Maar je kunt dus ook té duidelijk zijn. Verwijswoorden zijn mooie dingen.

Ontdekking piramide-lied

Tsjonge, ik heb zeven jaar rondgelopen zonder te beseffen dat er een nummer was waarin het gaat over werken aan piramides. Sterker nog: ik hoorde het al een tijdje elke week zonder dat de tekst tot me door was gedrongen.

Ik doe al een tijdje wekelijks aan bodybalance, en het nummer zit in de les van het het huidige kwartaal. Maar als ik aan het sporten ben, luister ik niet zo goed. Mooi voorbeeld van ‘distraction from elsewhere’ uit het songteksten-model van Schotanus waar ik eerder over schreef.

Vorige week zong de ‘juf’ echter even mee, en toen pas realiseerde ik me dat het nummer ging over piramides. En dat zou voor mij, met m’n bijnaam Mevrouw Piramideprincipe, natuurlijk een lijflied moeten zijn.

Nou, dat is het niet, daarvoor is het mijn stijl niet. Maar ik vind het wel grappig. Het gaat om ‘Pyramids’ van Frank Ocean. Het duurt maar liefst 9’52 en het heeft een uitgebreide Wikipedia-pagina. Hoe kan het me al die tijd ontgaan zijn…

Lopen over water

Misschien moet ik maar eens een heel apart blog beginnen over bordjes. Ze blijven me opvallen.

Vorige week fietste ik in de buurt van de Krabbeplas bij Vlaardingen. Ze zijn daar aan het werk voor de toekomstige Blankenburgtunnel. Dat heeft nogal wat consequenties: voet- en fietspaden zijn jarenlang afgesloten.

Maar dat maakt niet uit, want als alternatief kun je kennelijk gewoon over het water lopen:

Ik moest erom lachen, dacht nog: net als Jezus zeker?

Maar wat blijkt? Het kan echt. Het AD berichtte erover.

Het bord dat je in dat artikel op de foto ziet, had ik ook zien staan. Dat vond ik nogal streng klinken. Terwijl het eigenlijk natuurlijk heel leuk is, lopen over water.

Let op de getallen

Best moeilijk, hoor, rekenen. Op twee plekken ging iets mis, zo zag ik afgelopen week.

1. Achterop de nieuwste Sportgericht (73, nr. 4) staat reclame voor een nieuw boek. In een opvallende rode cirkel staat erbij ‘Profiteer van bijna 20 % korting bij voorintekening’. Eronder staat:

Bestel en betaal voor 1 oktober 2019 slechts € 39,50 i.p.v. € 49,50

Een tientje korting op € 39,50 is niet bijna 20 % korting, maar ruim 20 %. Of meer dan 20% Dat klinkt zelfs nog wervender!

2. Ik heb lekkere chocola van het merk Vivani, Edit Bitter Ingwer Curcuma heet-ie. Volgens de ingrediëntenlijst zit erin: 89% cacao, 9 % suiker, 4 % gember en 2 % kurkuma. Dat is 104 %! Veel waar voor m’n geld?

(met dank aan Henk voor de eerste observatie)

Informatie doseren is een kwestie van structuur

Ik krijg vaak de vraag hoe je bepaalt hoe veel informatie je in een tekst moet opnemen, vooral waar het gaat om extra details.

Eerste antwoord daarop is een beetje een dooddoener: dat hangt af van de lezer. Als die extra informatie voor je lezer niet nodig is, houd je je tekst in principe liever kort.

Tweede antwoord is: geef – in geval van twijfel – liever te veel dan te weinig informatie, want als je goed structureert, kunnen je lezers zelf bepalen wat ze overslaan. Ik geef daarbij altijd de zaterdagkrant als voorbeeld: fijn dat die dik is, en als ik weinig tijd heb, bepaal ik zelf wel wat ik lees en niet lees.

Onlangs ervoer ik zelf als lezer hoe vervelend het kan zijn als een schrijver zelf al heeft besloten iets weg te laten. Ik las Het Sportbrein. Mythes uit de sportpsychologie ontrafeld. Daarin komen de Wave Work Roles aan de orde. Dat zijn er acht, zoals ook in een figuur te zien is. Maar onder dat figuur (p. 44) staat:

Om de leesbaarheid niet in het gedrang te brengen, beperken we ons hier tot de beschrijving van drie van de acht rollen.

De selectie van die drie wordt niet verder toegelicht, en ik was wel nieuwsgierig naar de andere vijf ook. Dus ik voel me hier een beetje beetgenomen.

Temeer omdat de beschrijving van die drie rollen heel overzichtelijk is: per rol één pagina, de naam van de rol in de titel, dan een beetje tekst met kenmerken in een opsomming, eronder een plaatje dat de rol visualiseert.

Als acht rollen me te veel zouden zijn, zou ik daar moeiteloos doorheen bladeren. Dan zou het me niet hinderen dus, terwijl het níet opnemen me nu wel hindert.

Zorg dus dat een lezer die extra informatie niet wil lezen, het zó over kan slaan, en een lezer die het wel wil lezen, het zó kan vinden. Dat doe je onder andere met inhoudelijke koppen en duidelijk afgebakende teksteenheden.

Net zoals in de krant. Daar kun je de kunst van informatie doseren prima van afkijken.