Beginnen kan smaller dan je denkt

Ik had de afgelopen tijd een paar ervaringen met een beginzin die volgens mij vaker voorkomen. Altijd lastig, beginnen. De truc is: gewoon doorschrijven en ‘m later verbeteren.

Ik ben bezig met een artikel over zakelijk schrijven. In de eerste, handgeschreven versie begon ik met ‘In onze kenniseconomie moeten professionals veel lezen voor hun werk’. Ik wist meteen dat dat ‘m niet was, met dat moeten erin, en van die kenniseconomie kreeg ik ook een beetje jeuk.

Bij het overtypen, 2e versie dus, maakte ik ervan ‘In wat wel onze kenniseconomie genoemd wordt, besteden professionals veel tijd aan lezen’. Dat was hem nog niet, en dat zal hem vooral in die kenniseconomie. Ik wilde daar wat afstand van nemen, want het is zo’n algemene, abstracte term (als ik om me heen kijk, zie ik nergens ‘kenniseconomie’) die ook nog eens niet voor iedereen opgaat (de groenteboer bijvoorbeeld). Maar door afstand te nemen in de formulering, legde ik er alleen maar meer nadruk op, alsof er een verhandeling over het begrip zou volgen.

Het artikel vergde nogal wat schaafwerk, en ergens in al dat geschaaf zag ik het ineens: weg met die kenniseconomie! De begin zin is nu: ‘Veel werkende mensen besteden een groot deel van hun werktijd aan lezen’. Prima, dat was ‘m. Nog een boel versies later is daar niets meer aan veranderd.

Die kenniseconomie, die sloop erin vanwege een neiging om net iets te breed, globaal, algemeen te willen beginnen, met een algemene uitspraak over het tijdsgewricht of de maatschappij. Veel beginzinnen vind ik daarom clichématig (‘We bevinden ons in een tijd waarin verandering aan de orde van de dag is’) of ronken, bijvoorbeeld (bron):

We bevinden ons in een cruciaal tijdsgewricht waarin een oude en een nieuwe wereld tegenover elkaar staan, elk met eigen belangen.

Oja joh? Dat zegt vooral iets over het wereldbeeld van de schrijver, net zoals mijn ‘in wat wel de kenniseconomie genoemd wordt’.

Een ander te breed begin is te ver terug gaan in de geschiedenis: ‘Er was een tijd dat de informatiehoeveelheid nog niet zo groot was’. Ik noem dat wel eens de ‘In den beginne’-inleiding, of de ‘Adam en Eva’-inleiding.

Wat een inleiding moet doen, is de lezer focussen op de kern van de tekst. Niet minder, maar zeker ook niet meer dan dat. Die eerste zinnen moeten daartoe net genoeg doen om die kern te kunnen plaatsen. En dat is vaak minder dan de schrijver nodig heeft om op te kunnen starten.

Want dat is het: ik moest als schrijver zelf even op gang komen. Dat is prima. Kom op gang, schrijf de tekst, en keer later terug naar het begin. Kan dat wat sneller ter zake wellicht? Dat lukt met een ‘smaller’ begin. Daar heeft de lezer baat bij.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.