3 X over taal, denken en de werkelijkheid

Ik heb de afgelopen weken drie boeken gelezen (het is midzomerrustig met werk, dus daar maak ik graag tijd voor) die voor mij een duidelijke rode draad bevatten. Die kan ik op twee manieren formuleren:

  1. Pessimistisch: taal houdt ons gevangen in een bepaalde manier van denken over onszelf en de wereld.
  2. Optimistisch: door kritisch te zijn op taal kun je je denken en waarnemen veranderen, verbeteren.

inburgeringscursusOp die pessimistisch-optimistisch-as is Inburgeringscursus voor managers. Waarom managers niet zeggen wat ze bedoelen en doen wat ze niet zeggen van Joop Swieringa het meest pessimistisch. Daarmee bedoel ik niet dat het zwartgallig is, integendeel, maar dat het vooral beschrijft en verklaart en weinig handvatten biedt voor hoe het anders zou kunnen. Vooral de verklaring is wel goed en leerzaam, vind ik. Het boek gaat veel verder dan wat de titel misschien doet vermoeden, namelijk dat het vooral een grappig ‘kijk eens hoe raar ze praten’-beeld van managers schetst.

Het boek laat zien hoe zeer mensen in organisaties bepaald worden door het verhulde hiërarchische machine- en machtsdenken waarvan managementjargon het talige symptoom is. Dat is de wereld waarin het werkwoord communiceren van betekenis is veranderd (‘vervormd’) waardoor het voorzetsel erbij niet langer met is, maar naar. Met het jargon als aanknopingspunt levert Swieringa zo stevige en rake kritiek op organisaties. Daarom is het ook niet alleen maar somber: Swieringa gelooft wel degelijk dat organisaties menselijker kunnen en dat gewone-mensentaal daar een instrument toe biedt. Maar heel praktisch wordt hij verder niet.

Juist wel heel praktisch is Denkadviseren. Over de relaties tussen de taal, het denken en de problemen van mensen in organisaties van Edu Feltman e.a. CoverDat is dan ook het meest optimistische van de drie: het boek wil een heel nieuwe manier van adviseren presenteren. De adviseur geeft dan geen kant-en-klare oplossingen, maar helpt de cliënt uit diens vaste denkkaders te komen. Overeenkomst met het vorige boek is dat managementjargon één van de ingang is tot anders denken, namelijk door het te bevragen. De rol van de adviseur is goed luisteren en oprecht nieuwsgierig zijn naar wat iemand die communiceren naar zegt werkelijk bedoelt.

Maar dat is maar één van de vele mogelijkheden tot ‘taalspel’ dat de geadviseerde uit zijn vaste denkkaders haalt. Een aardig ander idee vond ik bijvoorbeeld dat mensen in het formuleren van een probleem ook altijd impliciet een ideaal formuleren. In een voorbeeld (p. 122/123) vertelt een moeder met een opvoedingsprobleem dat ze het wel leuk wil houden. Dan is ‘leuk’ kennelijk een ideaal. Hoe realistisch is dat, en niet-leuk is toch ook iets wat een kind moet leren?

Overigens doen dat soort voorbeelden en ook de sterke aandacht voor het praten over het hier-en-nu in plaats van over het daar-en-toen (wat de auteurs met een aardig woord ook wel ‘rondleidingen’ noemen) mij denken aan methodes uit de humanistische therapie (Gestalt, ACT). Die worden echter niet als inspiratiebron genoemd. Misschien is het  mede daardoor dat ik Denkadviseren als inspirerend, interessant en nuttig ervaar, maar zeker niet als revolutionair nieuw. De auteurs schetsen mijns inziens een karikatuur van ‘gewoon’ adviseren (panklare oplossingen geven, meestal meer van hetzelfde), waartegen hun methode scherp afsteekt.

letopjewoordenHet derde boek, Let op je woorden. Politiek, taal en strijd van Jan Blommaert, zit tussen de andere twee in qua optimisme. Het wijkt ervan af omdat het niet zozeer over organisaties gaat, maar over politiek en maatschappelijke kwesties. De overeenkomst is wel dat ook dit boek laat zien hoe dominant een bepaald algemeen geaccepteerd ‘frame‘ is. Binnen organisaties is het dus het hiërarchische machinemodel; in de maatschappij is het het centraal stellen van het wel en wee van private ondernemingen. Daardoor kan iemand serieus zeggen dat het beter zal gaan met een land als de lonen gekort worden en het OV duurder (Yves Leterme in zijn tijd bij de OESO, over België, p. 49). En is iemand die zich de pleuris werkt in het huishouden en als vrijwilliger en die daarbij ook nog flink consumeert toch ‘niet-productief’ en daarmee een probleem. 

Net als bij de Inburgeringscursus gaat het over het de vervorming van woorden, in dit geval vooral de beperkte betekenis die woorden soms krijgen. Iemand is tegenwoordig bijvoorbeeld alleen ‘geradicaliseerd’ en een ‘terrorist’ als hij een Islamitische achtergrond heeft, zodat we dat vijandsbeeld er goed ingepeperd krijgen. En wiens crisis is de vluchtelingencrisis eigenlijk?

Blommaert schudt wakker, en dat is wat alle drie deze boeken bij mij doen. Ik neem me voor zelf ook kritischer te worden op de vanzelfsprekendheden in het dominante discours. Waar dingen vooruit móeten gaan, terwijl veel mensen er ongelukkig van worden (interessante verhandeling daarover op het eind van Denkadviseren). Want ook dat is een rode draad: er is veel ‘gedoe’, in organisaties en in de wereld. De meeste oplossingen voor al dat gedoe is: meer van hetzelfde. Meer macht, meer beheersing, meer controle, meer ‘veiligheid’. Gaat dat echt helpen? Dat is zeker iets op kritisch op te zijn.

 

 

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.