Passie (niet als jeukwoord!)

Bijna twee jaar geleden besprak ik hier enthousiast het boek Peak Performance van Brad Stulberg en Steve Magness. Ik ben de beide mannen sindsdien blijven volgen op Twitter en via hun nieuwsbrief. Ik heb veel van ze geleerd en ze zetten me regelmatig aan het denken. Dat is vast niet toevallig: het blijft bijzonder dat ‘mijn’ twee werelden zo bij elkaar komen, de sport (Magness) en schrijven en consultancy (Stulberg).

Cover van het boek

Dus ik moest natúúrlijk hun nieuwe boek ook lezen: The Passion Paradox. Alhoewel, ik aarzelde eerst, want passie, oef, wat een afgesleten en platgetreden term is dat, terecht tot jeukwoord gebombardeerd door Japke-d. Bouma. Misschien hier meer dan in het Engels? Nou goed, daar moest ik me dus overheen zetten en dat heb ik gedaan omdat ik weet dat Magness en Stulberg interessant zijn en goed kunnen schrijven.

Het woord passie is me eerlijk gezegd wel het hele boek lang dwars blijven zitten, vooral omdat ik me afvroeg of ik wel echte passie ken. Het lijkt namelijk het geval dat het ‘moet’ betekenen dat je ergens helemaal voor gaat – de ‘going all in’ uit de ondertitel (zie plaatje cover) en daar dan dus ook succes mee hebt. Ik ben weliswaar een gedreven adviesrapportenverbeteraar en dat legt me geen windeieren, maar ‘all in’? Nee – ik had het hierboven al over mijn twee werelden; ik ben ook in de sport zeer gedreven – maar succes? Mwah, het is maar hoe je dat definieert. Daar gaat het me juist niet alleen om. Het kenmerkt mij sowieso dat ik niet ‘all in’ ga. Dat moet toch ook niet?

Daardoor vond ik dit boek dus wel wat vervreemdender dan Peak Performance, al herkende ik ook nu weer veel, van mijzelf en van de mensen met wie ik, in beide werelden, werk. Interessantste gezichtspunt vond ik dat Stulberg en Magness verschillende soorten passie onderscheiden:

  • Gezonde passie is waarde-gedreven en kenmerkt zich door zelfreflectie: is dit inderdaad het leven dat ik wil leven, sla ik niet door? Immers, passie is ongebalanceerd, dat kan niet anders. Dat brengt risico’s met zich mee, en bij gezonde passie houd je die goed in het oog.
  • Bij ongezonde passie is er te weinig zelfreflectie en is de drijfveer niet zozeer meer de diepere waarde, de activiteit omwille van zichzelf, maar ofwel angst ofwel de behoefte aan externe bevestiging: aan scoren, succes, roem en eer. Een uit intrinsieke behoefte ontstane passie kan makkelijk in een ongezonde veranderen, bijvoorbeeld zodra het succes gaat komen. Dat succes kan verslavend zijn, maar ook kan juist dan faalangst de kop opsteken.

Zeer herkenbaar – ik weet van mezelf in elk geval dat mijn streven mijn werk goed te doen voort kan komen uit de angst te mislukken, of uit een hoge professionele standaard als waarde die ik wil realiseren in mijn leven. Ogenschijnlijk is er nauwelijks verschil, maar voor mijn geestelijke gezondheid verschilt het dag en nacht.

Wat Stulberg en Magness hier doen, is antwoord geven op de kritiek die ik op hun vorige boek had. Ik schreef in juli 2017 dat Peak Performance onvoldoende inging op de schaduwzijden van de topprestatie: de eenzijdigheid, de schade aan lichaam en relaties. Ik was vast niet de enige die dat naar voren bracht, en ik vind het fraai dat de auteurs zo snel daar dit boek tegenover hebben gesteld.

Opnieuw heb ik het met veel plezier gelezen: ze schrijven echt bijzonder goed. Het is inhoudelijk rijk, door veel literatuur en interviews met (ervarings-)deskundigen, en zeer toegankelijk opgeschreven. Ook in dat opzicht vind ik Stulberg en Magness inspirerend!

Goed lezen: leren selecteren?

Op het college (zie onder andere de vorige post daarover) van afgelopen donderdag hebben we het gehad over de vraag of je kunt zeggen wat ‘goed’ versus ‘fout’ lezen is. Hier nog wat gedachten daarover.

Het eindexamen Nederlands toetst leesvaardigheid, er kennelijk van uitgaande dat er zo’n norm is. Daar is de nodige kritiek op, en daar lazen we wat van, in de vorm van blogposts van Marc van Oostendorp. Die zegt bijvoorbeeld:


Aan de poort van het volwassen leven van de gemiddelde Nederlander staat een organisatie die met willekeur bepaalt wat ‘goed’ is en wat ‘fout’ en die wie het waagt dat in twijfel te trekken in de hoek zet.


Die organisatie, dat is het College voor Toetsen en Examens. Het zou natuurlijk kunnen dat die hun werk gewoon niet goed doen, en daar ijkt het zeker op – er zitten echte miskleunen tussen (voorbeeld). Een beter eindexamen is wenselijk, maar dan zit je er nog mee: wat is ‘goed’ lezen eigenlijk?

Uit mijn eigen onderzoek (nouja, eigenlijk dat van twee Groningse studenten van wie ik de scripties begeleidde, het artikel staat in mijn gratis e-boek) naar lezen bleek dat volwassen, zakelijke lezers inderdaad zo’n norm in hun hoofd hebben: de hele tekst grondig en lineair lezen, om te kunnen onthouden. Ik dacht daarbij: het is net alsof ze verwachten er vrij willekeurige vragen van een ander over te moeten kunnen beantwoorden – zoals op school.

In de dagelijkse praktijk drukt die norm als last op hun schouders: voor dat lezen hebben ze nooit tijd genoeg. ‘In het echt’ lezen ze dan ook heel anders: sterk gericht op hun eigen leesdoel. Ze selecteren, of ze nemen de informatie die ze nodig hebben heel gedetailleerd over – en van alles ertussenin. Wat ze dan doen, dus hun echte leesgedrag, zou je grillig of eigenzinnig kunnen noemen. Dat werkt; desalniettemin voelen ze zich er bezwaard over omdat ze ‘eigenlijk’ beter zouden moeten lezen.

De norm die in het onderwijs bestaat voor goed lezen kweekt mogelijk een leeshouding aan die in het werkende leven in de weg zit. Zakelijke lezers bepalen eigenlijk hun eigen norm: goed lezen is zo lezen dat je je leesdoel bereikt. Je eigen leesdoel, niet dat van een externe instantie.

Toch is ‘wat goed lezen is, bepaal je zelf’ mij ook te vrijblijvend. Ik ga er op college wel degelijk van uit dat de studenten iets gemeenschappelijks kunnen – ze moeten voor zo’n vak een heleboel lezen en daar moeten we het over kunnen hebben. Dat ‘iets’, daarvan verwacht ik dat ze het op school hebben geleerd en dat het eindexamen dat getoetst heeft.

Ook op andere momenten zit er een norm in mijn hoofd. Ik doe in schrijftrainingen regelmatig oefeningen waarbij de deelnemers elkaars teksten lezen. In de nabespreking daarvan blijkt enerzijds zeker die grillige eigenzinnigheid, en dat is prima: dat geeft de schrijvers een realistisch beeld van hun lezers (want ook schrijvers zitten met dat beeld van ‘alles lineair lezen’ in hun hoofd).

Maar met enige regelmaat denk ik toch ook wel stiekem ‘stom’ als iemand verslag doet van zijn of haar leeservaring. Op zo’n moment vind ik dat iemand slecht heeft gelezen. Ik onderdruk dat, want in een schrijftraining hamer ik erop dat de lezer principieel vrij is, en altijd gelijk heeft – dat is mijn uitgangspunt. Omdat schrijvers nooit mogen zeggen ‘dan had-ie maar beter moeten lezen’ of ‘mijn lezer moet alles lezen’ en dergelijke – dat kun je schudden. Maar mijn didactische principe komt niet helemaal overeen met wat ik soms zelf denk.

Wat vind ik dan goed lezen van een zakelijke tekst? In elk geval dat de lezer zich een beeld vormt van de hoofboodschap van de tekst en iets van de bedoeling van de schrijver – zodat die lezer op enigszins redelijke basis een oordeel kan vellen over wel of niet verder lezen en zo ja, wat en hoe dan. Daarna gaan de leesdoelen te ver uit elkaar lopen om er nog iets zinnigs over te kunnen zeggen.

Voor het onderwijs lijkt het me in elk geval zaak om iets te doen met leesdoelen, en om te leren dat het okee is om stukken of zelfs hele teksten níet te lezen. Zo voed je mijns inziens beter op voor een maatschappij die gekenmerkt wordt door een overvloed aan communicatie. Je móet selecteren, anders raak je opgebrand.

Wat er nieuw aan is, is niet zo gelukkig

Ik schreef hier even geleden dat ik met het gebruik van de term nieuwe media verraadde dat ik al zo oud ben dat ik me de tijd zonder die ‘nieuwlichterij’ nog goed kan herinneren. Daar moest ik aan denken bij de eerste zin van de paragraaf over rapporteren in PowerPoint in het boek Beter in rapporteren (p. 49):

In sommige organisaties is het PowerPoint-rapport in opmars.

Uh? Het boek is net uit. Al zo lang ik werk in de adviesrapportenwereld, en dat is 22 jaar, wordt er geschreven in PowerPoint. Sterker nog: in mijn waarneming is PowerPoint in sommige organisaties en branches op z’n retour.

Met die formulering verraden de auteurs hun onwennigheid – vind ik. Nouja, eigenlijk dacht ik er al aan bij de paragraaftitel ‘Een andere vorm: rapporteren in Powerpoint’ in combinatie met de hoeveelheid aandacht ervoor: een apart ‘hoekje’, van 3 paginaatjes, dat is alles – de andere dik 115 pagina’s gaan over tekst. Dus rapporteren in PowerPoint is toch nog iets raars en aparts en iets wat je moet noemen, maar meer ook niet.

Nou kunnen de auteurs daar mogelijk niet zo heel veel aan doen, althans, het is wél waar wat achterop het boek staat, namelijk dat die aandacht voor PowerPoint ‘nieuw’ is – in deze druk, maar meer in het algemeen ook in dit type handboeken over rapporteren. In het vakgebied is verder weinig aandacht voor deze praktijk. Het is niet gek dat ‘nieuw’ ook nog wat onwennig is.

Iets ernstiger vind ik dat de auteurs schrijven dat PowerPoint geschikt is voor snelle rapporten op hoofdlijnen, en niet voor feitelijk en gedetailleerd informeren. Wat doen dan al die managementconsultants, investeringsbankiers en andere kwantitatief geöriënteerde adviseurs dan met PowerPoint? PowerPoint leent zich júist voor het presenteren van zeer gedetailleerde kwantitatieve gegevens, in de vorm van grafieken. Dat PowerPoint ‘oppervlakkig’ is (mijn woord, niet dat van de auteurs) heb ik vaker gehoord, en is – in mijn ogen – een vooroordeel (ik schreef daar eerder over).

Op zich is het prima dat er weer eens zo’n boek verschijnt. Ik heb net even drie jaar teruggezocht op dit weblog, en in die tijd heb ik hier geen enkel rapporteren-handboek voor het hoger onderwijs besproken. Het kan zijn dat er wat aan mijn aandacht ontsnapt is, maar volgens mij verschenen er vroeger met wat meer regelmaat dit soort boeken. Waar kennelijk markt voor was en ook nog steeds wel is, en die aandacht voor schrijven is mooi.

Wel vind ik het al lang jammer dat vernieuwing ver te zoeken is. Oneerbiedig gezegd: de boeken schrijven elkaar allemaal over. Ook in Beter in rapporteren is de manier van structureren (met vaste vragen per rapportvorm) al minstens 39 jaar oud (1e druk Leren Communiceren, 1980). En overal altijd weer diezelfde moeten’s en mag-niet’s op stijlgebied: schrijf actief, pas op voor stijlfouten.

En werkt het – leidt die aanpak tot studenten die competente schrijvers zijn? Mwah. Ik zie het niet, ik heb daar eerder over geschreven op dit blog (voorbeeld), en ik ben niet de enige: de OESO vindt het ook.

Ook dit boek vernieuwt dus niet of nauwelijks, en wat er nieuw aan is, is niet zo gelukkig. Jammer. Wat er verder staat, is niet fout of slecht. Ik heb het alleen al zo vaak gelezen.

Maar met zo’n verzuchting verraad ik natuurlijk opnieuw mijn leeftijd.

Pennen vallen makkelijk in een vaste groef

Op het college zijn we afgelopen donderdag nog een stap verder gegaan met de rol van tekst in de maatschappij, in de vorm van ‘critical discourse analysis’. Daarbij kijk je naar wat er in teksten gezegd wordt of juist niet, en wat dat zegt over machtsstructuren.

Ik liet een voorbeeld zien van een tekst over fietsende vrouwen, waarin stond dat zij minder tijd hebben om te fietsen dan mannen, omdat zij werken en zorg dragen voor huishouden en kinderen. Over één zo’n uitspraak is meteen een boel te zeggen: mannen zijn de norm en vrouwen de ‘afwijking’; mannen hebben kennelijk géén verantwoordelijkheid voor huishouden en kinderen; (alle?) vrouwen ‘moeten’ werken én hebben kinderen (die zorg nodig hebben die veel tijd kost; mannen hebben zeeën van tijd en fietsen dús veel.

Dat is nogal een clichébeeld, waarin misschien een grote groep zich zal herkennen, maar ook heel veel vrouwen én mannen niet, en die sluit je daarmee uit – wat niet de bedoeling was van de tekst, integendeel. Ook al staat nergens letterlijk ‘mannen zijn zus en vrouwen zijn zo’, toch discrimineert zo’n formulering.

Teksten reflecteren een wereldbeeld en bevestigen dat ook. Het is makkelijk om impliciet de status quo te bevestigen. De pen van schrijvers valt spontaan in die groef omdat we elkaar allemaal een beetje nadoen, althans, dat is de makkelijkste weg. En ja, dus schrijven zelfs fietsende vrouwen zo stereotiep over andere fietsende vrouwen…

Het hoort bij het dominante maatschappijbeeld om verschillen tussen mannen en vrouwen uit te vergroten, al is het maar om zo twee doelgroepen te kunnen benaderen met reclame en marketing: het verdeel-en-heers van de ver doorgevoerde liberale markteconomie. Eén van de studenten had daarvan een tenenkrommend voorbeeld bij zich: een reclamefolder voor speelgoedstofzuigers om ‘net zo goed te worden als mama’. Gericht op meisjes natuurlijk. Ergens schokkend dat dat nog altijd mag, of zelfs erger is geworden ten opzichte van mijn eigen jeugd.

Ik had het college gegeven, vond het erg leuk en de studenten hadden mooie voorbeelden te over, van expliciet discriminerende teksten tot heel subtiele (die dus eigenlijk geniepiger zijn). Onderweg naar huis las ik de nieuwsbrief van de schrijvers van Peak Performance en, toeval bestaat niet, ook zij doen daarin een knap staaltje critical discouse analysis. Al noemen ze het zelf niet zo en zijn ze zich er mogelijk niet eens van bewust.

Mini-samenvatting: in een artikel van CNBC wordt Jack Dorsey, de baas van Twitter, geïnterviewd over zijn leefstijl, dus over wat hij doet om gezond en energiek te blijven. Eén van de dingen die hij zegt is dat hij maar één keer per dag eet en regelmatig het hele weekend vast. Dat wordt (of werd – het artikel is enigszins aangepast) kritiekloos gepresenteerd als ‘biohack’, dus als manier om je lichaam te verbeteren, terwijl je het ook een eetstoornis zou kunnen noemen. Als een vrouw zoiets zou zeggen, zou het waarschijnlijk eerder als eetstoornis benoemd worden. Dat is op zich al interessant, maar, zo staat er in die nieuwsbrief, het tragische is ook nog dat daarmee eetstoornissen bij mannen niet zo gauw onderkend en dus behandeld worden. Interessant en kwalijk dat CNBC het nodig vindt om het verhaal zo te presenteren.

Mij inspireren deze voorbeelden en de werkwijze van de critical discourse analysis om ook in mijn werk alert te zijn op wat de tekst reproduceert. Bijvoorbeeld: managementjargon dat hiërarchisch machine- en machtsdenken verhult (bron). Ik werd me ervan bewust dat ook ik makkelijk in een groef val. Ik vind mezelf eigenlijk onvoldoende kritisch op de impliciete aannames en het wereldbeeld in de teksten van mijn opdrachtgevers. Zo’n college is ook een wake-up call…

Niks spoedig herstel

Eentje voor mijn verzameling ‘opvallende borden en aanverwanten’. De laatste weken moet ik wat meer moeite doen om in Leiden te komen, want ze zijn daar aan het spoor aan het werk. Nogal heftig, vind ik, zulke werkzaamheden in gewone werkweken en dus heel veel reizigers hinderen. Ik ben niet de enige natuurlijk die daar wat van gaat fronsen, iemand anders heeft zich uitgeleefd op stickers op de gele borden:

Ik kan me die krasneiging wel voorstellen. Het is inderdaad een rare sticker. ‘Tijdelijk buiten gebruik’ lijkt te slaan op een technisch mankement, bijvoorbeeld op de digitale borden. Maar dit is heel anders. De gele borden gelden nu niet, de hele dienstregeling is anders. ProRail en de NX zijn helemaal niet bezig aan een ‘spoedig herstel’ van de gele borden, want daar is op zich niks mis mee.

Het enige wat wél ergens op slaat is ‘Excuses voor het ongemak’. Nou, vooruit dan maar: geaccepteerd…

Chille windeieren

Op het college van vandaag ging het over de relatie tussen taal (‘discourse‘) en identiteit. Eén van de aspecten van identiteit is leeftijd: aan een manier van praten kun je iemand identificeren als zijnde van een bepaalde leeftijd. Het leuke aan zo’n college-situatie is natuurlijk dat ik zo’n 30 jaar in leeftijd verschil met de studenten, en dat we dus over en weer uit elkaars manier van praten dingen kunnen afleiden over dat aspect van taal.

Vanaf het begin waren me al dingetjes opgevallen. Voor mij is heel typerend voor de leeftijdscategorie van de studenten hun gebruik van het woord chill als bijvoeglijk naamwoord. Het werkwoord chillen kan ik nog net wel gebruiken, al vind ik dat dan wel erg hip klinken van mezelf, maar zeggen dat iets chill ís, nee, dat gaat niet. Op het allereerste college gebruikte een van de studenten chill zo, en dan voel ik meteen een generatiekloof openen, zal ik maar zeggen. Grappig hoe elke generatie eigen woorden kiest om ‘toffe’ dingen mee uit te drukken: vet vond ik ook al lastig, dat heb ik nooit gebruikt; ik denk dat gaaf uit mijn tijd komt, eventueel met onwijs ervoor, en van nog eerder is bijvoorbeeld mieters.

Andere voorbeelden vandaag waren awkward, wat ik wel begrijp uit het Engels maar zelf nooit zou zeggen, en bae, wat ik helemaal niet kende en me dus moest laten uitleggen.

Eén van de studenten merkte op dat een ander kenmerk van de taal van hun generatie is dat ze minder spreekwoorden en uitdrukkingen gebruiken. Daar heb ik inderdaad wel eens wat over gelezen, ja (voorbeeld), en ik had net daarvoor zelf iets gezegd wat de studenten wel begrepen hadden maar niet zelf zo zouden kunnen zeggen: dat iets me ‘geen windeieren had gelegd‘. Voor mij is dat een heel gewone manier van dat zeggen. Maar dat ‘verraadt’ dus mijn leeftijd.

Eerder had ik me ook al gerealiseerd dat het hebben over nieuwe media in plaats van over sociale media ook wat zegt over mijn leeftijd, en zeker als ik dat dan ook nog doe in een context als ‘vroeger had je geschreven tekst en gesprekken (waar het vak over gaat: tekst- en gespreksanalyse), in recente jaren zijn daar de nieuwe media als tussenvorm bijgekomen’ – ik hoorde het mezelf zeggen op het eerste college en dacht vrijwel meteen al: ai, dat klinkt ouwelijk – alsof ik dat toch nog steeds maar gekke nieuwlichterij vind!

De studenten het hebben over bae en ik over windeieren leggen – en toch begrijpen we elkaar het grootste deel van de tijd wél. Chill!

Herkenning

Grappig: ik bladerde laatst door het ledenblad van FNV Zelfstandigen (#1 van 2019) en toen ik bladzijde 14 opensloeg en de kop begon te lezen, had ik een en al herkenning. Het was een interview met een zelfstandige; dit stond er:

‘Ik train en adviseer op het snijvlak van taal en organisatie’

Ik ook! dacht ik.

Net daarboven stond:

‘Als je mensen helpt in hun ontwikkeling, moet je jezelf ook blijven ontwikkelen

Mee eens! dacht ik.

Meteen erna zag ik naam en foto en schoot ik in de lach – ik snapte dat het geen toeval was: in het artikel komt niemand minder dan Marjan Huisman aan het woord. Met haar werk ik regelmatig samen, we kennen elkaar al uit onze studententijd, en we zijn ook al jaren bevriend. Erg leuk om een interview met haar te lezen!

Over dat tweede citaat, Marjan zegt over die noodzaak tot je blijven ontwikkelen:

Voor mij is het heel nuttig om – als ik zelf een training volg of aan m’n eigen gedrag werk – te weten hoe dat voelt en hoe moeilijk dat kan zijn. Het is een verrijking voor je trainerschap.

Inderdaad!

Record!

Vorig jaar begon ik in april weer met werken, nouja, een beetje gewerkt had ik de tweede helft van maart ook al, maar pas in april ging ik weer wat verdienen – half maart waren we teruggekomen van onze reis ‘Down Under’.

Het is mij zakelijk-financieel niet eerder zo goed gegaan als in de twaalf maanden sindsdien. Ik heb mijn omzet-record van alweer zo’n vijftien jaar geleden ongeveer geëvenaard. Anders dan toen heb ik echter net de laatste maanden ook nog wat in loondienst gedaan, dus financieel is dit een record (al is het dus niet precies aan één kalenderjaar toe te schrijven).

Het was ook nog eens niet alleen productie draaien: ik heb Sportkunstenaar opgericht, waar ik veel voor heb gedaan, inclusief een paar opleidingen waarvan één behoorlijk intensief, en de bijdrage van Sportkunstenaar aan mijn totale omzet is nog piepklein (wat okee is trouwens – ik had daar rekening mee gehouden). Verder heb ik ook als anders gelezen, geschreven, met collega’s en vakgenoten gepraat, enzovoort – waarvan acte op dit weblog.

Ik kijk dus terug op 12 intensieve maanden. Ik heb vooral in januari en februari wel gevoeld dat het veel was allemaal, overigens meer door omstandigheden dan puur door het werk. In de wintermaanden valt vroeg opstaan me zwaarder, de treinen reden niet altijd zoals dat zou moeten en ik heb lichamelijk wat gekwakkeld. Ik ben ondertussen de eerste vakantie in een jaar verder, weekje fietsen op Mallorca, en dat heeft me goed gedaan.

Desalniettemin: de komende twaalf maanden mogen best wel ietsje rustiger zijn. Ik ga weer vooral wat kritischer zijn op het aannemen van wat ik noem ‘losse flodders’: een training zonder goede opvolging in de organisatie. Het rendement daarvan is namelijk nihil en mijn inspanning is soms best groot – door dat opstaan en die treinen bijvoorbeeld. Die inspanning lever ik graag, het hoort bij mijn werk en ik krijg er goed voor betaald, maar ik vind het bevredigender als ik dan ook merk dat die inspanning resultaat heeft. Het is iets waar ik mijn opdrachtgevers altijd voor waarschuw: een losse training schrijfvaardigheid heeft heel weinig nut, verwacht niet dat de  organisatie dan echt beter gaat schrijven. Ik ga de komende tijd eerder ‘nee’ zeggen als ik vermoed dat het echt bij die losse flodder blijft.

 

 

 

 

Hersengymnastiek met vorm en structuur

Afgelopen zaterdag was ik op de HU voor een ‘staartje’ aan de leuke middag samen met andere docenten adviesvaardigheden waar ik eerder over schreef. Ik leerde daar toen een docent kennen, Iris Hollaender, en ik heb via haar zaterdag een gastles piramideprincipe gegeven en daarna gebrainstormd met een klein maar fijn groepje studenten van een vak consultancy (vol- en deeltijd) over alternatieven voor het standaard rapport in tekst of PowerPoint.

Achtergrond daarvan was wat ik in oktober al schreef: dat er op het gebied van rapporteren maar zo weinig verandert, terwijl onze communicatie verder de afgelopen decennia ingrijpend is veranderd door internet, de smartphone en de sociale media. Als je ergens initiatieven tot verandering zou verwachten, is het bij jongeren. 

Inderdaad hadden de studenten wel ideeën, bijvoorbeeld voor een meer interactieve vorm van rapporteren, waarbij de lezer keuzes kan maken uit verschillende opties, interactie met je oprachtgever via facebook, en, het meest uitgewerkte idee: een krant in plaats van een ‘gewoon’ geschreven rapport. Grappig: ik gebruik de krant altijd als voorbeeld voor een aantal piramidale principes en als voorbeeld van lezergerichtheid, maar ik had nog nooit bedacht dat je een adviesrapport inderdaad ook zo vorm kan geven. Ik hoop dat die student zijn idee inderdaad gaat uitwerken, en zo ja, dan krijg ik dat nog te zien.

Lastig voor studenten is natuurlijk dat ze in een context werken waarin ze juist de gewone professionele mores moeten leren, en dat is: dat standaard rapport in tekst of powerpoint. Nog voordat ze dat helemaal onder de knie hebben en in de praktijk beproefd, kom ik dan zeggen: en hoe zou het anders kunnen? Dat is hersengymnastiek.

Die hersengymnastiek zat ‘m ook nog op een ander punt: nog voordat ze de traditionele rapportstructuur helemaal onder de knie hebben en in de praktijk beproefd, kom ik zeggen dat dat anders kan (niet moet, van mij als gastdocent ‘moest’ er niks). Eén van de studenten was eerlijk genoeg om te zeggen dat hij daarvan in verwarring raakte en dat die verwarring aan het eind van de ochtend die we samen hadden nog niet was opgelost. 

Dat vond ik leerzaam, want ik realiseerde me dat het in de praktijk mogelijk ook veel van mijn trainingsdeelnemers overkomt, die verwarring, en dat die dat gevoel wel eens vertalen in verzet tegen de methode in plaats van wat het is – verwarring. Zo van: ik snap dit niet, dus het is fout. 

Met verwarring is niks mis. Het is vaak een noodzakelijke tussenstap in een leer- of creatief proces. Er wordt wat ouds losgeweekt en zo ontstaat beweging richting het nieuwe, hopelijk beter. Maar je moet die verwarring wel kunnen verdragen (overigens ook in de rest van je leven een nuttige vaardigheid).

En het nieuwe moet ook wel komen. De twee uurtjes van zaterdag waren te kort voor mij om bij allemaal het piramideprincipe helemaal tot bloei te laten komen, wat ik overigens helemaal begrijp, maar ze hebben gelukkig ook nog hun eigen docent, die het piramideprincipe omarmt.

Een ander inzicht voor mij was dus dat het onderwijs een grote rol speelt in het reproduceren van steeds diezelfde vormen. Daar leer je ‘hoe het hoort’ en dat is dan zo. Ik voelde me ook enigszins betrapt, of liever gezegd, bij mij werkt dat ook zo dat een bepaalde manier ‘vastroest’: tsjonge, was ik echt nooit eerder op dat idee van een krant gekomen?

Des te leuker dat deze opleiding wil experimenteren. Met het piramideprincipe, maar ook met vormgeving. Want plan is nu om de volgende keer een gezamenlijke brainstorm te organiseren met studenten consultancy en met studenten vormgeving (ofzoiets). En met het piramideprincipe willen ze ook verder. Super!

Edit 29 maart: Iris stuurde een paar foto’s, dus hier ben ik in actie. Er ligt iets piramidevormigs op de grond (vrijwel iedereen die bij mij een training heeft gedaan, kent ‘m: die met de klusjes), en ik ben duidelijk in het vuur van mijn uitleg:

Actiefoto

Dikke Prins: scherp, knap en grappig geschreven

Meteen nog maar een inspirerend niet-vakboek. Waar het vorige nog echt wel een boek voor mij bleek te zijn, is dat van deze post een nogal onwaarschijnlijke: het gaat over Theo Janssen, oud-voetballer van onder andere Vitesse. Ik heb een beetje wat met voetbal, maar niet met Vitesse en al helemaal niet met Theo Janssen. En toch is het een fenomenaal boek.

Het gaat om Theo Janssen. Op stap met De Dikke Prins van Marcel van Roosmalen. Van Van Roosmalen ben ik al jaren fan, vanwege zijn columns in de NRC, tot voor kort zijn verslagen van beurzen en bijeenkomsten en dergelijke in One World,  en ook sinds ik hem een keer in het echt zag en hoorde tijdens mijn cursus voetbaljournalistiek, waarin ik hem de meest originele gastspreker vond,  met een verfrissend eigen en kritische blik op die rare voetbalwereld. Misschien als enige voetbaljournalist niet in de eerste plaats fan. 

Ik wilde zijn boek over Theo Janssen sowieso lezen, en al helemaal toen ik op Bol zag dat het gemiddeld uit 28 reviews maar een 3,2 scoort (op 4 maart), terwijl het nul 3’en scoort en vooral 5’en óf 1’en. Je vindt het kennelijk hartstikke goed of hartstikke slecht. 

Ik vind het hartstikke goed. Maar ik snap ook wel dat het veel lezers zal teleurstellen, juist omdat het zo’n afwijkend voetbalboek is. Geen heldenportret van Janssen, integendeel. Het beeld dat van hem naar voren komt uit het boek is niet heel verheffend. En er gebeurt eigenlijk ook niet zo veel in – het kabbelt.

Het boek is opgeschreven alsof het een letterlijk, chronologisch verslag is van enkele gesprekken die Van Roosmalen en Janssen voerden, meestal met de voormalige Vitesse-persvoorlichtster erbij, soms met nog anderen, in verschillende situaties. Je weet als lezer natuurlijk nooit wat er echt letterlijk gezegd is, maar wat er nu staat, komt over als een tamelijk frustrerende en futiele zoektocht van Van Roosmalen naar wat meer diepgang en interessantheid achter de persoon Theo Janssen. 

En die is er dus niet, of die laat Janssen niet zien. Die herhaalt zichzelf namelijk alleen maar, snijdt steeds dezelfde thema’s aan, zegt regelmatig dat er dingen niet in het boek mogen, vraagt zich al vanaf de helft af of het werk voor het boek er eindelijk op zit, wil het vooral over de titel en de boekpresentatie (met drank en hapjes) hebben – enzovoort. 

Van Roosmalen vraagt zich ‘hardop’ af hoe hij er nog wat van kan maken. Janssen is een oud-voetballer die een boek over zichzelf wil maar er niet echt aan mee wil werken. Het klinkt alsof Van Roosmalen er weinig lol aan beleeft, maar zo klinkt al zijn schrijfwerk. Hij is een genadeloos observeerder en chroniqueur die niet bereid is om er een mooi verhaal  van te maken.

En daardoor zit er juist toch ook heel veel lol in. Want die scherpe, genadeloze observaties zijn soms triest, maar soms ook ongehoord grappig. Ik ken geen andere schrijver die zo schrijft als hij. Het lijkt makkelijk: gewoon stroeve gesprekken uitschrijven. Maar ik denk dat dat het lastiger is dan dat – het blijft hoe dan ook een vormkeuze Het klinkt als eerlijk verhaal, maar het blijft een biografie natuurlijk; elke biograaf maakt keuzes (daar is onlangs een interessant proefschrift over verschenen, begreep ik uit een artikel in de NRC). Bovendien geeft Van Roosmalen van zichzelf ook niet alleen maar een positief beeld.

Eén voorbeeld: Van Roosmalen gaat met Janssen mee naar de eerste wedstrijd na de degradatie van diens oude club FC Twente, tegen Sparta. Ze zitten op de eretribune, en dat is vlak achter het Sparta-bestuur. Janssen gaat koffie halen en morst daarvan een half kopje op het colbert van één van die bestuurders, en dan staat er in Van Roosmalens woorden (p. 80):

…dat was het hoogtepunt van de wedstrijd

Dat is al hilarisch, en vervolgens kabbelt het verhaal over die avond pagina’s lang door nog. Op p.92 zitten ze in de auto op de terugweg en is er eerst wat gedoe vanwege de stinkende wind die Janssen  heeft gelaten (‘Zet effe een raampje over, er komt er  weer een’). het gaat wéér over een geschikte titel voor het boek en Janssen zegt ook nog dat hij op z’n tribune ‘alles meekrijgt’; die persvoorlichtster noemt hem ‘hoog sensitief’. Dan komt Van Roosmalen terug op de koffie op dat colbertje, over hoe lang het duurde voordat de koffie in de stof was getrokken en dat er ook spatten zaten op het hoofd van de Spartaan. Janssen:

Ik heb het zelf niet helemaal meegekregen.

Totaal futiel detail dus, die koffie, misgeslagen plank – elke andere schrijver zou zoiets wegredigeren, Van Roosmalen niet. Dat is scherp, knap en grappig. Schrijf een boek vol met dit soort details en je krijgt toch een beeld van, uh, ja, een dikke prins – prima titel!