Boel andere leestips #2: bijzonder, uniek en gek

In deze zomerboel aan andere boeken (zie deel 1) dit keer een heel gek ‘ander’ boek, bij mijn weten het enige in zijn soort: Praat maar vol, jongens! Het is de integrale tekst die door de Vlaamse wielercommentatoren Michel Wuyts en José de Cauwer werd gesproken van de wegrit tijdens de Olympische Spelen in Rio, 6 augustus 2016. De uitzending duurde zeven uur en het commentaar telt bijna 52.000 woorden.

Dat is geen boek om van A tot Z te lezen. Spannend is het niet, want wat er gebeurt en de uitkomst weten we al: Greg van Avermaet, landgenoot van de twee commentatoren, wint. In het boek ziet hun euforie daarover er zo uit:

De letters worden steeds groter

 

 

Daarmee zie je meteen één van de bijzondere kenmerken van het boek: er is met de typografie gespeeld, waardoor het óók een bladerboek is geworden.

Het tweede bijzondere blijkt meteen als ik de pagina wil vermelden van het fragment. Het boek heeft namelijk geen gewone paginanummers. In plaats daarvan staat onderaan de pagina tot aan de finish vermeld hoe veel kilometer het nog is, en na de finish hoeveel tijd die geleden is. Het boek begint dus op ‘nog 237 kilometer’, het fragment van hierboven staat op ‘8 seconden na de finish van Greg van Avermaet’ en het boek eindigt op ‘1 uur en 5 minuten en 35 seconden na de finish van Greg van Avermaet’. Hilarisch!

Nou vind ik dat soort dingen al leuk, maar wat het boek ook de moeite waard maakt is dat ik me kan vergapen aan het verschil met ‘gewone’ tekst. ik weet het al, maar dit maakt het zo zichtbaar: praten is echt heel anders dan schrijven. Zelfs als het nog redelijk verzorgde spreektaal is van mensen die zeer eloquent zijn (Michel Wuyts is een van mijn favoriete gebruikers van de Nederlandse taal). Desalniettemin ontsporen een boel zinnen of staan er gekke dingen in.

Soms is dat ‘gewoon’ ontsporen zoals gesproken taal dat doet. Er is in de taalkunde wel gezegd dat de grammaticaal correcte volzin eigenlijk alleen in de schrijftaal voorkomt. Spreektaal bestaat uit beurten in plaats van zinnen en ‘rammelt’. En dan krijg je dus haperingen, aarzelingen, woordherhalingen, ontbrekende woorden, zinnen waarvan het einde niet aansluit bij het begin, en dit soort dingen die je nooit zo zou opschrijven maar waarvan het wemelt in spreektaal:

En dan kom je daar tuurlijk, als niet echt gewoon zijn, ja, dan bots je echt wel volledig weg, hè?

Da’s José de Cauwer trouwens, op pagina ‘nog 190 kilometer’.

Maar een ander deel van de typische gekkigheid wordt direct ingegeven door de beelden. Dat maakt deze tekst bij vlagen ontzettend onsamenhangend. Het heftigste voorbeeld daarvan kon ik opzoeken, want ik had de rit gezien en ik was dus benieuwd hoe de dramatische valpartij in de finale in het boek zou zijn terechtgekomen. Welnu, ongeveer zo (p. ‘nog 10 kilometer’):

Wuyts: Ik neem aan dat u deze wedstrijd van 240 kilometer niet van bij de start gevolgd hebt. Ik kan u nog wel vertellen dat de Britten…
De Cauwer: Een valpartij.
Wuyts: En een val, en een val! En dat is vooraan gebeurd?
De Cauwer: Da’s vooraan, da’s vooraan, da’s vooraan.
Wuyts: Daar ligt….
De Cauwer: Ai ai ai, en wie is er weg?
Wuyts: Zijn dat…
De Cauwer: Majka is weg.
Wuyts: Majka alleen.
De Cauwer: Majka is weg.
Wuyts: Liggen daar Nibali en Henao?
De Cauwer: Ja ja ja ja ja.
Wuyts: Ai ai ai ai ai ai ai ai ai ai ai, te veel risico’s…

Met mijn speciale aandacht voor samenhang en structuur vind ik vooral dat begin interessant: Michel Wuyts begint net met het bijpraten van nieuwe kijkers en hij doet dat door een vooruitblik te geven waarin hij iets over de Britten aankondigt. Maar dan gebeurt er iets onverwachts. Weg zijn die Britten, of dat bijpraten überhaupt. De kijker ziet natuurlijk ook wel dat er urgentere zaken zijn. Over die Britten gaat het daarna niet meer.

Een ander interessant dingetje vind ik de nadruk die De Cauwer legt op ‘Majka is weg’. Zo’n simpel zinnetje vergt veel aanvullende kennis om het te kunnen interpreteren. Niet alleen is ‘weg zijn’ in wielertaal niet het van de aardbodem verdwenen zijn (zoals Nibali en Henao weg waren, in de zin van uit de wedstrijd, door hun val), maar het vooruit zijn, ontsnapt zijn bijvoorbeeld, en met de nadruk en de herhaling geeft De Cauwer aan dat het in zijn ogen belangrijk is: een kansrijk ‘weg zijn’. Voor schrijftaal zou zo’n mini-zinnetje te impliciet zijn.

De Cauwer zag het toen goed: inderdaad leek Majka daarna lang op weg naar Olympisch goud, om uiteindelijk als derde te finishen omdat hij vlak voor de finish werd bijgehaald en in de sprint verslagen door Van Avermaet en Fuglsang.

Nou, en zo is het dus een heerlijk boek om in te bladeren, te kijken naar de vondsten van de makers (Wim te Brake en Jeroen Duvillier), me te verwonderen over hoe gek het is om te lezen wat je zo klakkeloos aanhoort en dus over het verschil tussen gesproken en schrijftaal. Ik vind het heel erg leuk dat het boek er is!

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.