Lekker aan de slag met samenhang in tekst, gesprek en whatsapp

Hoogste tijd om eens iets inhoudelijk te vertellen over het vak dat ik aan het geven ben, Tekst- en gespreksanalyse, in Leiden. We zijn net deze week begonnen met onderzoek doen. Dat is al vroeg in het vak: in het 4e college. Dat geeft de studenten de tijd om het analysewerk te doen, en bovendien sluit het onderzoek nauw aan bij het eerste thema, dat we al hebben afgerond: samenhang in tekst en gesprek.

Als je goed gaat kijken naar teksten en gesprekken, dan zijn die een soort mirakels  van samenhang. We verwijzen, we pikken onderwerpen op en werken die uit, we gebruiken samenhangende kennis- en woorddomeinen (als het gaat om uit eten gaat het dus over een restaurant, menu, ober, tafel, voorgerecht, enzovoort), we maken verbanden expliciet en zorgen voor aaneensluitende handelingen (zoals: een antwoord geven op een vraag), enzovoort – en daar zijn we ons nauwelijks van bewust!

Als je door alle verbindende en verwijzende elementen een draadje zou trekken, krijg je een ‘weefsel’ (texture) van al die draden. In een gesprek vooral lokaal, want in een goed gesprek verandert het onderwerp geleidelijk. In een tekst kan het dwars door de tekst heen gaan.

Maar er gaat op het gebied van samenhang ook wel eens iets mis. Dan beginnen draadjes uit het niets, lopen ze dood, zijn ze onduidelijk of voor een tekst juist te lokaal. Op college hebben we bijvoorbeeld in detail gekeken naar de slechte brief die ik hier ook al besprak, en ik zag vorige week nog een mooi voorbeeld van een samenhangprobleem bij een opdrachtgever. Met die opdrachtgever had ik al eerder vrij precies naar samenhang in  hun teksten gekeken, en daarvoor had ik dankbaar gebruik gemaakt van de stof van het vak als checklist. 

De alinea begon met een stelling en daarvoor twee argumenten. Voor het tweede argument golden drie sub-argumenten. Dat is op zich prima te volgen, ware het niet dat de twee zinnen met de argumenten begonnen met ten eerste en ten tweede, en dat het laatste sub-argument begon met ten slotte. De andere twee sub-argumenten begonnen niet met een signaalwoord.

Vanwege de gelijkvormigheid van die signaalwoorden had ik (en ik niet alleen) de opbouw begrepen als: stelling, drie argumenten, en twee sub-argumenten voor het tweede argument. Dat kon inhoudelijk helemaal niet, maar  dat had ik niet gezien – iemand anders in de groep gelukkig wel.

Het onderzoek gaat over de vraag hoe samenhang tot stand komt in whatsapp. Dat is namelijk een interessante ‘tussenvorm’ tussen gesprek en tekst met ook helemaal eigen kenmerken. Sinds ik ermee bezig  ben, vallen me al gekke samenhangverschijnselen op. Bijvoorbeeld: dat in teksten vanzelfsprekende verschuiven van een onderwerp levert in whatsapp soms frustratie en ergernis op. Iemand stelt een vraag en wil daarop gewoon antwoord, maar binnen een paar reacties is de draad een zijweg ingeslagen. Die frustratie kunnen we niet zomaar oplossen, maar we kunnen mogelijk wel meer zicht krijgen op het specifieke weefsel van whatsapp. Voor zover ik weet is dat nog niet onderzocht, dat maakt het helemaal leuk: we zijn een echte onderzoeksgroep zo.

Ik leerde op het laatste college van de studenten meteen al bij over whatsapp – ze zijn daar (natuurlijk) handiger in dan ik.

 

 

De studie Nederlands maakte mij een expert-lezer

Het gaat in de algemene en mijn vak-media al dagen over het opheffen van de studie Nederlands aan de VU. Eén van de thema’s die vaak terugkomen is de vraag wat de meerwaarde is van de studie, los van de mogelijkheid tot het halen van een lesbevoegdheid. Waarom zou je de drie sub-disciplines – taalbeheersing, taalkunde en letterkunde (de laatste twee met hun historische benaderingen) – combineren tot één studie? Als je, zeg, in de praktijk van schrijven in organisaties wil werken, zoals ik, heb je dan niet meer aan alleen taalbeheersing, in combinatie met bijvoorbeeld Engels, communicatie of iets economisch of bedrijfskundigs? 

Het zette mij aan het denken over wat ik ervaar als de meerwaarde van mijn studie. Het is voor mij lastig om los te knippen: ik deed ook Algemene Letteren, ik ben daarna gepromoveeerd, en ik haalde mijn doctoraal lang (bijna 28 jaar) geleden. Toch durf ik wel een gok te doen. Bij historische taalkunde en bij letterkunde leerde ik twee dingen die voor mij van cruciaal belang zijn in het werk dat ik doe:

  • Bij een vak historische taalkunde van Arjan van Leuvensteijn leerde ik hoe je kritiek levert op de argumentatie in een wetenschappelijk artikel. Ik zie dat als cruciale stap in mijn ontwikkeling van lezen om te leren wat er staat (en als je het dan niet begrijpt of niet overtuigd bent, ligt het aan jou als lezer) naar écht kritisch lezen, waarbij het de schuld van de schrijver is als het niet duidelijk of overtuigend is. Met kritisch lezen verdien ik mijn brood – je kunt niet redigeren of feedback geven op een tekst als je bij twijfels over de tekst denkt dat het aan jezelf ligt. Sterker nog: inmiddels is ‘de lezer heeft altijd gelijk’ misschien wel  hét uitgangspunt in het werk dat ik doe. Als daar discussie over is, zie ik mezelf nog wel eens terug in dat kleine collegezaaltje, klein groepje studenten rond een tafel, Arjan aan het hoofd – en dan ben ik hem heel dankbaar. (Het grappige is: inhoudelijk kan ik me niets meer van het vak herinneren. En ik had ditzelfde natuurlijk ook bij een ander vak kunnen leren, maar het gebeurde hier.)
  • Bij letterkunde heb ik geleerd om overzicht te krijgen over grote hoeveelheden ongeordende stof (teksten). Ik deed een keer een bijvak psychologie en ik kon bijna niet geloven hoe gestructureerd die stof was: 13 colleges, boek met 13 hoofdstukken, elk hoofdstuk was even lang en begon met een vooruitblik en eindigde met een samenvatting en een checklist of je alles  wel begrepen had. Ik vond dat een lachertje: ik haalde het vak in minder dan een kwart van het aantal uren dat ervoor stond. Voor tentamens letterkunde moest ik me door enorme stapels heenlezen, van zowel primaire als secundaire literatuur, uit allerlei hoeken en gaten, deels zelf bij elkaar gezocht, nauwelijks ‘verdidactiseerd’ – en daar moest ik dus de hoofd- en bijzaken van leren scheiden, want anders was het niet te doen. Nog steeds merk ik dat ik in vergelijking met anderen heel handig ben in snel overzicht krijgen over documenten. Dat maakt me efficiënt in mijn werk, maar ook privé is het handig. Geef mij maar even een reisgids en binnen een paar minuten weet ik waar we heen moeten.

Deze twee dingen komen volgens mij samen neer op een heel grote expertise als lezer. Dat is waarom ik ooit Nederlands ben gaan studeren: omdat ik graag las (en schreef). Dat doe ik nog steeds, ik heb er mijn vak van gemaakt. De studie was wat mij betreft super waardevol. En dan gaat het dus niet eens zozeer om de inhoud, nouja, ook, en zeker voor wat betreft mijn specialisatie, de taalbeheersing. Maar van ‘de rest’ heb ik vooral vaardigheden en een bepaalde houding meegekregen. En die heb ik net zo hard nodig als die inhoudelijke kennis.

Ik ben er trots op neerlandicus te zijn.

 

 

Slik

Toch wel even slikken, hoor, afgelopen weekend: ‘mijn’ studie houdt op te bestaan. Ik studeerde Nederlands (en Algemene Letteren) aan de VU. Toen was het ook al niet heel groot, in vergelijking met de andere universiteiten, voor mij juist een reden om daarheen te gaan, want ik was de multiple-choice-tentamens en massale hoorcolleges enzo zat, daar leerde ik niet veel van, vond ik (ik had m’n propedeuse in Utrecht gedaan). Die aantallen zijn nergens meer, mede door de opkomst van studies als CIW en Taalwetenschap enzo. En door het inzakken van de interesse. Dat baart mij ook zorgen, ja, zeker omdat het veelzeggend is over het schoolvak Nederlands, al hoop ik ook wel op een varkenscyclus-effect.

De oogst aan links van de laatste tijd

Eén van de beste stukken van de afgelopen tijd bracht iets onder woorden waar ik zelf over had nagedacht maar ik zag het net niet, dat is altijd heel fijn: over dat een narratieve structuur kan leiden tot problemen in de logica en de onderbouwing, omdat het vaak gaat om achteraf redeneren en dan meer causaliteit toekennen dan reëel is. Het voorbeeld in het artikel is de biografie van Steve Jobs: diens jeugd heeft hem als het ware ‘voorgeprogrammeerd’ om later ontzettend succesvol te worden. Kun je achteraf denken. Maar er zijn een heleboel kinderen die vanuit een vergelijkbare achtergrond níet succesvol worden. Snel in oorzaak-gevolg denken is voor ons brein makkelijk en associatief ‘fast thinking’, maar dat wil niet zeggen dat je zo tot geldende redeneringen komt. Ik krijg wel eens de vraag wat het verschil is tussen piramidaal werken en storytelling, en daar ga ik in het vervolg dit bij uitleggen. Overigens kun je vanuit een piramidale structuur ook tot een narratieve vertelwijze komen, maar een goede piramide voorkomt de narratieve drogreden.

Twee posts over lezen die me aanspraken hadden allebei als strekking: laat het lees-ideaal los, het ideaal dus dat zegt dat je één boek tegelijk grondig en van A tot Z moet lezen. Hoezo? Voel je niet schuldig over de boeken die je koopt maar niet (helemaal) leest, prima om wat aan te rommelen en op te pikken wat je tegenkomt. De druk van het ideaal speelt zakelijk lezers parten, goed om je ertegen te wapenen! Grappig trouwens dat in het tweede stuk nou juist het boek van Kahneman als niet-doorheen-te-komen wordt gepresenteerd, ik hoorde dat laatst ook al van iemand – ik heb het verslonden! Ach ja, smaken verschillen. En lezers ook! 

In mijn overzichtje van nuttige en inspirerende links is ook vrijwel altijd plek voor het blog SlideMagic van Jan Schultink. Relatief is dat nu wat minder, want Schultink is vooral software aan het coderen en daar gaat het dus vaak over – voor mij wat verder van mijn bed. Desalniettemin wel twee interessante links nog: over dat je niet alle feedback klakkeloos moet opvolgen (worstelen veel schrijvers mee, in mijn ervaring), en meer voor mijn eigen zelfstandige vakgenoten, herkenbaar ook: pas op met het beloven van ‘quick fixes‘. 

Goede schrijfadviezen die ik ervaar als koren op mijn molen (zo van: zo hoor je het eens van een ander):

Dan van Neerlandistiek.nl, het blog dat ik volg:

  •  Zo herkenbaar dat ik erop reageerde: uit onderzoek blijkt dat een focus op grammaticale correctheid leidt tot fouten, namelijk hypercorrectie. En dat terwijl het taaladvies strenger wordt, in elk geval over als/dan, zo staat hier.
  • Een mooi kritisch stuk van Jan Renkema over hoe de combinatie van een abstract begrip en vage getallen alleen schijnduidelijkheid geeft. Voor veel ‘data-driven’ consultants ook relevant! En van dezelfde hand in het verlengde een beschouwing over vage woorden: vraag om een voorbeeld om, zeg, handhavingsstrategiemanagement concreet te maken. 
  • In het kader van mijn ‘hobby’ borden als speciale vorm van schriftelijke communicatie: een stuk over de grammatica van verkeersborden.

Iets verder weg van schrijven en teksten, ter inspiratie tot slot een mooie parabel over een chauffeur die de kwantummechanica uit kan leggen: wat is echte kennis?

Lastig, die fietsers – so what?

Ik zag net een krantenkop die illustreert waarom het formuleren van een (één) hoofdboodschap zo belangrijk is:

Nederland ‘best voorbereid’ op autonome auto’s, fietsers maken komst lastig.

Dat zijn twee boodschappen; het deel voor de komma stuurt richting ‘dus die gaan er komen’, het tweede richting het omgekeerde. Dus wat moet ik nou denken/vinden, wat is de so what

Die blijkt pas als ik ga lezen: 

de opbouw van Nederland maakt het lastig om de zelfrijdende auto een prominente plek te geven in stedelijke gebieden

Okee, weet ik dat – maar dan vraag ik me af waar het deel voor de komma op slaat. ‘Goed voorbereid’ wil kennelijk zeggen: qua technologie, acceptatie van consumenten, wetgeving en infrastructuur. Ik zie het die consultants in een modelletje zetten en afvinken. Maar dan denk ik: dan heeft het criterium ‘overige weggebruikers’ ontbroken in de analyse. Dus het deel voor de komma is (denk ik) de uitkomst van de analyse, en ojee, toen waren er ook nog fietsers, model overhoop. 

En dat denk ik óók omdat ik zulke restantjes van een analyse wel vaker zie, en wel vaker ook zie dat die in de weg zitten voor het formuleren van een eenduidige hoofdboodschap.

Nederland is helemaal niet goed voorbereid op autonome auto’s: te veel fietsers. Soms kan een bevinding in één klein hoekje van je analyse de hoofdboodschap doen kantelen.

Ik geef weer college – in loondienst

Ik heb één academisch jaar overgeslagen, maar inmiddels is het weer zo ver: sinds donderdag geef ik weer college, ben ik weer eens inval-universitair-docent dus. Opnieuw in Leiden, dit keer een vak dat ik zelf als student erg leuk gevonden zou hebben en dat ook weer een heleboel raakvlakken heeft met mijn ‘gewone’ werk en dus met dit weblog: tekst- en gespreksanalyse

We zijn donderdag goed begonnen: de studenten gaan onder andere aan de slag met een eigen tekst, en ik heb dat ‘afgetrapt’ met een eigen tekst: het eerste couplet van Into My Arms van Nick Cave, een tekst die ik geweldig én bijzonder vind. We hadden meteen al wat discussie over de interpretatie daarvan, en dat vond ik leuk. Dat interpretatie verschilt tussen lezers (en luisteraars) is een belangrijk inzicht dat ik de studenten hoop mee te geven en bovendien leer ik daar zelf ook van.

Ik zal op dit blog natuurlijk weer verslag doen van wat ik van het vak ‘meeneem’ voor de praktijk van zakelijk schrijven. Nu eerst even over iets anders dan de inhoud, namelijk: de arbeidsverhouding.

Tot de vorige keer, twee jaar geleden, kon ik voor de Universiteit Leiden werken als zelfstandige. In Utrecht kon dat al eerder niet, en nu bleek het ook in Leiden niet meer te kunnen. Dat werd pas duidelijk na een voor mij wat frustrerende onderhandeling erover, waarin ze iets boden wat voor mij een affront was. Maar daar bleek dus achter te zitten dat het niet meer mag, als freelance docent een vak geven. Van de Belastingdienst niet, en het breekpunt is dat er sprake is van een gezagsverhouding, iets wat sinds het afschaffen van de VAR en de mislukte invoering van de wet DBA belangrijker geworden is.

Enerzijds snap ik dat van de gezagsverhouding wel: de universiteit leidt op voor een erkend diploma en dus mag ik als docent niet zomaar wat doen. Anderzijds is het wat mij betreft een vaag schemergebied: mijn baas heeft letterlijk gezegd dat ik het vak naar eigen inzicht in mag richten, terwijl ik elders wel eens een door het bedrijf ontworpen training geef waarvoor in een draaiboek is vastgelegd wat ik van uur tot uur moet doen. Dat laatste doe ik wél als zelfstandige. Tsja.

Dus, ik ben in loondienst, voor dik 6 uur per week voor 6 maanden. Naast de bekende financiële nadelen daarvan (mijn eigen kosten voor pensioenopbouw, reserves voor slechte tijden, arbeidsongeschiktheid e.d. lopen gewoon door terwijl ik over salaris van alles afdraag waar ik niet of nauwelijks gebruik van kan of zelfs mag maken) zijn er nog twee andere nadelen aan verbonden:

  • Ik kan dit maar één keer per jaar doen, want bij een tweede keer zou ik ook nog eens m’n ondernemersaftrek kwijtraken, wat een paar duizend euro scheelt en dan zou ik dus bijna voor nop werken. Immers, nu kan ik nog voldoende uren naast die loondienst in mijn eigen bedrijf stoppen, maar met nog meer loondienst is dat niet meer reëel. Hier klopt wat mij betreft iets niet in het belastingstelsel, want zo’n enkel snippertje in loondienst verandert niets wezenlijks aan de manier waarop ik werk en  mijn bedrijf run, en dus ook niet aan het risico dat ik loop. Recht op een uitkering heb ik bijvoorbeeld niet, als ik straks in de zomer in Leiden formeel ‘op straat sta’. 
  • Ik word niet gecompenseerd voor de grote mate van flexibiliteit die de klus van me vraagt. Ik krijg nu een kleine 20 % van een voltijds salaris, voor 6 maanden. Ik ben fatsoenlijk ingeschaald, dus dat klinkt heel redelijk. Maar ik zou nooit een stuk of 12 van dit soort puzzelstukjes bij elkaar kunnen leggen, als ik fulltime zou willen werken en verdienen – dat lukt nooit. Daarom geldt in mijn werk als zelfstandige dat mijn uurtarief hoger ligt voor kleine klussen, en dat ik sowieso per uur behoorlijk wat meer moet verdienen dan iemand die een contract van 40 uur heeft, om er netto over een langere periode hetzelfde aan over te houden. Ik kan niet anders werken dan met gaten, loze ruimtes, tussen mijn verdienende tijd. Daar hoor ik voor gecompenseerd te worden, bij zo’n klein snippertje, en in mijn gewone werk spreekt dat voor zich. Maar voor de universiteit dus niet.

Dat ik toch ‘ja’ heb gezegd, is zakelijk dus eigenlijk niet te verantwoorden. Maar ik vind het erg leuk werk, ik begrijp hoe klem ze zitten (en na enig heen-en-weer begrepen ze vanuit Leiden mij ook), en het levert me immaterieel altijd heel veel op aan inspiratie en nieuwe kennis, en aan plezier van het contact met studenten en collega’s. Bovendien vinden veel opdrachtgevers het wel interessant dat ik ook nog wel eens wat doe aan een universiteit. Vooruit dan maar – de zaken lopen verder goed genoeg. 

Het laat mij wel zien dat de universiteiten enerzijds niet voldoende flexibel kunnen zijn, terwijl  er anderzijds een heleboel wetenschappers op tijdelijke contracten zitten die maar geen vast contract krijgen. Aan beide kanten onvoldoende maatwerk, lijkt mij. 

Praten met docenten adviesvaardigheden

Afgelopen woensdag was ik naar een bijeenkomst voor docenten adviesvaardigheden en consulting in het hoger onderwijs. Die vond plaats bij SIOO in Utrecht. Ik heb al een tijdje geen adviesvaardigheden meer gegeven, maar dat in het verleden wel gedaan en ik hoop ook dat het in de toekomst weer zo gaat zijn. En ik heb een boek geschreven dat in het hoger onderwijs gebruikt wordt. Vandaar dat de bijeenkomst zeker mijn interesse had.

En het was ook inderdaad leuk. Er waren zo’n twintig deelnemers, meest van Hbo-opleidingen, maar verder heel divers. Een deel van de bijeenkomst ging over een ‘whitepaper’ van SIOO over wat een adviseur moet kunnen maar het leukste vond ik om van de anderen te horen wat ze doen en wat daar de mooie en lastige kanten van zijn. Ik had daar graag nog verder over doorgepraat, want drie uurtjes ervoer ik als veel te kort – hopelijk gaat dat ook nog wel gebeuren, die intentie was er zeker. Ik heb ook nog enkele contacten gelegd waar mogelijk ook een vervolg op komt.

Eén klein dingetje dat me opviel was dat de docenten de term ‘beroepsproduct’ gebruikten. In de context van adviesrapporten is dat het ding dat de studenten in een praktijksituatie uitbrengen aan de opdrachtgever, en daarnaast schrijven nog een ‘verantwoordingsdocument’ voor de opleiding, bijvoorbeeld met de gebruikte literatuur erin. Dat was nieuw voor mij. Ik vind dat een goede ontwikkeling, omdat de praktijk vraagt om iets anders dan de schoolse manier van rapporteren, dat is één van mijn stokpaardjes (zie hier bijvoorbeeld).

Als het er maar niet toe leidt dat de indruk ontstaat dat je je ‘in het echt’ nooit hoeft te verantwoorden, of je adviezen met literatuur onderbouwen. Er zijn geadviseerden voor wie dat wel degelijk wenselijk is.  

 

Voor in de collectie slechte brieven

Vorige week kregen we een onverwachte brief van onze netbeheerder. Er staat ‘Factuur Storingscompensatie’ boven. Ik citeer:

<Netbeheerder> is verantwoordelijk voor het transport van  naar uw aansluiting. Wij streven ernaar om dit zo optimaal mogelijk te laten verlopen.

De onderbrekingsduur vangt voor alle door de onderbreking van de transportdienst getroffen aangeslotenen aan op het moment dat de netbeheerder de eerste melding van die onderbreking van een aangeslotene ontvangt.

Deze vergoeding bedraagt € 35 bij een onderbreking die van 4 tot en met 8 uur heeft geduurd, plus een bedrag van € 20 voor iedere 4 uur dat de onderbreking langer heeft geduurd. 

Dit betekent dat u in aanmerking komt voor een bedrag van € 35,00. 

Binnen 4 weken na dagtekening van deze brie zal dit bedrag aan u worden overgemaakt.

Daar gaat zo veel mis dat ik het hilarisch vind – een pareltje voor in mijn collectie slechte brieven! 

In de eerste zin ontbreekt een woord of een / ofzoiets tussen van en naar – daar staan wel twee spaties. Zo optimaal mogelijk is dubbelop, al vind ik dat niet heel erg. Ik zou ‘van elektriciteit’ toevoegen achter transport

De tweede alinea begint met de onderbrekingsduur, waarbij de suggereert dat die duur al bekend is uit de eerdere tekst. Dan volgt er een ingewikkelde formulering met joekel van een tangconstructie (‘door de onderbreking van de transportdienst getroffen’ zit klem tussen alle en aangeslotenen) die ik wel snap als ik ‘m een paar keer lees: zodra de stroomstoring gemeld is, begint de teller voor iedereen te lopen. En ‘de netbeheerder’, dat was in de alinea ervoor nog wij. Perspectiefbreuk, heet dat.

Deze in de volgende alinea suggereert ook weer dat er al sprake is geweest van een vergoeding, en ‘van 4 tot en met 8 uur’ moet je niet lezen als ‘van 16 tot en met 20 uur’, maar in tijdsduur. Okee.

In de laatste zin wordt pas echt zonneklaar dat dit ding wel factuur heet, maar dat we geld krijgen. Maar waarvoor precies? We kunnen ons twee stroomstoringen herinneren uit de afgelopen maanden. Heeft de eerste daarvan 4 uur geduurd, nee toch, zo lang? De tweede was zeker korter. Een datum is nergens in de brief te vinden.

Op de factuur staat dan ook nog dat het bedrag op de dag van de dagtekening is overgemaakt, da’s wel wat sneller dan binnen 4 weken. Het is een ‘factuur voor onderstaande kosten’ en die bedragen € -35.00.

We zijn blij met die 35 euro, hoor. Maar dit kan echt wel beter! Zoiets als:

Op <datum> was er bij u een stroomstoring. Dat spijt ons: we doen ons best de stroomvoorziening optimaal te verzorgen. De storing duurde langer dan vier uur en daarom heeft u recht op compensatie. We hebben daarom vandaag € 35 naar u overgemaakt.

Volgens mij ben je er dan al. Tenzij de juridische afdeling nog wat te mekkeren heeft over de berekeningen van tijdsduur en vergoeding. Dat zou ik dan op een website zetten en in de brief verwijzen met een linkje (‘wilt u precies weten hoe de vergoeding is berekend, ga dan naar…’).   

 

Uitzicht (2)

In augustus postte ik hier een keer over de fraaie uitzichten bij sommige van mijn opdrachtgevers. Afgelopen vrijdag zat ik in Amsterdam op de 22e verdieping en nam ik deze foto van het uitzicht recht naar voren uit het raam:

Grijs vlak

Als je klem tegen het raam ging staan, zag je beneden nog net de grond, zo mistig was het. Het had iets vervreemdends: mijn ogen wisten niet waarop te focussen en het leek alsof we in een grijze cocon zweefden!