Wat dan wel met de lijdende vorm?

Gister beloofde ik praktische adviezen die zijn af te leiden uit mijn proefschrift over de lijdende vorm. Laten we daarvoor eerst eens wat preciezer kijken naar waar we het dan over hebben (iets preciezer dan – ten opzichte van mijn proefschrift natuurlijk kort en ongenuanceerd).

Het passief wordt altijd als een soort alternatief voor, spiegelbeeld van de actieve zin gezien: hond bijt man -> man wordt door hond gebeten. Maar je kunt ook gewoon naar de passieve zin zelf kijken. Dit bevat twee vaste onderdelen:

  • worden, wat betekent: in een bepaalde toestand komen
  • Een voltooid deelwoord – en dat drukt een bepaalde (eind-)toestand van een proces uit. Dat proces is wat het werkwoord uitdrukt: het eindresultaat van bijten is gebeten zijn.

Samen betekent het passief dus: in een bepaalde (eind-)toestand van een proces komen. Zo’n proces, zo zit er in ons hoofd, heeft een veroorzaker. Iets of iemand moet dat bijten gedaan  hebben, is daar verantwoordelijk voor. De gedachte daaraan wordt door het passief dwingend opgeroepen, en de zin kan die veroorzaker expliciet maken achter door: De deur wordt geopend… door Sinterklaas! (= door het toedoen van Sinterklaas komt de deur in geopende toestand).

Bij een standaard voorstelling van zaken, als er sprake is van een deur, openen en Sinterklaas, zijn  we geneigd Sinterklaas centraal te stellen. Daar identificeren we ons immers mee: je kunt jezelf in die situatie alleen als Sinterklaas voorstellen. Algemener: ‘de veroorzaker is net als ik’. Juist die identificatiemogelijkheid doorbreekt het passief: ‘er is wel een veroorzaker, maar die is niet net als ik’.

Het passief drukt dus uit: ‘iets komt in een bepaalde (eind-)toestand van een proces, en met de veroorzaker van dat proces vindt geen identificatie plaats’. Dat maakt het passief bijvoorbeeld geschikt voor niet-menselijke veroorzaking, zoals hij werd door de bliksem getroffen.  Het actieve de bliksem trof hem klinkt ongemakkelijk, bijna als personificatie van de bliksem, alsof die bewust zou handelen. Het passief vermijdt die bijgedachte: ‘deze veroorzaker is niet net zoals ik’.

Wat betekent dit nu voor teksten, schrijven en schrijfadvies? Nou, vooral dat je goed moet kijken en dat ‘schrijf actief’ te ongenuanceerd is. Namelijk:

  1. Passief en actief zijn niet simpelweg elkaars spiegelbeeld of omkering; het ligt subtieler dan dat. Vandaar dat passieve zinnen recht-toe-recht-aan actief herschrijven in een tekst vaak wringt. Het perspectief komt dan ineens heel anders te liggen, met ineens een prominent aanwezige (‘identificeer je met mij!’) veroorzaker.
  2. Passieven hebben verschillende handige en mooie functies. In mijn proefschrift geef ik voorbeelden uit literaire teksten (een prachtfragment dat wemelt van de passieven uit Kinderjaren), computerhandleidingen en sportverslagen. In computerhandleidingen kun je een handig verschil maken tussen de dingen die de gebruiker (mee identificeren!) moet doen en wat de computer automatisch doet (niet mee identificeren!), bijvoorbeeld: als u op F7 drukt, wordt het document afgedrukt. In de verslagen van het landskampioenschap van Ajax in 1995 gebruikte het NRC meer passieven waarin Ajax de veroorzaker was dan het Parool, en lezers blijken dat soort subtiele signalen ook op te pikken als indicator van de ‘partijdigheid’ van de krant.
  3. Door het ontbreken van het specifieke identificatiefiguur maakt het passief een soort algemene identificatie mogelijk, wat ik ‘wie de schoen past, trekke hem aan’-passieven heb genoemd. Als er in een beleidsnota staat Afdeling X moet racisme met alle mogelijke middelen bestrijden gaan er vast partijen steigeren.  Maar Racisme moet met alle mogelijke middelen bestreden worden is okee. Zo kun je het passief dus tactisch gebruiken, zij het dat het dan wel wat vaag wordt allemaal. Maarja, duidelijkheid is nou eenmaal niet altijd gewenst.
  4. Een bijzondere vorm van tactiek is het vermijden van ik, bijvoorbeeld in wetenschappelijke teksten (dit-en-dat werd uitgevoerd, verricht en gedaan, en toen kon er worden geconcludeerd dat…). Het passief maakt hier de ik veel minder prominent aanwezig dan in de actieve zinnen. Dat kan soms terecht zijn: het is niet de bedoeling dat een tekst een ego-trip wordt. Maar ook hier kan vaagheid problematisch worden.
  5. Aangezien identificatiefiguren ons houvast geven bij het begrijpen van een tekst (vergelijk het meekijken door de ogen van een hoofdpersoon), zijn te veel passieven storend: er wordt wel steeds een veroorzaker opgeroepen, maar houvast – homaar. Steeds maar weer dat signaaltje ‘identificeer je niet’. Dat geeft ‘passivitis‘ z’n slechte naam. Wat eraan te doen? Je moet goed kijken naar hoe die grip dan wel te verkrijgen is, anders dan door simpelweg te zeggen: maak maar actief. Immers, dan zou bijvoorbeeld in geval 3 weerstand te verwachten zijn en in geval 4 de tekst wél een ego-trip worden. Over die geschikte alternatieven voor de lijdende vorm schrijf ik de volgende keer.

Okee, en de bron dan  nog één keer expliciet: Cornelis, Louise H. Passive and perspective. Amsterdam: Rodopi, 1997 (dissertatie Universiteit Utrecht).


Reacties

Wat dan wel met de lijdende vorm? — 2 reacties

  1. Pingback: Tekst & Communicatie » Blog Archive » ‘Zakelijke alternatieven’ voor de lijdende vorm

  2. Pingback: Tekst & Communicatie » Blog Archive » VIOT (3)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.