Archief van juni 2010

« Vorige

PerToNoWriMo. Oftewel: schrijven in juli

dinsdag, juni 29th, 2010

Nog even en dan begint de Tour de France - het is hier in de stad al goed merkbaar. De laatste jaren zijn die drie weken in juli voor mij een aanleiding om veel te schrijven - iets waar ik in die stille zomerperiode ook tijd voor heb. Vier jaar lang schreef ik ‘Vrouw kijkt Tour’-columns; de laatste twee jaar daarvan als weblog. Vorig jaar experimenteerde ik met Twitter (verslag).

De columns, dat weet ik nou wel en twitteren over fietsen doe ik sowieso al. Dit jaar is het dus tijd voor een ander schrijfexperiment. Ik heb me daartoe laten inspireren door de NaNoWriMo: een uit Amerika overgewaaid initiatief waarin het de bedoeling is dat je in een maand een korte roman schrijft (50.000 woorden) - of nouja, een eerste versie daarvan. Het is nadrukkelijk niet het idee dat je in zo’n korte tijd iets goeds, leesbaars of publicabels aflevert. Juist niet: om in zo’n tempo te kunnen schrijven, moet je geen al te hoge eisen stellen aan wat je schrijft. Anders gezegd: kwantiteit gaat voor kwaliteit.

Het nut van zo’n productiedruk is dat je je interne criticus de mond snoert (iets waar het op dit blog al vaker over is gegaan, hier bijvoorbeeld), in de hoop dat jezelf kunt verrassen met wat je onder die druk produceert. Wat daar eventueel bruikbaar van is, dat zul je later wel zien en het zal nog heel wat herschrijven vergen om er iets fatsoenlijks van te maken. Maar dat valt dus buiten die maand.

Het is bij NaNoWriMo ook niet de bedoeling dat je al een heel uitgewerkt plan hebt liggen dat je in die schrijfmaand alleen nog maar hoeft in te vullen. Niet voor niets heet hét NaNoWriMo-handboek No Plot? No Problem (ik heb daarvan de inleidende hoofdstukken gelezen en vond het leuk en nuttig; de rest mag ik pas gedurende de schrijfmaand lezen). Ik heb dan ook nog alleen maar een idee voor een verwikkeling tussen twee hoofdpersonages. Eén daarvan is een (fictieve) profwielrenner die meedoet aan de Tour de France. Zo vlecht ik er dus ook die actualiteit in, althans, dat hoop ik - geen idee hoe het gaat uitpakken natuurlijk.

De officiële NaNoWriMo is in november, maar je kunt er natuurlijk elke maand voor uitkiezen. Voor mij begint die donderdag. Dit weblog komt dan ook in juli (en ook in augustus overigens) op een wat zachter pitje te staan, al zal ik belangrijke dingen wel melden.

Over mijn NaNoWriMo-voortgang, mijn eerste serieuze experiment met fictie sinds de middelbare school, zal ik af en toe iets rapporteren op mijn Vrouw kijkt Tour weblog. Over mijn PerToNoWriMo: personal Tour novel writing month. Ik heb er zin in!

Verschenen: Fietsvrouwcolumn #59

dinsdag, juni 29th, 2010

Eind vorige week verschenen: Fiets met daarin een column van mij over… sex! Of nouja, ook wel over het ontbreken daarvan… Titel: ‘Een hete zomer’.
(Ojee, en krijg ik nou heel veel spam-reacties op deze post, vanwege dat drieletterwoord?)

Zelf een boek schrijven

dinsdag, juni 29th, 2010

Voor wie al jaren denkt: ‘wie weet ga ik ooit nog wel eens een boek schrijven’ - maar er maar niet toe komt: lees dit eens. Tenminste, als het om non-fictie gaat, dus bijvoorbeeld een vakboek. Goede invalshoek: de beperkende overtuigingen centraal. Als er iets schrijven in de weg staat, zijn het wel die dingen!

Scoren met je TED-presentatie

donderdag, juni 24th, 2010

Leuk, met nog wat echt nuttige tips voor presenteerders tussendoor ook, plus inspirerende visuals:

* * *
(Wikipedia over wat TED is; met dank aan Titus voor het doorsturen van de link!)

In m’n genen?

maandag, juni 21st, 2010

Vorige week hield ik een speech op een bijeenkomst waar ook bekenden van mijn broer waren. Na afloop werd deze erop aangesproken: ‘jouw zus kan ook al goed spreken in het openbaar’. Ze zagen een overeenkomst die inderdaad volgens ons tweeën niet toevallig is, en die we ook van geen vreemde hebben: pa’s genen werken door.

Iets erfelijks moet het wel zijn, als dat kan, want ik heb mijn vader nooit zien of horen speechen. Toen ik de leeftijd daarvoor had, was hij al ziek. Hij heeft mij dus niet persoonlijk het goede voorbeeld kunnen geven; ik moest het doen met zijn faam en de verhalen.

Toch weet ik dat ik op hem lijk als ik een groep toespreek. Ik herinner me nog één van de eerste keren dat ik hoorcollege gaf, iets uitlegde met een gebaar, en het door een hoekje van m’n hoofd schoot: ‘Net m’n vader’.

Maar hoe weet ik dat? Hooguit via het indirecte voorbeeld van mijn (veel oudere) broer. Die heb ik wel een aantal keren horen speechen, en hij kan dat inderdaad hartstikke goed. Of hij en ik daarin op elkaar lijken, kan ik slecht beoordelen, maar ik denk dat er zeker een overeenkomst te zien is. Dus dan hebben we het allebei van onze pa, maar ik via een tussenstap.

Alledrie geven we onderwijs: mijn vader was onderwijzer en hoofd van een school (zoals dat toen nog heette), broer Ko ook, maar toen heette dat al leraar en directeur. Inmiddels is hij onder andere auditor en assessor in het onderwijs. Ik geef trainingen en college. Ook dat is natuurlijk geen toeval.

Misschien is het simpelweg een geval van: het bloed kruipt waar het niet gaan kan?
In ieder geval: bedankt, pa!

Verbulleting

donderdag, juni 17th, 2010

Vorige week kreeg ik als feedback op een door mijzelf geschreven tekst (projectvoorstel) dat het ‘wollig’ was. Dat verbaasde me nogal. ‘Wollig’ is niet bepaald een kwalificatie die ik vaak hoor over mijn eigen teksten, en deze tekst had ik expres al sterk onderverdeeld met een goed zichtbare structuur: de ruim drie pagina’s telden acht kopjes en zes bullet-opsommingen.

Het moderne schrijven is dat, met weinig lopende tekst en veel ‘chunks’ en bullets. De moderne lezer heeft immers moeite met ‘lange lappen tekst’. Ik pas me daaraan aan en vind het ook wel leuk om ermee te experimenteren zonder de kwaliteit van de inhoud te grabbel te gooien (in Afzien voor Beginners doe ik dat experimenteren ook). Eén van de dingen die ik bijvoorbeeld belangrijk vind, is dat bullets alleen maar staan voor de leden van een echte opsomming - iets wat tegenwoordig ouderwets streng is.

Toch bleken het bij nader inzien niet genoeg bullets te zijn voor deze lezer. Of liever gezegd: het probleem was dat er één wat langer stuk tekst in stond. Eén van de bullets was in totaal 325 woorden lang, met ook nog twee onderverdelingen, namelijk in alinea’s en een sub-opsomming. Maar toch een flink stuk tekst. ‘Dat lezen ze niet meer’ zei mijn contactpersoon.

Dat vond ik toch wel schokkend. Ik wéét dat mensen hoe langer hoe meer afknappen op lange lappen tekst, maar hoe lezen ze dan de krant? Eind van het verhaal was dat de contactpersoon en ik hebben overlegd en elk een stukje herschrijving voor onze rekening hebben genomen. Aan het ombouwen van die 325 woorden tot een tabelletje hebben we samen in totaal minstens 3 uur besteed: overleg, hij een poging, ik een correctie, hij een slot-redactieronde. Toen was het voorstel wel okee, maar hoe reëel is dat nog? Je bent als schrijver service-verlener aan de lezer, maar dit gaat wel heel ver.

En er speelt nog iets anders. Ook vorige week hoorde ik een toepasselijke anekdote van een trainer die met rollenspellen werkt. Onder druk van de tijdsgeest had hij de tekstjes met rolbeschrijvingen veranderd in bullet-opsommingen. Wat bleek? De rollenspellen werkten niet meer.

Zijn verklaring was dat de bullets juist voor een gebrek aan samenhang hadden gezorgd. Het waren schijn-opsommingen, want inhoudelijk waren de verbanden veel subtieler dan die van de lijst. Met bullets ziet het er gestructureerder uit, maar het verband is eruit.

Ik denk bovendien dat je inleven in een rol beter gaat met een narratieve (verhalende) tekst dan met een bullet-opsomming. Identificatie heeft met narrativiteit te maken. En door middel van identificatie overigens ook met overtuigingskracht: een verhaal kan overtuigen, iets waar in de zakelijke omgeving steeds meer aandacht voor is (’corporate storytelling’).

Een stukje tekst dat niet in bullets staat niet meer willen of kunnen lezen en meteen als ‘wollig’ veroordelen, daarmee doe je jezelf tekort. Maarja, wat doe ik eraan?

Debatparodie

dinsdag, juni 15th, 2010

Zo vaak gaat het op dit weblog niet meer over debatteren, maar deze is toch te leuk, ik kreeg ‘m doorgespeeld van een collega in Leiden: http://www.youtube.com/watch?v=Oc56Qn6cIrE En dat naar aanleiding van ons gesprek dat debatteren toch ook wel erg een rituele dans is. Die wordt hier meesterlijk ingevuld!

Ook opmerkelijk waren trouwens de woorden van een PVV-stemmer, afgelopen zaterdag geciteerd in de column van Bas Heijne in de NRC: ‘Het zal misschien niet allemaal kloppen wat Geert vertelt. Maar het is wel waar’. Argumenteren op z’n PVV’s…

Zere nek

maandag, juni 14th, 2010

Het is me nu twee keer pal achter elkaar overkomen, dus dan toch maar iets over schrijven: het lijkt wel alsof projectieschermen voor een presentatie steeds hoger komen te hangen. Of liever gezegd: wat me is overkomen, is dat ik tijdens een presentatie heb moeten oppassen om geen zere nek te krijgen.

Mijn nek is gevoelig voor lang omhoog kijken; ik ben niet zo goed in het hoofd in de nek werpen. Dat geeft al gauw veel spierspanning, te veel als ik niet uitkijk. Je zult mij dus ook nooit bijvoorbeeld zelf een plafond zien witten.

Een paar weken terug merkte ik aan het eind van de Middag van het Ik dat ik een stijve nek en schouders aan het krijgen was. Het scherm hing daar net iets te hoog. Voor een korte presentatie geen probleem, maar een hele middag, dat voelde ik wel. Afgelopen donderdag was ik bij een kortere presentatie in een zaal waar het scherm nog veel hoger hing. Alert geworden door de vorige ervaring merkte ik meteen dat ik niet langer dan heel even naar dat scherm moest kijken. Zo ben ik er zonder kleerscheuren doorheen gekomen.

Een hoog scherm voorkomt dat de spreker in het licht uit de projector kijkt en dat zijn schaduw op het scherm valt. Maar een te hoog scherm is vervelend voor het publiek.

Het is nog om een andere dan puur fysieke reden vervelend. Als spreker wil je contact met het publiek. Als het de bedoeling is dat je publiek ook naar je geprojecteerde beelden kijkt, houd je dat contact het makkelijkste als je zo dicht mogelijk bij je scherm gaat staan. Bij een hoog scherm kijken mensen over je heen -  letterlijk, maar ze zien je dan dus ook figuurlijk makkelijker over het hoofd.

Extra voordeel van een laag scherm is dat je met je gewone handen dingen op het scherm aan kan wijzen, en niet met zo’n bibberig laserstraaltje. De ideale (en helaas lang niet altijd realiseerbare) positionering van een scherm is dus zo dat je er met je ‘goeie’ hand op kunt wijzen zonder te draaien (want dan keer je je weer van het publiek af). Ik ben rechtshandig, dus zou het scherm voor mij rechts naast me moeten hangen, iets hoger dan ikzelf, maar niet al te hoog. Als ik er goed naast ga staan, sta ik ook niet in de beamerstraal. Zo heel moeilijk is dat niet.

Misschien komen schermen wel simpelweg hoger te hangen nu de beamer vaak aan het plafond hangt. Met de oude overheadprojector kon dat niet: daar moest je bij kunnen. Een beamer wegwerken tegen het plafond is prima natuurlijk. Maar richt hem dan wel zo dat fatsoenlijk presenteren mogelijk blijft!

Doe niet na

woensdag, juni 9th, 2010

Nog een Powerpointjuk, de tijd is kennelijk rijp voor weer eens lekker klagen over dat programma. In de Stadswerker, het personeelsblad van de gemeente Rotterdam (nummer 17, 28 mei 2010), staat een column met als titel ‘Power zonder point’. De schrijver, Marcel Jongmans, doet zijn beklag over de ‘letterlijk honderden slaapverwekkende Powerpoints’.

Mensen die Powerpoint gebruiken hebben, zo schrijft Jongmans ‘geen power of geen point’. Presentaties duren te lang, er staat veel te veel tekst op (’beleidsplakkers’ zetten hele beleidsstukken op hun dia’s), presenteerders worden verblind door het licht uit hun eigen beamer (’knijpoogambtenaren’), en ‘rechtsinvliegende statements met ‘whoooosh’ geluidjes’ - daar krijgt Jongmans vlekken van.

Het is allemaal heel herkenbaar, begrijpelijk, en vermakelijk. En goed dat er aandacht voor is. Alleen jammer dat Jongmans aan het eind van zijn column met deze adviezen komt:

Daarom beste collega’s: Niet meer dan tien sheets, niet langer dan twintig minuten en het lettertype minimaal dertig punten groot.

Dat is niet de oplossing. Dat is zeggen: ‘gebruik een zaag’, terwijl je nog niet eens precie weet welke klus je op moet gaanknappen. Het is het in isolement formuleren van eisen aan het instrument of middel, terwijl dat middel idealiter afhangt van het doel.

Je kunt presenteren met 1 of 100 sheets, in 1 minuut of een hele dag, het lettertype kan groot of klein zijn - als het allemaal maar functioneel is: in dienst staat van het doel dat je wilt bereiken bij het publiek. En wat ik dinsdag ook al schreef: onderdeel van dat doel hoort te zijn het creëren van betrokkenheid en interactie met het publiek.

Er is een Powerpointpraktijk ontstaan van elkaar nadoen ‘omdat het zo hoort’. Iets wat eigenlijk een middel is, en een prachtig en krachtig middel kan zijn, is tot doel op zich verheven. Met die praktijk is vrijwel niemand echt gelukkig. Daarom, als ik één advies zou mogen geven, zou ik zeggen: doe niet klakkeloos na; denk zelf.

Verschil samenvatting en inleiding

woensdag, juni 9th, 2010

(Inleiding:)  En nu dan het slot van een hele ketting. Ik kom nog even terug op punt 1 van de post van maandag, die weer te maken had met eerdere, die allemaal de afgelopen twee weken gingen over het thema ‘zo schrijven dat je efficiënt lezen mogelijk maakt’. Ik schreef het nogal makkelijk: een samenvatting is iets anders dan een inleiding. Dat blijkt in de praktijk niet voor iedereen duidelijk te zijn. Een toelichting.

Inleiding en samenvatting hebben wel wat gemeenschappelijk, en dat is dat de hoofdboodschap erin staat. Maar verder zijn de functies verschillend:

  • De inleiding praat in een paar stappen naar die hoofdboodschap toe (bijvoorbeeld door achtergrond, probleem en vraagstelling kort te schetsen) en vertelt hoe de rest van het document de hoofdboodschap gaat uitwerken. Aan het eind van de inleiding weet de lezer waar hij kan verwachten bij de rest van het stuk.  
  • De samenvatting geeft de hele inhoud beknopt weer. Dus naast de hoofdboodschap ook de uitwerking, en misschien ook wel, heel in het kort, achtergrond, probleem en vraagstelling. Aan het eind van de samenvatting weet de lezer de hele inhoud van het stuk, alleen nog niet tot in detail. 

(Samenvatting: ) Inleiden = lezersverwachtingen managen; samenvatten = verkleinen.

« Vorige

Tekst & Communicatie Powered by WordPress
Berichten (RSS) en Reacties (RSS).