Woorden in organisaties – kan het anders?

Ik heb net weer eens een goed boek gelezen – een boek waar ik eigenlijk een beetje jaloers op ben, want zoiets had ik zelf wel willen schrijven: Woorden wisselen. Werken aan een hertaling van besturen, organiseren en adviseren, van Mark van Twist.

Eerst maar even wat het niet is: het is geen concreet handboek voor hoe die woorden dan te wisselen. Heel praktisch is het niet, het wil vooral de lezer aanzetteen tot reflecteren op de eigen praktijk – op de rol van taal en woorden daarin vooral

Mijn jaloezie zit hem er vooral in dat het boek zich precies begeeft op het raakvlak van dingen die ik interessant vind en waar ik me ook al jaren mee bezig houd: enerzijds taal, tekst en schrijven en anderzijds organisaties en het veranderen en beïnvloeden daarvan. Dat beïnvloeden gebeurt grotendeels door taal en tekst – maar hoe dan, en kan het ook anders? Dat is de centrale vraag van het boek.

De huidige schrijfpraktijk is nogal bleek en bloedeloos van de on-inspirerende abstracties (p. 22). Er kruipen een boel vanzelfsprekendheden in of – ik moest even gniffelen – ‘applauswoorden’ zoals ‘bouwen aan vertrouwen’, ‘transparantie vergroten’, ‘streven naar excellentie’ en ‘de dialoog aangaan’ (p. 212) – waar iedereen het mee eens zal zijn maar die in de dagelijkse praktijk geen richting geven en die bovendien kennelijk nodig zijn omdat dat wat ze uitdrukken niet vanzelf spreekt. Tegenover het streven naar excellentie staat bijvoorbeeld een boel middelmatigheid, maar daar mag het niet over gaan.

Net zo interessant als wat er in een tekst staat, is wat er in een tekst dus juist níet staat – misschien is dat wel het belangrijkste inzicht van dit boek.

Van Twist gebruikt een boel bronnen, vooral uit kritisch-filosofische hoek. Een groot deel daarvan ken ik, en sommige hoofdstukken voegden weliswaar niet zo heel veel toe aan wat ik al weet, vooral de hoofdstukken over metaforen en narrativiteit, maar in andere brengt hij de stof op een prikkelende manier samen. Het sterkst vind ik dat in de hoofdstukken over de rol van getallen en modellen.

Voor modellen stelt hij bijvoorbeeld voor ze vooral te zien als ‘wegwerpproducten’ (p. 153): een voorlopige schets van een klein deel van de werkelijkheid. Dat sommige van die modellen een eigen leven gaan leiden, heeft meer met macht en status te maken dan met hun kloppendheid.

Over getallen stelt hij dat die net zo zeer vertellen als woorden – iets wat ik, in veel onbeholpener woorden dan Van Twist, net vorige week nog aan een adviseur duidelijk probeerde te maken om mijn bezwaar tegen het woord objectief te onderbouwen. Getallen zijn niet objectiever of dichterbij de waarheid of werkelijkheid dan tekst. Dat de samenleving als geheel en de praktijk van besturen, organiseren en adviseren zo veel waarde hecht aan getallen (‘meten is weten’) heeft meer te maken met een hang naar controleerbaarheid: de werkelijkheid is beter hanteerbaar te maken door haar meetbaar en dus objectiveerbaar te maken (p. 121/122).

In al die praktijken, van getallen en modellen en van taal en tekst, gaat dus ook altijd iets verloren. Het is goed om daarbij stil te staan, of om te expliciteren vanuit wiens perspectief er eigenlijk wordt verteld, geteld, gemodelleerd – wat zegt dat bijvoorbeeld over machtsrelaties? Wiens stem klinkt eigenlijk, tegen wie, en wie wordt er dus niet gehoord, niet aan het woord gelaten?

Dit zijn zomaar wat grepen uit het boek, die hopelijk een indruk geven. Voor iedereen die bezig is met tekst en organisaties zou ik zeggen: vooral zelf lezen, dit boek! Je zou er een prachtig studie- of intervisiegroepje mee kunnen vullen. Waar je dan dus ook zelf over de praktische vertaalslag na kunt denken. Want dat is nog best lastig. Van Twist zegt het zelf ook: stel eens iets anders voor, een narratieve tekst bijvoorbeeld in plaats van weer zo’n saai rapport – je krijgt het er niet door.

En toch. Het moet toch echt ook anders kunnen?!

Factureergedoe

De laatste maand van het jaar is een goede tijd om terug te blikken. 2019 is voor mij op werkgebied een mooi jaar geweest, zowel in financieel als in inhoudelijk opzicht. Wel is er één ding het hele jaar opvallend geweest, en de frustratie daarover is voor mij inmiddels aardig hoog opgelopen: gehannes met facturen. Vandaag dus geen schrijf-inhoudelijk blog, maar iets over het zelfstandigenbestaan. Al gaat het zeker óók om communcatie.

Mijn indruk is dat ik steeds meer last heb van problemen in de procedures in de organisaties van mijn opdrachtgevers. Die krijg ik indirect op mijn bordje, en ik moet er dan wel wat mee, want anders krijg ik mijn geld niet. Ik doe allemaal relatief kleine klusjes, en een beetje gehannes met een factuur betekent al gauw dat er een disproportioneel groot deel van mijn betaalde tijd daarin gaat zitten.

Ik ga daarom – goed voornemen voor 2020 – in het vervolg standaard een uur extra in rekening brengen voor administratie. Als de betaling vervolgens probleemloos verloopt, trek ik dat bij een volgende opdracht er wel weer vanaf.

Ik geef de vier belangrijkste voorbeelden van het gehannes van afgelopen jaar:

  • Iedereen die werkt voor de Rijksoverheid kent het, neem ik aan: ik mag niet mijn eigen facturen insturen, ik moet hun factuurapplicatie gebruiken, DigiInkoop. Het is sowieso een extra hobbel, want mijn eigen facturen maak ik op routine. Ik factureer elke maand aan deze opdrachtgever, dus dat gaat dan grotendeels copy-paste. Maar dat kan in het systeem niet, en ik moet er elke keer weer goed naar kijken. Ook heeft zo’n systeem het nadeel van de mensloze technologie: ik kreeg een keer een automatisch gegenereerde foutmelding waar ik achteraan moest – en die vals alarm bleek te zijn. Er zitten bovendien een paar dingen in die bepaald niet intuïtief zijn. Eén voorbeeld raakt ook nog aan mijn eigen vak: logica van indelen. Je moet de naam van de juiste opdrachtgever aanklikken in een priegelige lijst. Die namen staan op alfabetische volgorde, maar waarvan precies wisselt. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken zou je zo kunnen aantreffen onder de M van Ministerie, de B van Binnenlandse zaken maar ook onder de K van Kerndepartement… Gelukkig betaalt BZK tegenwoordig wel altijd razendsnel.
  • Ik deed dit jaar twee kleine klusjes voor een opdrachtgever waarvoor ik eerder meer had gedaan. Die organisatie heeft het betalen extern belegd. Althans, meestal, want daar begon het mee: die twee kleine klusjes moesten anders gefactureerd: de ene naar dat bureau, de ander (twee uurtjes!) naar henzelf. Mijn oude inkoopordernummer bij dat bureau was niet meer geldig, en dus kreeg ik instructies hoe ik een nieuwe kon aanvragen – met een conceptfactuur. Vervolgens hoorde ik niks. Na een dikke maand maar eens gepolst, bleek er grote verwarring te zijn over wie dat hoe moest betalen. Mijn contactpersoon heeft dat opgelost, toen kon ik de definitieve factuur indienen, maar mijn geld heb ik nog steeds niet.
  • Ik geef bij een opdrachtgever één training. De kosten daarvoor blijken verdeeld te zijn over vier kostenposten. Ik krijg daarover in de loop van de tijd vier lijvige mailtjes met een boel bureaucratische tekst en daar ergens in inkoopnummers – verder snap ik er niet zo veel van en lijken het vooral interne overwegingen hoe te boeken. Ik stuur één factuur met die vier nummers erin. Krijg ik na een paar weken terug: ik moet het uitsplitsen over vier facturen, met per factuur precies het aantal uren voor die ene kostenpost, een ook mijn reiskosten voor de twee bezoeken in vieren uitgesplitst. En ook dit ging niet om een heel grote klus…
  • Ik stuur een factuur naar een opdrachtgever, die krijg ik meteen terug omdat de tenaamstelling op een piepklein detail niet klopt – en naar dat detail, de officiële naam van het bedrijf in het handelsregister, had ik kennelijk moeten gissen, want die staat bijvoorbeeld niet zo in de ondertekening van hun e-mails of op hun website. Daarna gaan er twee maanden overheen. Dan stuur ik een herinnering. Als reactie krijg ik een formulier ‘verklaring bankgegevens’ dat ik moet invullen, met daarop bijvoorbeeld het adres van mijn bank. Hoezo? Mijn facturen voldoen aan de wettelijke normen en geen enkele andere opdrachtgever vraagt zoiets. En dat komt dan pas als ik na twee maanden zelf eens pols…. Ook in dit geval heb ik mijn geld nog niet.

De rode draad door alle vier de voorbeelden is dat ik wel door het hoepeltje ‘moet’ springen om mijn geld te krijgen – dat is de macht van de opdrachtgever.

Een ander draadje door de laatste drie is dat het gedoe te voorkomen of te beperken geweest zou zijn als de opdrachtgever wat meer initiatief had genomen door zelf meteen te laten weten wat er anders moest. Ik vind het onfatsoenlijk om, als er iets ontbreekt, de factuur gewoon ter zijde te leggen totdat de indiener aan de bel trekt. Dat leidt tot heel veel extra ergernis. Gelukkig is mijn bedrijf financieel gezond, anders had ik door zoiets meteen liquiditeitsproblemen.

Bij de betere opdrachtgevers krijg ik soms bij de overeenkomst al factureringsinstructies, wat van die dingen voorkomt als verkeerde uitsplitsingen en ontbrekende gegevens. Bij de allerbeste gaat alles gewoon vlekkeloos. Soms ook gewoon door goed verwachtingenmanagement. Ik vind het bijvoorbeeld helemaal niet erg om iets langer op betaling te wachten, als ik maar weet dat het eraan komt.

Mag ik dan tot slot ook nog een opdrachtgever in het zonnetje zetten? McKinsey betaalt altijd snel, er is nooit gezeur. Dit jaar was er iets waardoor het misschien iets langer zou duren en toen kreeg ik een seintje dat ik mijn factuur al mocht sturen nog voor ik het werk had gedaan (bedankt Marlies!)

Tropisch piramideprincipe

Vorige week was ik ver weg, verder weg dan ik ooit eerder voor werk geweest was: op Sint Maarten, het aparte land binnen ons Koninkrijk. Om daar bij een plaatselijke opdrachtgever een training piramideprincipe te geven. Bij een buitentemperatuur van een dikke dertig graden!

De training verliep volgens het gebruikelijke stramien. De enige aanpassing aan de locatie was dat er minder tijd zat tussen de basisbijeenkomst en de supervisies met eigen werk. De eerste bijeenkomst was op maandagochtend, de halve groep had op dinsdagochtend al supervisie, de andere helft op vrijdag. Dat ging allemaal prima, het was een groep van hoog niveau.

Als ik bezig was, merkte ik amper dat ik ver van huis was. Een beetje misschien aan de airco, de kleding en de vele deelnemers van kleur. Het ging vooral in het Engels, met een beetje Nederlands, maar dat kan hier ook gebeuren. De onderwerpen van de teksten waren hooguit in details ‘exotisch’, op één voorbeeld na dat juist draaide om de afstand tot Nederland.

Mijn spullen liggen klaar voor de eerste supervisie. Minto’s boek had ik mee om te laten zien; de deelnemers hadden mijn Adviseren met Perspectief gelezen. Vestje was nodig voor de airco.

Waar de deelnemers mee worstelden was precies als in Nederland:

  • Aan de ene kant is dat het ‘gewone’ onder de knie krijgen van het piramidale denk- en schrijfwerk. Daarin verschilden ze trouwens nogal; er waren er bij wie het meteen goed paste. Anderen moesten vooral zoeken naar hoe je bij complexe materie de ‘draai’ naar de lezergerichtheid maakt – wat eentje verwoordde als ‘180 graden draaien’. De opdrachtgever schreef overigens al veel met hoofdboodschap voorop, alleen niet altijd even handig, en zeker niet gebaseerd op het ‘strenge’ denkwerk van het piramideprincipe. Een paar van de teksten die ik vooraf had gezien, waren al best goed. Alleen weinig uniform, en als denk-instrument kan het piramideprincipe veel voor ze betekenen.
  • Aan de andere kant was het het – voor mij herkenbare – ‘gedoe’ rond schrijven in een organisatie. Dat er wel zes mensen moeten reviewen, en als je dat allemaal verwerkt, krijg je een gedrocht, dat eigenlijk bovendien opnieuw langs alle zes moet. Dat er formats zijn die eigenlijk meer knellen dan helpen. Dat het schrijven te veel alleen gebeurt, waardoor de schrijvers moeten gissen naar wat hun leidinggevenden en hun lezers willen. Piramides kunnen daarin helpen, maar ik hoop dat ik ook wat troost heb kunnen bieden door uit te leggen dat schrijven nou eenmaal zo gaat, en dat het niet realistisch is om van jezelf of van anderen te verwachten dat je in één keer moeiteloos tot een stuk kunt komen waar iedereen gelukkig mee is.

Ik heb drie dagdelen gewerkt, ben er een week geweest, en heb dus ook uitgebreid de tijd gehad om kennis te maken met het land en om vakantie te vieren (mijn man was mee). Dat was allebei zeer de moeite waard. Natuurlijk heb ik weer talige observaties gedaan en wat bordjes op de foto gezet. Hier komen ze.

Ook al is Sint Maarten Nederlands, de voertaal op straat is Engels. Dat komt deels door het toerisme – er komen vooral Noord-Amerikanen, en daardoor waan je jezelf sowieso meer in de VS dan in Nederland. Maar ook de bevolking spreekt veel Engels, en Engels creools. Daar verstond ik maar af en toe een paar woorden van, net genoeg om te horen dat het inderdaad een Engelse basis heeft. Verder hoor je ook Frans (de officiële taal van het andere deel van het eiland) en Spaans, en ook wel wat Papiaments. Mijn opdrachtgever en haar man bijvoorbeeld zijn drietalig Engels-Nederlands-Papiaments. Een heel aantal mensen die in het Engels begonnen, bleek wel Nederlands te spreken of op zijn minst te verstaan: vroeger op school geleerd en/of een tijd in Nederland gestudeerd.

Maar we zagen in de openbare ruimte heel weinig Nederlands dus, en daarom was het grappig dat er één ding wel vaak voorkwam, want je hebt ze om de haverklap:

Deze twee bushaltes waren overigens niet helemaal representatief, er waren ook heel mooie bij, compleet met – gesponsorde – zonnepanelen en USB-oplaadpunten!

Bij dit bord vermoedde ik ook Nederlandse invloed, namelijk een vertaalfout. Ik denk dat iemand voorrang met voorkeur verwisseld heeft:

Tot slot nog een briefje op een toilet in een Franse bakker – ik begrijp het allemaal, ook al is Elk ander (…) artikel (…) gaan fout. Maar wij zouden toch echt nooit zeggen dat een toilet iets al dan niet aanvaardt, bij voorbaat dank is niet op z’n plek, en het is sowieso ook wat al te stijfjes:

Het was ook in andere opzichten een lekkere en interessante week: kennismaking met de Cariben, met koloniaal Nederland, met wat een orkaan kan veroorzaken. Wat mij betreft kom ik nog een keer een vervolgtraining geven!

En weer de links

Het is alweer even geleden, hier de oogst aan nuttige, leuke en interessante links van de afgelopen maanden, in vier groepjes:

Eerst twee keer nuttige en praktische tips van het Taalcentrum-VU:

Nog een keer twee – interessante bespliegelingen van Marc van Oostendorp op Neerlandistiek.nl:

Drie vooral voor het leuk:

  • Een leuke voor mij in combinatie met m’n andere bezigheid, op sportgebied: het maakt uit hoe je je self-talk formuleert. Als je jezelf in de tweede persoon toespreekt (‘je kan het!’), presteer je beter.
  • Altijd leuk, en mee eens: een paar verouderde schoolmeestersregels op taal- en schrijfgebied de nek omdraaien.
  • En ook leuk, en terecht: kritiek op de kolder van het bedenken van het thema van het Songfestival, met purpose, co-creatie en vernieuwende concepten.

En tot slot twee interessante:

  • In mijn vorige post had ik het over inzicht in de (on)begrijpelijkheid van overheidscommunicatie – hier een vergelijkbaar verhaal van Redactieprofs (die wel een spamfilter op hun reacties moeten zetten…)
  • Het zit een beetje weggestopt in een lang verhaal, maar hier is weer eens een mooi pleidooi voor het piramideprincipe, van een succesvolle manager die er veel baat bij had.


Nieuwe taalcoaches: veel succes gewenst

Een paar weken terug was het uitgebreid in het nieuws: de plannen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken om extra mensen en middelen in te zetten voor begrijpelijker taal. Ik heb het met interesse gevolgd: de berichtgeving, de reacties o.a. op Twitter, de toelichting van de staatssecretaris bij Pauw.

Het is zonder twijfel een loffelijk initiatief. Ja, er kan een boel verbeteren aan de communicatie tussen overheid en burgers. Ik heb op dit blog ook wel eens gehakt gemaakt van slechte overheidsbrieven (voorbeeld). Met wat zorg en aandacht is daar een boel te winnen. Ik hoop van harte dat dat gaat gebeuren.

Ik heb me wel verbaasd over de wat al te simplistische en oppervlakkige beeldvorming: alsof beter schrijven door de overheid een kwestie is van het rechttrekken van wat zinnen. Want die ambtenaren, die formuleren raar. ‘Wartaal’ las ik zelfs in een reactie. Ik ben bang dat als je er zo over denkt, je weinig verbetering kunt verwachten, en een boel weerstand.

Er zijn veel redenen waarom ambtenaren schrijven zoals ze doen, waarom dat verbeteren niet zo makkelijk is, en waarom alleen maar aan wat zinnen schaven op z’n best symptoombestrijding is. Ik licht de drie meest specifieke en moeilijk te veranderen eruit:

  • Als je zinnen verandert, verandert de inhoud mee. Dat kan (bijna) niet anders. Wat ‘stijl’ heet, is vaak óók een inhoudelijke kwestie. Ik zag daar in de nieuwsberichten ergens een voorbeeld van, ik weet het niet meer letterlijk, maar het kwam erop neer dat de juridische standaardzin over het kunnen aantekenen van bezwaar of beroep tegen een beslissing was veranderd in iets als ‘Als u het hier niet mee eens bent, kunt u dat laten weten op…’ Sohee, da’s een stevige inhoudelijke verandering!
  • Niet altijd is begrijpelijkheid, duidelijkheid en leesbaarheid in het belang van de schrijver. Dat laat het voorbeeld uit de vorige bullet ook zien: die nieuwe zin zal, zo verwacht ik, tot meer reacties leiden dan de oude. Wie zit daarop te wachten? Bovendien moeten in zo’n politieke omgeving altijd een heleboel mensen het eens zijn met wat er op papier komt te staan, en daarin sneuvelt leesbaarheid ook nogal eens. Niet fijn, maar lastig te voorkomen. Je moet in elk geval als tekstadviseur sterk in je schoenen staan om het belang van de lezer te verdedigen.
  • Je kunt nog zulke simpele zinnen schrijven, als je kijk op de zaak waar je over schrijft sterk afwijkt van die van de lezer, is het nog onbegrijpelijk. Wie nu niet weet waar ik het over heb: verplichte leesstof is De brievenbus van mevrouw de Vries. In dat geweldige boek wordt duidelijk hoe zeer de beleving van instanties, met bijvoorbeeld gejubel over toenemende marktwerking, haaks staat op die van een hulpbehoevende, oudere dame. Of als je iets wilt zien: kijk ‘De brief van de burgemeester‘. Die brief maakt het probleem van de bewoners erger; een hoogtepunt van botsende wereldbeelden vind ik het fragment waarin de ‘eigen kracht coördinator’ een ‘plan’ op een flipover heeft gezet en voor zijn gevoel de zaak dus heeft opgelost. Hij glundert, maar de bewoners kijken alleen maar glazig. Zijn taal is begrijpelijk genoeg – dat is hier echt het probleem niet. Ik heb me zelf ook nog wel eens druk gemaakt over hoe Rijkswaterstaat één van de vele nieuwe snelwegen hier in de omgeving omschreef als ‘groene boog‘. Echt, ik snap alles wat er staat, althans, qua formuleringen. Maar hoe je het voor elkaar krijgt om zo te ronken over een nieuw stuk snelweg, daar begrijp ik niks van.

Ik denk dat je deze verschijnselen goed moet doorgronden om ambtenaren écht te helpen met schrijven. Dat inzicht, die wijsheid, wens ik de nieuwe taalcoaches bij BZK van harte toe.

Laten we Kymrië zeggen

Geen foto, maar ook een leukigheidje, tot slot van de reeks naar aanleiding van mijn vakantie: ik heb in Wales ook nog een Nederlands woord geleerd. Er is namelijk een mooi Nederlands woord voor Wales: Kymrië. Ik had het nooit gehoord, maar googlend kwam ik het tegen. De taal is dan het Kymrisch en de inwoners Kymriërs.

Kymrië sluit veel meer aan bij hoe de bewoner zichzelf noemen: Cymry. Dat betekent in het Kymrisch net zoiets als Dutch: de gewone mensen, landgenoten. Hun land heet Cymru.

Wales en Welshmen zijn Engelse namen, en die betekenen juist iets als vreemd/vreemdelingen. In de middeleeuwen wisten Engelse koningen het Keltische gebied met wat strubbelingen onder hun gezag te brengen.

Wales is dus het woord van de machthebber, die die lui maar vreemd vond. Kymrië is daarom eigenlijk een vriendelijkere naam voor Wales. Jammer dat we dat woord niet vaker gebruiken.

Een zin ontwarren met wij/ ons

Ik zag laatst een zin waar ik behoorlijk op moest puzzelen om hem te begrijpen. Ik heb hem geanonimiseerd, hij was afkomstig van BedrijfA:

Na .. fijne jaren van iets doen wordt 2020 een jaar van verregaande samenwerking met BedrijfB dat BedrijfA in september volledig  gaat overnemen. BedrijfB is een ervaren organisatie met een ruim aanbod tegen aantrekkelijke prijzen.

Wie gaat nou wie overnemen? Aan de eerste zin kan ik dat niet goed zien, en het is meer uit de context dat ik afleid dat BedrijfB de overnemer is, en BedrijfA de overgenomene.

Hoe zou je dat ook in de zinsbouw duidelijk kunnen maken? Een passief kan: ‘.. met BedrijfB waardoor BedrijfA in september volledig gaat worden overgenomen’. Opdelen in kortere zinnen kan ook, maar dezelfde verwarring sluipt daar makkelijk in.

De beste oplossing vind ik dat BedrijfA het over zichzelf zou hebben als wij of ons. In één knap helder, en persoonlijker.



Wales: andere bordjes

Ik had het eerder al over de tweetalige, maar we zagen op onze vakantie in Wales nog wat andere leuke bordjes – als vorm van schriftelijke communicatie een ‘hobby’ op dit weblog.

Deze spreekt mij als fietsen natuurlijk erg aan – ook al waren we in Wales vooral om te wandelen:

Dit bordje om de weg te wijzen naar de wc vond ik hilarisch:

En ook deze is leuk, let op de woordspeling met toad (towed)

En deze, in de kerk van onze startplaats Chepstow, vond ik vooral mooi, en daar hoef je niet religieus voor te zijn:


Mijn ogen uitgekeken op tweetalig Wales

Tijdens onze vakantie in Wales heb ik mijn ogen uitgekeken op de bordjes. Alle officiële en ook een heleboel minder officiële bordjes zijn er tweetalig, en dat terwijl er maar zo’n 20 procent van de bevolking Welsh spreekt en die zijn altijd tweetalig. Dat is bovendien vooral in het Noord-Westen, waar we niet zijn geweest – ik heb het dan ook niet horen spreken, niet anders dan de stationsomroep en op TV.

Maar ik heb het dus wel veel gezien. Dit was het eerste bordje waar ik op heb staan studeren, op het station van Newport, waar we op de heenreis overstapten:

Het ziet er heel exotisch uit, en dat is het ook, maar het wordt iets simpeler als je weet dat de w een klinker is, onze oe. Dan herken je de leenwoorden balwns en heliwm – je mag op het spoor niks met ballonnen en helium.

Welsh spelt consequent op de eigen manier, wat soms hilarisch is, bijvoorbeeld als het gaat om het land Wrwgway (tegenstander op het WK Rugby, erg belangrijk in Wales).

Veel weet ik niet van het Welsh, maar ik kwam er wel achter dat het consequent de kern voorop zet:

Llwybr is pad, en dat is de kern, dat is wat het is (een pad, we wandelden daar een week op), dus de woorden staan precies omgekeerd als in het Engels of bij ons – de Germaanse talen rommelen op dat punt wat.

En wat ik ook zag, was dat vervoegingen aan het begin van het woord kunnen plaatsvinden. Het Welsh gebruikt het Engelse leenwoord platform voor perron, maar als daar een voorzetsel voor komt te staan, verandert de eerste letter – een naamval:

Dat is zo ongeveer hoe ver ik ben gekomen, maar als taalkundige vind ik dat dus erg leuk.

Ik heb verder geleerd de naam van een van de dorpen waar we overnachtten uit te spreken: Llangatock Lingoed. Om de een of andere reden kwam de naam van de ll zomaar ineens in me opploepen: dat is een laterale fricatief. Waarom heb ik dat onthouden, van, uh, wanneer had ik fonetiek, 1988?

Verder heb ik een paar losse woordjes opgepikt. Het woord dat je het meest ziet staan is croeso, ‘welkom’ – in de B&B van Llangatock Lingoed bijvoorbeeld:

Maar ook elke keer dat we de grens overstaken – Offa’s Dyke Path loopt óp de grens:

Welkom hebben we ons zeer zeker gevoeld: het was makkelijk om contact te maken en we ervoeren de Welsh als vriendelijk en makkelijke praters.

Onderweg had ik me afgevraagd of al die moeite voor de minderheidstaal niet wat overdreven was. Wales heeft weliswaar een goede reputatie op dat gebied: Welsh groeit en bloeit en heeft een hoge status. Maar in sommige wijken van Cardiff zouden bordjes in het Hindi of Chinees nuttiger zijn. En het kost heel wat natuurlijk.

Maar het was wel dankzij de tweetalige bordjes dat ik steeds wist of ik in Engeland of in Wales was. Het verschil is verder niet groot, niet zichtbaar althans. De taal is voor de Welsh mogelijk een van de weinige manieren om hun eigenheid uit te drukken.

Naast rugby natuurlijk.