Dikke Prins: scherp, knap en grappig geschreven

Meteen nog maar een inspirerend niet-vakboek. Waar het vorige nog echt wel een boek voor mij bleek te zijn, is dat van deze post een nogal onwaarschijnlijke: het gaat over Theo Janssen, oud-voetballer van onder andere Vitesse. Ik heb een beetje wat met voetbal, maar niet met Vitesse en al helemaal niet met Theo Janssen. En toch is het een fenomenaal boek.

Het gaat om Theo Janssen. Op stap met De Dikke Prins van Marcel van Roosmalen. Van Van Roosmalen ben ik al jaren fan, vanwege zijn columns in de NRC, tot voor kort zijn verslagen van beurzen en bijeenkomsten en dergelijke in One World,  en ook sinds ik hem een keer in het echt zag en hoorde tijdens mijn cursus voetbaljournalistiek, waarin ik hem de meest originele gastspreker vond,  met een verfrissend eigen en kritische blik op die rare voetbalwereld. Misschien als enige voetbaljournalist niet in de eerste plaats fan. 

Ik wilde zijn boek over Theo Janssen sowieso lezen, en al helemaal toen ik op Bol zag dat het gemiddeld uit 28 reviews maar een 3,2 scoort (op 4 maart), terwijl het nul 3’en scoort en vooral 5’en óf 1’en. Je vindt het kennelijk hartstikke goed of hartstikke slecht. 

Ik vind het hartstikke goed. Maar ik snap ook wel dat het veel lezers zal teleurstellen, juist omdat het zo’n afwijkend voetbalboek is. Geen heldenportret van Janssen, integendeel. Het beeld dat van hem naar voren komt uit het boek is niet heel verheffend. En er gebeurt eigenlijk ook niet zo veel in – het kabbelt.

Het boek is opgeschreven alsof het een letterlijk, chronologisch verslag is van enkele gesprekken die Van Roosmalen en Janssen voerden, meestal met de voormalige Vitesse-persvoorlichtster erbij, soms met nog anderen, in verschillende situaties. Je weet als lezer natuurlijk nooit wat er echt letterlijk gezegd is, maar wat er nu staat, komt over als een tamelijk frustrerende en futiele zoektocht van Van Roosmalen naar wat meer diepgang en interessantheid achter de persoon Theo Janssen. 

En die is er dus niet, of die laat Janssen niet zien. Die herhaalt zichzelf namelijk alleen maar, snijdt steeds dezelfde thema’s aan, zegt regelmatig dat er dingen niet in het boek mogen, vraagt zich al vanaf de helft af of het werk voor het boek er eindelijk op zit, wil het vooral over de titel en de boekpresentatie (met drank en hapjes) hebben – enzovoort. 

Van Roosmalen vraagt zich ‘hardop’ af hoe hij er nog wat van kan maken. Janssen is een oud-voetballer die een boek over zichzelf wil maar er niet echt aan mee wil werken. Het klinkt alsof Van Roosmalen er weinig lol aan beleeft, maar zo klinkt al zijn schrijfwerk. Hij is een genadeloos observeerder en chroniqueur die niet bereid is om er een mooi verhaal  van te maken.

En daardoor zit er juist toch ook heel veel lol in. Want die scherpe, genadeloze observaties zijn soms triest, maar soms ook ongehoord grappig. Ik ken geen andere schrijver die zo schrijft als hij. Het lijkt makkelijk: gewoon stroeve gesprekken uitschrijven. Maar ik denk dat dat het lastiger is dan dat – het blijft hoe dan ook een vormkeuze Het klinkt als eerlijk verhaal, maar het blijft een biografie natuurlijk; elke biograaf maakt keuzes (daar is onlangs een interessant proefschrift over verschenen, begreep ik uit een artikel in de NRC). Bovendien geeft Van Roosmalen van zichzelf ook niet alleen maar een positief beeld.

Eén voorbeeld: Van Roosmalen gaat met Janssen mee naar de eerste wedstrijd na de degradatie van diens oude club FC Twente, tegen Sparta. Ze zitten op de eretribune, en dat is vlak achter het Sparta-bestuur. Janssen gaat koffie halen en morst daarvan een half kopje op het colbert van één van die bestuurders, en dan staat er in Van Roosmalens woorden (p. 80):

…dat was het hoogtepunt van de wedstrijd

Dat is al hilarisch, en vervolgens kabbelt het verhaal over die avond pagina’s lang door nog. Op p.92 zitten ze in de auto op de terugweg en is er eerst wat gedoe vanwege de stinkende wind die Janssen  heeft gelaten (‘Zet effe een raampje over, er komt er  weer een’). het gaat wéér over een geschikte titel voor het boek en Janssen zegt ook nog dat hij op z’n tribune ‘alles meekrijgt’; die persvoorlichtster noemt hem ‘hoog sensitief’. Dan komt Van Roosmalen terug op de koffie op dat colbertje, over hoe lang het duurde voordat de koffie in de stof was getrokken en dat er ook spatten zaten op het hoofd van de Spartaan. Janssen:

Ik heb het zelf niet helemaal meegekregen.

Totaal futiel detail dus, die koffie, misgeslagen plank – elke andere schrijver zou zoiets wegredigeren, Van Roosmalen niet. Dat is scherp, knap en grappig. Schrijf een boek vol met dit soort details en je krijgt toch een beeld van, uh, ja, een dikke prins – prima titel!  

 

Bevrijdend taalspel

Zo af en toe bespreek ik hier ook niet-vakboeken, bijvoorbeeld omdat van een literair of ander boek de taal of de vorm me opvalt. Ik heb er weer een: afgelopen week las ik Pussy album, van Stella  Bergsma. Een paar jaar oud alweer,  het was me ontgaan en ik werd erop geattendeerd toen Bergsma een paar weken terug te gast was in Winteruur, een programma met een licht verslavende uitwerking op mij als tekstliefhebber. 

ik heb Pussy album bijna in één ruk uitgelezen, zowel vanwege de inhoud als vanwege het taalspel erin. De titel is al een woordgrap natuurlijk, en dit is de eerste alinea:

Mannen zijn klootzakken. Dat zeggen ze zelf. ‘Ik ben een klootzak hoor,’ roepen ze trots. Ze steken hun hand in hun broek en gaan wijdbeens zitten. ‘Ik ben een enorme hufter,’ zuchten ze tevreden. Ik geloof dat het is omdat ze altijd willen neuken. Dat schijnt van een vreselijke klootzakte te zijn. Ze spugen wat, krabben in hun kruis en drinken hun biertje. Neuken willen ze, vaak met vrouwen.

De alinea daarna is ongeveer even positief over vrouwen, en eindigt met hoe ‘kut’ het is dat vrouwen kinderen willen. De alinea daarna gaat net zo door over kinderen (‘dictatoriale dramdwergen’), dan dieren en daarna dingen. Hallo lezer!

De taal is heftig, onverbloemd, snel en hard – en origineel, wat in het citaat vooral blijkt uit het neologisme klootzakte. Bergsma verzint vaker nieuwe woorden, ze schijnt bijvoorbeeld sletvrees geïntroduceerd te hebben: de angst van vrouwen om voor slet uitgemaakt te worden. In het boek staan er veel fraaie voorbeelden van.

Met de hoofdpersoon in het boek, Eva, gaat het niet goed – dat vermoeden geeft zo’n eerste alinea al. Ze raakt onder andere aan de drank, en als ze echt heftig dronken is, gaat haar taal eraan. Er staan dan passages als:

Het grijpt om zich hee en is onuitroeib ar. Het kust je wakke, mijn lieste, iedre morgen e he za je voor eeuwi in slaa suss.

En, nog meer naar het eind:

Het aller, aller. ALLUU aa. Pra prie hom. Halhal goe ba. Drrroouuu huu. Drouuhouu beel. Kazoopa vroa. 

Dat doet me denken aan de klassieker Hersenschimmen, waar de taal ook de aftakeling van de hoofdpersoon reflecteert.  

Heftig taalspel! Mij inspireert de grote vrijheid die Bergsma zich permitteert – sowieso, en al helemaal als vrouw. Haar stijl en taal zijn verre van standaard of aangepast, en de vrouwelijke hoofdpersoon is dat ook niet. Het boek is controversieel, begreep ik – sommigen vinden het niks. Maar ik vind het een goed en belangwekkend boek. 

 

Passief of actief – je hebt de omroep nodig

Gisteren tweette @cvetekst (Christine van Eerd) een foto van een mededelingenbord in een trein (ze was op weg naar een workshop eindredactie!). Dit stond erop, het bovenste in grote letters, het onderste in veel kleinere:

Deze trein wordt op het volgende station gecombineerd.
Deze Intercity wordt in station Alkmaar gecombineerd.

‘Mag dat? Kan dit anders’, vroeg ze zich af, doelend op de passieve formulering.

Nou, natuurlijk mag dat, gelukkig maar. Je mag schrijven zoals je wil, magniets zijn er wat mij betreft sowieso niet, en tegen al te dogmatische ideeën over het passief  treed ik vaker op,  dat ben ik mijn oude promotie-onderwerp verplicht, vind ik.

Hier is het passief ook echt het probleem niet. Je zou de zin actief kunnen maken, bijvoorbeeld, zo reageerden er ook op Christines tweet:

Op het volgende station combineren we deze trein
NS voegt op het volgende station twee treinstellen samen

Met we vind ik het vreemd onder-onsje-achtig klinken, met NS ben ik geneigd te denken ‘ja, wie anders?’ – de handelende persoon doet er gewoon niet toe. Bovendien zit in het eerste actieve voorbeeld een links-rechts-probleem met ongewenste nieuwswaarde-nadruk op iets bekends (deze trein). 

Bovendien lossen deze zinnen het probleem niet op. Want een probleem is er wel degelijk: de strekking van de mededeling is onduidelijk. Deze trein wordt gecombineerd – ja, dus? 

Je moet ervaren treinreiziger zijn om te weten dat dat betekent dat het even duurt voordat de deuren open gaan en dan je een schokje kan voelen. Ik moest zelfs ook even denken, want ik maak dat niet vaak meer mee en vind combineren ook niet het meest voor de hand liggende woord – heette dat vroeger niet koppelen? En moet je niet altijd combineren met iets? (Dat laat ik trouwens verder even zitten).

Volgens mij is de strekking dus:

Deze trein wordt op het volgende station gecombineerd. Daardoor kan het even duren voordat de deuren open gaan. Ook kunt u een schokje voelen.

Of nog liever, belangrijkste eerst:

Op het volgende station kan het even duren voordat de deuren open gaan. Ook kunt u een schokje voelen. Deze trein wordt daar namelijk gecombineerd.

Dat is lang, mogelijk te lang – al bespaar je natuurlijk ten opzichte van het origineel ruimte door niet bijna hetzelfde nog een keer te herhalen in kleinere letters, wat sowieso heel wonderlijk is.

Maar ik denk toch dat de mededeling dan nog steeds niet doet wat-ie zou moeten doen. Mensen lezen niet goed namelijk, je hoeft dat scherm niet eens te zien, tekst is weinig verplichtend, en op het moment dat je voor de deur staat op station Alkmaar en eruit wil, maar dat kan niet, ben je mogelijk alweer vergeten wat er op dat bord stond – áls je het al gezien hebt. Zo werkt dat. En als je voor die dichte deur staat, zie je dat bord niet. 

Je zou dus de mededeling moeten doen op het moment dat die relevant is. Nou heeft de trein daar een geweldig mechanisme voor, en dat is de omroep, de stem van conducteur of machinist. Zo’n scherm kan die niet vervangen. 

 

Lekker aan de slag met samenhang in tekst, gesprek en whatsapp

Hoogste tijd om eens iets inhoudelijk te vertellen over het vak dat ik aan het geven ben, Tekst- en gespreksanalyse, in Leiden. We zijn net deze week begonnen met onderzoek doen. Dat is al vroeg in het vak: in het 4e college. Dat geeft de studenten de tijd om het analysewerk te doen, en bovendien sluit het onderzoek nauw aan bij het eerste thema, dat we al hebben afgerond: samenhang in tekst en gesprek.

Als je goed gaat kijken naar teksten en gesprekken, dan zijn die een soort mirakels  van samenhang. We verwijzen, we pikken onderwerpen op en werken die uit, we gebruiken samenhangende kennis- en woorddomeinen (als het gaat om uit eten gaat het dus over een restaurant, menu, ober, tafel, voorgerecht, enzovoort), we maken verbanden expliciet en zorgen voor aaneensluitende handelingen (zoals: een antwoord geven op een vraag), enzovoort – en daar zijn we ons nauwelijks van bewust!

Als je door alle verbindende en verwijzende elementen een draadje zou trekken, krijg je een ‘weefsel’ (texture) van al die draden. In een gesprek vooral lokaal, want in een goed gesprek verandert het onderwerp geleidelijk. In een tekst kan het dwars door de tekst heen gaan.

Maar er gaat op het gebied van samenhang ook wel eens iets mis. Dan beginnen draadjes uit het niets, lopen ze dood, zijn ze onduidelijk of voor een tekst juist te lokaal. Op college hebben we bijvoorbeeld in detail gekeken naar de slechte brief die ik hier ook al besprak, en ik zag vorige week nog een mooi voorbeeld van een samenhangprobleem bij een opdrachtgever. Met die opdrachtgever had ik al eerder vrij precies naar samenhang in  hun teksten gekeken, en daarvoor had ik dankbaar gebruik gemaakt van de stof van het vak als checklist. 

De alinea begon met een stelling en daarvoor twee argumenten. Voor het tweede argument golden drie sub-argumenten. Dat is op zich prima te volgen, ware het niet dat de twee zinnen met de argumenten begonnen met ten eerste en ten tweede, en dat het laatste sub-argument begon met ten slotte. De andere twee sub-argumenten begonnen niet met een signaalwoord.

Vanwege de gelijkvormigheid van die signaalwoorden had ik (en ik niet alleen) de opbouw begrepen als: stelling, drie argumenten, en twee sub-argumenten voor het tweede argument. Dat kon inhoudelijk helemaal niet, maar  dat had ik niet gezien – iemand anders in de groep gelukkig wel.

Het onderzoek gaat over de vraag hoe samenhang tot stand komt in whatsapp. Dat is namelijk een interessante ‘tussenvorm’ tussen gesprek en tekst met ook helemaal eigen kenmerken. Sinds ik ermee bezig  ben, vallen me al gekke samenhangverschijnselen op. Bijvoorbeeld: dat in teksten vanzelfsprekende verschuiven van een onderwerp levert in whatsapp soms frustratie en ergernis op. Iemand stelt een vraag en wil daarop gewoon antwoord, maar binnen een paar reacties is de draad een zijweg ingeslagen. Die frustratie kunnen we niet zomaar oplossen, maar we kunnen mogelijk wel meer zicht krijgen op het specifieke weefsel van whatsapp. Voor zover ik weet is dat nog niet onderzocht, dat maakt het helemaal leuk: we zijn een echte onderzoeksgroep zo.

Ik leerde op het laatste college van de studenten meteen al bij over whatsapp – ze zijn daar (natuurlijk) handiger in dan ik.

 

 

De studie Nederlands maakte mij een expert-lezer

Het gaat in de algemene en mijn vak-media al dagen over het opheffen van de studie Nederlands aan de VU. Eén van de thema’s die vaak terugkomen is de vraag wat de meerwaarde is van de studie, los van de mogelijkheid tot het halen van een lesbevoegdheid. Waarom zou je de drie sub-disciplines – taalbeheersing, taalkunde en letterkunde (de laatste twee met hun historische benaderingen) – combineren tot één studie? Als je, zeg, in de praktijk van schrijven in organisaties wil werken, zoals ik, heb je dan niet meer aan alleen taalbeheersing, in combinatie met bijvoorbeeld Engels, communicatie of iets economisch of bedrijfskundigs? 

Het zette mij aan het denken over wat ik ervaar als de meerwaarde van mijn studie. Het is voor mij lastig om los te knippen: ik deed ook Algemene Letteren, ik ben daarna gepromoveeerd, en ik haalde mijn doctoraal lang (bijna 28 jaar) geleden. Toch durf ik wel een gok te doen. Bij historische taalkunde en bij letterkunde leerde ik twee dingen die voor mij van cruciaal belang zijn in het werk dat ik doe:

  • Bij een vak historische taalkunde van Arjan van Leuvensteijn leerde ik hoe je kritiek levert op de argumentatie in een wetenschappelijk artikel. Ik zie dat als cruciale stap in mijn ontwikkeling van lezen om te leren wat er staat (en als je het dan niet begrijpt of niet overtuigd bent, ligt het aan jou als lezer) naar écht kritisch lezen, waarbij het de schuld van de schrijver is als het niet duidelijk of overtuigend is. Met kritisch lezen verdien ik mijn brood – je kunt niet redigeren of feedback geven op een tekst als je bij twijfels over de tekst denkt dat het aan jezelf ligt. Sterker nog: inmiddels is ‘de lezer heeft altijd gelijk’ misschien wel  hét uitgangspunt in het werk dat ik doe. Als daar discussie over is, zie ik mezelf nog wel eens terug in dat kleine collegezaaltje, klein groepje studenten rond een tafel, Arjan aan het hoofd – en dan ben ik hem heel dankbaar. (Het grappige is: inhoudelijk kan ik me niets meer van het vak herinneren. En ik had ditzelfde natuurlijk ook bij een ander vak kunnen leren, maar het gebeurde hier.)
  • Bij letterkunde heb ik geleerd om overzicht te krijgen over grote hoeveelheden ongeordende stof (teksten). Ik deed een keer een bijvak psychologie en ik kon bijna niet geloven hoe gestructureerd die stof was: 13 colleges, boek met 13 hoofdstukken, elk hoofdstuk was even lang en begon met een vooruitblik en eindigde met een samenvatting en een checklist of je alles  wel begrepen had. Ik vond dat een lachertje: ik haalde het vak in minder dan een kwart van het aantal uren dat ervoor stond. Voor tentamens letterkunde moest ik me door enorme stapels heenlezen, van zowel primaire als secundaire literatuur, uit allerlei hoeken en gaten, deels zelf bij elkaar gezocht, nauwelijks ‘verdidactiseerd’ – en daar moest ik dus de hoofd- en bijzaken van leren scheiden, want anders was het niet te doen. Nog steeds merk ik dat ik in vergelijking met anderen heel handig ben in snel overzicht krijgen over documenten. Dat maakt me efficiënt in mijn werk, maar ook privé is het handig. Geef mij maar even een reisgids en binnen een paar minuten weet ik waar we heen moeten.

Deze twee dingen komen volgens mij samen neer op een heel grote expertise als lezer. Dat is waarom ik ooit Nederlands ben gaan studeren: omdat ik graag las (en schreef). Dat doe ik nog steeds, ik heb er mijn vak van gemaakt. De studie was wat mij betreft super waardevol. En dan gaat het dus niet eens zozeer om de inhoud, nouja, ook, en zeker voor wat betreft mijn specialisatie, de taalbeheersing. Maar van ‘de rest’ heb ik vooral vaardigheden en een bepaalde houding meegekregen. En die heb ik net zo hard nodig als die inhoudelijke kennis.

Ik ben er trots op neerlandicus te zijn.

 

 

Slik

Toch wel even slikken, hoor, afgelopen weekend: ‘mijn’ studie houdt op te bestaan. Ik studeerde Nederlands (en Algemene Letteren) aan de VU. Toen was het ook al niet heel groot, in vergelijking met de andere universiteiten, voor mij juist een reden om daarheen te gaan, want ik was de multiple-choice-tentamens en massale hoorcolleges enzo zat, daar leerde ik niet veel van, vond ik (ik had m’n propedeuse in Utrecht gedaan). Die aantallen zijn nergens meer, mede door de opkomst van studies als CIW en Taalwetenschap enzo. En door het inzakken van de interesse. Dat baart mij ook zorgen, ja, zeker omdat het veelzeggend is over het schoolvak Nederlands, al hoop ik ook wel op een varkenscyclus-effect.

De oogst aan links van de laatste tijd

Eén van de beste stukken van de afgelopen tijd bracht iets onder woorden waar ik zelf over had nagedacht maar ik zag het net niet, dat is altijd heel fijn: over dat een narratieve structuur kan leiden tot problemen in de logica en de onderbouwing, omdat het vaak gaat om achteraf redeneren en dan meer causaliteit toekennen dan reëel is. Het voorbeeld in het artikel is de biografie van Steve Jobs: diens jeugd heeft hem als het ware ‘voorgeprogrammeerd’ om later ontzettend succesvol te worden. Kun je achteraf denken. Maar er zijn een heleboel kinderen die vanuit een vergelijkbare achtergrond níet succesvol worden. Snel in oorzaak-gevolg denken is voor ons brein makkelijk en associatief ‘fast thinking’, maar dat wil niet zeggen dat je zo tot geldende redeneringen komt. Ik krijg wel eens de vraag wat het verschil is tussen piramidaal werken en storytelling, en daar ga ik in het vervolg dit bij uitleggen. Overigens kun je vanuit een piramidale structuur ook tot een narratieve vertelwijze komen, maar een goede piramide voorkomt de narratieve drogreden.

Twee posts over lezen die me aanspraken hadden allebei als strekking: laat het lees-ideaal los, het ideaal dus dat zegt dat je één boek tegelijk grondig en van A tot Z moet lezen. Hoezo? Voel je niet schuldig over de boeken die je koopt maar niet (helemaal) leest, prima om wat aan te rommelen en op te pikken wat je tegenkomt. De druk van het ideaal speelt zakelijk lezers parten, goed om je ertegen te wapenen! Grappig trouwens dat in het tweede stuk nou juist het boek van Kahneman als niet-doorheen-te-komen wordt gepresenteerd, ik hoorde dat laatst ook al van iemand – ik heb het verslonden! Ach ja, smaken verschillen. En lezers ook! 

In mijn overzichtje van nuttige en inspirerende links is ook vrijwel altijd plek voor het blog SlideMagic van Jan Schultink. Relatief is dat nu wat minder, want Schultink is vooral software aan het coderen en daar gaat het dus vaak over – voor mij wat verder van mijn bed. Desalniettemin wel twee interessante links nog: over dat je niet alle feedback klakkeloos moet opvolgen (worstelen veel schrijvers mee, in mijn ervaring), en meer voor mijn eigen zelfstandige vakgenoten, herkenbaar ook: pas op met het beloven van ‘quick fixes‘. 

Goede schrijfadviezen die ik ervaar als koren op mijn molen (zo van: zo hoor je het eens van een ander):

Dan van Neerlandistiek.nl, het blog dat ik volg:

  •  Zo herkenbaar dat ik erop reageerde: uit onderzoek blijkt dat een focus op grammaticale correctheid leidt tot fouten, namelijk hypercorrectie. En dat terwijl het taaladvies strenger wordt, in elk geval over als/dan, zo staat hier.
  • Een mooi kritisch stuk van Jan Renkema over hoe de combinatie van een abstract begrip en vage getallen alleen schijnduidelijkheid geeft. Voor veel ‘data-driven’ consultants ook relevant! En van dezelfde hand in het verlengde een beschouwing over vage woorden: vraag om een voorbeeld om, zeg, handhavingsstrategiemanagement concreet te maken. 
  • In het kader van mijn ‘hobby’ borden als speciale vorm van schriftelijke communicatie: een stuk over de grammatica van verkeersborden.

Iets verder weg van schrijven en teksten, ter inspiratie tot slot een mooie parabel over een chauffeur die de kwantummechanica uit kan leggen: wat is echte kennis?

Lastig, die fietsers – so what?

Ik zag net een krantenkop die illustreert waarom het formuleren van een (één) hoofdboodschap zo belangrijk is:

Nederland ‘best voorbereid’ op autonome auto’s, fietsers maken komst lastig.

Dat zijn twee boodschappen; het deel voor de komma stuurt richting ‘dus die gaan er komen’, het tweede richting het omgekeerde. Dus wat moet ik nou denken/vinden, wat is de so what

Die blijkt pas als ik ga lezen: 

de opbouw van Nederland maakt het lastig om de zelfrijdende auto een prominente plek te geven in stedelijke gebieden

Okee, weet ik dat – maar dan vraag ik me af waar het deel voor de komma op slaat. ‘Goed voorbereid’ wil kennelijk zeggen: qua technologie, acceptatie van consumenten, wetgeving en infrastructuur. Ik zie het die consultants in een modelletje zetten en afvinken. Maar dan denk ik: dan heeft het criterium ‘overige weggebruikers’ ontbroken in de analyse. Dus het deel voor de komma is (denk ik) de uitkomst van de analyse, en ojee, toen waren er ook nog fietsers, model overhoop. 

En dat denk ik óók omdat ik zulke restantjes van een analyse wel vaker zie, en wel vaker ook zie dat die in de weg zitten voor het formuleren van een eenduidige hoofdboodschap.

Nederland is helemaal niet goed voorbereid op autonome auto’s: te veel fietsers. Soms kan een bevinding in één klein hoekje van je analyse de hoofdboodschap doen kantelen.

Ik geef weer college – in loondienst

Ik heb één academisch jaar overgeslagen, maar inmiddels is het weer zo ver: sinds donderdag geef ik weer college, ben ik weer eens inval-universitair-docent dus. Opnieuw in Leiden, dit keer een vak dat ik zelf als student erg leuk gevonden zou hebben en dat ook weer een heleboel raakvlakken heeft met mijn ‘gewone’ werk en dus met dit weblog: tekst- en gespreksanalyse

We zijn donderdag goed begonnen: de studenten gaan onder andere aan de slag met een eigen tekst, en ik heb dat ‘afgetrapt’ met een eigen tekst: het eerste couplet van Into My Arms van Nick Cave, een tekst die ik geweldig én bijzonder vind. We hadden meteen al wat discussie over de interpretatie daarvan, en dat vond ik leuk. Dat interpretatie verschilt tussen lezers (en luisteraars) is een belangrijk inzicht dat ik de studenten hoop mee te geven en bovendien leer ik daar zelf ook van.

Ik zal op dit blog natuurlijk weer verslag doen van wat ik van het vak ‘meeneem’ voor de praktijk van zakelijk schrijven. Nu eerst even over iets anders dan de inhoud, namelijk: de arbeidsverhouding.

Tot de vorige keer, twee jaar geleden, kon ik voor de Universiteit Leiden werken als zelfstandige. In Utrecht kon dat al eerder niet, en nu bleek het ook in Leiden niet meer te kunnen. Dat werd pas duidelijk na een voor mij wat frustrerende onderhandeling erover, waarin ze iets boden wat voor mij een affront was. Maar daar bleek dus achter te zitten dat het niet meer mag, als freelance docent een vak geven. Van de Belastingdienst niet, en het breekpunt is dat er sprake is van een gezagsverhouding, iets wat sinds het afschaffen van de VAR en de mislukte invoering van de wet DBA belangrijker geworden is.

Enerzijds snap ik dat van de gezagsverhouding wel: de universiteit leidt op voor een erkend diploma en dus mag ik als docent niet zomaar wat doen. Anderzijds is het wat mij betreft een vaag schemergebied: mijn baas heeft letterlijk gezegd dat ik het vak naar eigen inzicht in mag richten, terwijl ik elders wel eens een door het bedrijf ontworpen training geef waarvoor in een draaiboek is vastgelegd wat ik van uur tot uur moet doen. Dat laatste doe ik wél als zelfstandige. Tsja.

Dus, ik ben in loondienst, voor dik 6 uur per week voor 6 maanden. Naast de bekende financiële nadelen daarvan (mijn eigen kosten voor pensioenopbouw, reserves voor slechte tijden, arbeidsongeschiktheid e.d. lopen gewoon door terwijl ik over salaris van alles afdraag waar ik niet of nauwelijks gebruik van kan of zelfs mag maken) zijn er nog twee andere nadelen aan verbonden:

  • Ik kan dit maar één keer per jaar doen, want bij een tweede keer zou ik ook nog eens m’n ondernemersaftrek kwijtraken, wat een paar duizend euro scheelt en dan zou ik dus bijna voor nop werken. Immers, nu kan ik nog voldoende uren naast die loondienst in mijn eigen bedrijf stoppen, maar met nog meer loondienst is dat niet meer reëel. Hier klopt wat mij betreft iets niet in het belastingstelsel, want zo’n enkel snippertje in loondienst verandert niets wezenlijks aan de manier waarop ik werk en  mijn bedrijf run, en dus ook niet aan het risico dat ik loop. Recht op een uitkering heb ik bijvoorbeeld niet, als ik straks in de zomer in Leiden formeel ‘op straat sta’. 
  • Ik word niet gecompenseerd voor de grote mate van flexibiliteit die de klus van me vraagt. Ik krijg nu een kleine 20 % van een voltijds salaris, voor 6 maanden. Ik ben fatsoenlijk ingeschaald, dus dat klinkt heel redelijk. Maar ik zou nooit een stuk of 12 van dit soort puzzelstukjes bij elkaar kunnen leggen, als ik fulltime zou willen werken en verdienen – dat lukt nooit. Daarom geldt in mijn werk als zelfstandige dat mijn uurtarief hoger ligt voor kleine klussen, en dat ik sowieso per uur behoorlijk wat meer moet verdienen dan iemand die een contract van 40 uur heeft, om er netto over een langere periode hetzelfde aan over te houden. Ik kan niet anders werken dan met gaten, loze ruimtes, tussen mijn verdienende tijd. Daar hoor ik voor gecompenseerd te worden, bij zo’n klein snippertje, en in mijn gewone werk spreekt dat voor zich. Maar voor de universiteit dus niet.

Dat ik toch ‘ja’ heb gezegd, is zakelijk dus eigenlijk niet te verantwoorden. Maar ik vind het erg leuk werk, ik begrijp hoe klem ze zitten (en na enig heen-en-weer begrepen ze vanuit Leiden mij ook), en het levert me immaterieel altijd heel veel op aan inspiratie en nieuwe kennis, en aan plezier van het contact met studenten en collega’s. Bovendien vinden veel opdrachtgevers het wel interessant dat ik ook nog wel eens wat doe aan een universiteit. Vooruit dan maar – de zaken lopen verder goed genoeg. 

Het laat mij wel zien dat de universiteiten enerzijds niet voldoende flexibel kunnen zijn, terwijl  er anderzijds een heleboel wetenschappers op tijdelijke contracten zitten die maar geen vast contract krijgen. Aan beide kanten onvoldoende maatwerk, lijkt mij. 

Praten met docenten adviesvaardigheden

Afgelopen woensdag was ik naar een bijeenkomst voor docenten adviesvaardigheden en consulting in het hoger onderwijs. Die vond plaats bij SIOO in Utrecht. Ik heb al een tijdje geen adviesvaardigheden meer gegeven, maar dat in het verleden wel gedaan en ik hoop ook dat het in de toekomst weer zo gaat zijn. En ik heb een boek geschreven dat in het hoger onderwijs gebruikt wordt. Vandaar dat de bijeenkomst zeker mijn interesse had.

En het was ook inderdaad leuk. Er waren zo’n twintig deelnemers, meest van Hbo-opleidingen, maar verder heel divers. Een deel van de bijeenkomst ging over een ‘whitepaper’ van SIOO over wat een adviseur moet kunnen maar het leukste vond ik om van de anderen te horen wat ze doen en wat daar de mooie en lastige kanten van zijn. Ik had daar graag nog verder over doorgepraat, want drie uurtjes ervoer ik als veel te kort – hopelijk gaat dat ook nog wel gebeuren, die intentie was er zeker. Ik heb ook nog enkele contacten gelegd waar mogelijk ook een vervolg op komt.

Eén klein dingetje dat me opviel was dat de docenten de term ‘beroepsproduct’ gebruikten. In de context van adviesrapporten is dat het ding dat de studenten in een praktijksituatie uitbrengen aan de opdrachtgever, en daarnaast schrijven nog een ‘verantwoordingsdocument’ voor de opleiding, bijvoorbeeld met de gebruikte literatuur erin. Dat was nieuw voor mij. Ik vind dat een goede ontwikkeling, omdat de praktijk vraagt om iets anders dan de schoolse manier van rapporteren, dat is één van mijn stokpaardjes (zie hier bijvoorbeeld).

Als het er maar niet toe leidt dat de indruk ontstaat dat je je ‘in het echt’ nooit hoeft te verantwoorden, of je adviezen met literatuur onderbouwen. Er zijn geadviseerden voor wie dat wel degelijk wenselijk is.