In Amst Erdam

Een uit mijn verzameling ‘tekst in de openbare ruimte’. Meestal zijn dat opvallende bordjes, dit is een tegeltableau op metrostation Weesperplein in Amsterdam – daar was ik vrijdag.

Althans, ik noem dat Weesperplein, maar op het tableau zit een groot en onverklaarbaar gat tussen Weesp en erplein. Ik kreeg het niet in één keer op de foto, maar zo zag het eruit: eerst zag ik dit:

En daarna dus dit:

En daar zit dit gat tussen, en volgens mij zit de roltrap niet in de weg:

Ik was dus op het Weesp Erplein. In Amst Erdam?

Okee, meer dan 20 jaar dan…

Meer dan tien jaar geleden kwam ik een interessante gedachte tegen in het werk van schrijfprocesonderzoeker Kellogg: dat het dertig jaar oefenen kost om echt volleerd schrijver te zijn. Ik schreef daar onder andere over op dit blog en in een Tekstblad-column. Ik heb het er bovendien in de afgelopen tien jaar regelmatig over gehad, onder andere om aan opdrachtgevers duidelijk te maken dat je van, zeg, een middagje schrijftraining geen wonderen mag verwachten.

Afgelopen zondag had ik het er ook weer eens over, dit keer op een informeel feestje. Mijn gespreksgenoot was wel geïnteresseerd in die Kellogg, en dus beloofde ik het artikel op te sturen. Ik herinner me als bron in elk geval Kelloggs presentatie op een SIG-conferentie, daarnaar verwijs ik in beide bovenstaande stukken. Die link loopt echter ondertussen dood, en ook googlend of op de site van SIG vind ik die presentatie niet meer. Wel had ik toen naar aanleiding daarvan contact gezocht met Kellogg en toen van hem een concept-artikel had gekregen. Dat heb ik inderdaad nog kunnen opdiepen, maar ‘netter’ is natuurlijk de officiële publicatie. Ook die had ik snel gevonden.

Maar…. de termijn van dertig jaar is daaruit! Althans, het staat nergens meer zo letterlijk. Wat er wél staat, is dat het ‘meer dan twintig jaar’ duurt, of, iets preciezer:

The theme of this paper is that learning to become an accomplished writer is parallel to becoming an expert in other complex cognitive domains. It appears to require more than two decades of maturation, instruction, and training.

Die twee decennia zijn nodig om als jongvolwassene een beetje fatsoenlijk te leren schrijven, en daarna ‘professional writers advance further to an expert stage’ – maar daaraan is geen duidelijke termijn verbonden.

Dertig jaar of meer dan twintig jaar oefenen – het maakt niet uit natuurlijk, het betekent nog steeds dat je in dat middagje schrijftraining niet zo veel bereikt. En het betekent ook nog steeds dat schrijven een complexe, hoogwaardige cognitieve activiteit is, niet iets wat je zomaar even doet – dat maakt Kellogg ook op andere manieren duidelijk.

Maar ik ga Kellogg in het vervolg wel net iets netter citeren. Niet meer ‘dertig jaar’ zeggen maar ‘meer dan twintig jaar’.

15 afkortingen, liefst ingewikkeld

Ik had laatst een redactionele kwestie waar ik niet zo gauw een oplossing voor wist. Het ging om een rapport over een project met zo’n 15 deelprojecten. Die deelprojecten hadden allemaal een lange, abstracte naam die tot drie letters werd afgekort. In de tekst kwamen zes van die afkortingen vaak terug: dat waren de belangrijkste projecten.

Ergens moesten die zes, maar liefst zelfs alle 15, afkortingen worden uitgelegd. De tekst was namelijk bedoeld voor een nogal diverse lezersgroep, waarvan een groot gedeelte buitenstaanders, dus zeker niet vertrouwd met al die deelprojecten en hun afkortingen.

Daar kwam nog bij dat de schrijvers graag wilden dat alle 15 uitgelegd zouden worden, om daarbij tussen de regels door duidelijk te kunnen maken dat het project te ingewikkeld was. 15 deelprojecten is sowieso al veel, maar er zaten ook nog allerlei afhankelijkheden tussen. Een lange, ingewikkelde lijst met die projectnamen, hun afkortingen en de onderlinge relaties – van de schrijvers mocht het, al zagen ze ook het nadeel wel.

Ik vond het toch maar niks. Een afkorting hoor je te introduceren waar je ‘m voor het eerst gebruikt in de tekst. Dat was de inleiding, en zo’n lang en onleesbaar stuk in de inleiding, nog voor de hoofdboodschap, poe, nee, dat ging me te ver.

Buitenstaanders hebben er bovendien niks aan. 15 of zelfs maar zes, afkortingen blijven niet meteen bij het lezen hangen in het geheugen. Ik merkte het zelf: bij eerste lezing werd ik er giechelig van, omdat het overzicht overkwam als het resultaat van een spelletje ‘wie weet er nog een leuke afkorting met drie letters?’ Als ik dan verder las, moest ik regelmatig terugzoeken, want ik kon de deelprojecten niet uit elkaar houden. Sommige verschilden in hun afkorting maar één letter van elkaar!

Zoeken – de afkortingen terug kunnen vinden, dat leek me een belangrijke overweging. In overleg met de schrijvers hebben we het opgelost door een bijlage te maken met een overzicht van de deelprojecten, de afkortingen en de onderlinge relaties. In de inleiding stond daar een verwijzing naar, en die inleiding werd veel beter te behappen zo. Lezers die de afkortingen kennen, lezen in één moeite door, en de buitenstaanders hebben zo een naslagwerkje, want die bijlage was de laatste bladzijde.

Die bijlage was niet zo fijn, met al die abstracte namen en hun afkortingen. Maar dat was de bedoeling: dat het ingewikkeld was, was wel duidelijk. En ik werd nog steeds een beetje melig van de namen en de afkortingen. Maar door de plek buiten de lopende tekst hinderde dat het lezen niet meer.

Ander NS-beleid?

In Een sprinter is een stoptrein zonder wc schrijft Ronny Boogaart een vermakelijk stukje over hoe de trein van Amsterdam naar Hoofddorp de trein naar Hoofddorp blijft heten, ook als hij, bijvoorbeeld vanwege werkzaamheden, niet verder rijdt dan Schiphol. Dan is het dus eigenlijk de trein naar Schiphol geworden. Maar op de borden staat nog steeds Hoofddorp als eindbestemming, met ‘rijdt niet verder dan Schiphol’ in kleine letters eronder.

Nou had ik laatst het omgekeerde. Ik wilde naar Utrecht, kwam op het station en liet mijn ogen over het scherm met vertrekkende treinen dwalen om het juiste perron te bepalen. Ik las niet echt, zo werd ik me bewust, mijn ogen zochten naar de woordbeelden Utrecht, Amersfoort, Leeuwarden of Groningen, want dat zijn de mogelijke eindbestemmingen van de goede trein.

Stond er niet tussen. Huh?

Toen ging ik wat beter kijken, en via de juiste vertrektijd vond ik de trein naar Akkrum. Akkrum? Waar ligt dat?

Het bleek wel degelijk te gaan om de trein naar Leeuwarden, die vanwege werkzaamheden niet verder zou rijden dan Akkrum. Aha, Akkrum ligt net onder Leeuwarden. En heeft een station. En die trein moet ik hebben.

Probleem opgelost, maar ik realiseerde me wel dat het dus verwarrend is om de trein die normaliter naar Leeuwarden rijdt, de trein naar Akkrum te noemen als dat niet kan. Ook als is dat logisch misschien beter.

Zo zie je maar weer: taal is niet zo logisch; het draait niet om de letterlijke betekenis. Wat overigens de strekking is van Boogaarts boek!

Geen oog voor de lezer

Vorige week had ik het hier over een wat mij betreft de plank misslaande brief van de gemeente. Vandaag nog zo’n brief, dit keer van het Openbaar Ministerie. Opnieuw denk ik: met al die aandacht voor helder schrijven, waarom dóen instanties dit nou toch nog steeds?

Vorig jaar is er bij ons ingebroken; de dief is een paar maanden later gepakt (goeie actie). Wij hebben het OM laten weten wel op de hoogte gehouden te willen worden van hoe het verder gaat. Begin deze maand kregen we een brief van het IDV: het Informatiepunt Detentieverloop.

Eerste alinea:

U bent slachtoffer in de strafzaak van <naam>. Het Arrondissementsparket Rotterdam heeft het Informatiepunt Detentieverloop (IDV) verzocht u te informeren wanneer de veroordeelde voor het eerst op verlof gaat en op het moment dat de detentie eindigt.

Slachtoffer vind ik geen fijn woord, maar goed. Wat ik erger vind is dat in de tweede zin het perspectief ligt bij de twee instanties, die met hun zware, lange namen alleen al veel volume opeisen zo meteen aan het begin en kennelijk onderling iets hebben afgesproken over ons.

Dat beeld van het perspectief bij de zender wordt nog sterker als de tweede alinea helemaal over het IDV gaat:

Informatiepunt Detentieverloop

Het IDV is een landelijk informatiepunt van het Openbaar Ministerie. Het IDV informeert slachtoffers en nabestaanden over het detentieverloop vanaf het moment dat de rechter uitspraak heeft gedaan in de strafzaak en deze onherroepelijk is.

Met het briefhoofd erbij heb ik nu al zeven keer de naam IDV gelezen, waarvan drie keer vol uitgeschreven. En dat een informatiepunt een informatiepunt is, dat kan ik zelf ook wel bedenken. Kortom: een boel navelstaarderij hier.

In de volgende alinea’s blijkt dat de belofte uit de eerste alinea om ons te informeren wanneer de veroordeelde voor het eerst op verlof gaat en op het moment dat hij vrijkomt, niet wordt ingelost. Er staat namelijk eerst:

Zodra de veroordeelde in de toekomst in aanmerking komt voor verlof, zal ik u hierover informeren. Voor meer verlofmogelijkheden verwijs ik u naar de bijlage.

Die bijlage, daar kom ik zo op terug. Eerst nog een zin uit de volgende alinea:

De einddatum van de straf is vastgesteld op <datum in de zomer>. Indien de veroordeelde nog openstaande vervolgstraffen heeft, zal de datum van de definitieve invrijheidsstelling verschuiven naar een latere datum. Zodra de definitieve einddatum van de detentie bekend is, ontvangt u van het IDV een brief.

Maar waarom schrijven ze ons dan nu? We weten nu dus eigenlijk nog niks, want die datum in de zomer is niet definitief.

Ondertussen ben ik al op pagina 2 aangekomen. Daar staat iets wat ze toch echt niet kunnen bedoelen, lijkt me – en hoop ik ook voor henzelf:

Informatieverstrekking

Om u zo goed mogelijk van dienst te kunnen zijn, verzoek ik u vriendelijk telefonisch contact op te nemen met het IDV zodat wij uw gegevens kunnen controleren en met u af kunnen spreken of, en hoe, u in de toekomst informatie wenst te ontvangen. Ook kunnen wij dan op voorhand inventariseren of er van uw kant wensen/belangen zijn waarmee we rekening moeten houden bij toekomstige verlofmomenten.

Ze kunnen toch niet serieus bedoelen dat wij hen nu moeten gaan bellen? Ze hebben net op de vorige pagina beloofd dat ze ons een brief gaan sturen als de dief vrijkomt. Als wij dat okee vinden – de default optie – dan moeten we toch alsjeblieft niets hoeven doen, voor onze en hun rust? Daar moet toch staan ‘als u iets anders wilt, bel ons dan’?

Enne – onze dief komt toch niet met verlof, althans, daar heb ik niets over gelezen, dus die laatste zin is ‘niet van toepassing’.

Tot nu toe heb ik het alleen maar gehad over de informatie en het doel van de brief, en niet over de formuleringen. Het moge duidelijk zijn dat die meer aansluiten bij de zender dan bij de ontvanger. Geen enkele gewone burger praat over detentie, detentieverloop, invrijheidstelling en dergelijke, net zoals ik dus ook niet over mezelf denk als slachtoffer. Dat zijn hún woorden, niet de mijne. Deze zin vond ik zelfs hilarisch:

De veroordeelde zit gedetineerd in een penitentiaire inrichting.

Volgens mij staat daar: ‘de boef zit in de bak’. De woordkeuze en zinsbouw maken deze brief alleen geschikt voor zeer geletterde mensen, voor de rest is het alleen maar afschrikwekkend.

Blijft nog over de bijlage, anderhalf veel dichter bedrukt kantje, over ‘Verlofmogelijkheden tijdens detentie’. Er worden acht soorten verlof beschreven, in dezelfde soort taal als de rest van de brief, en aan het eind staat dan steeds of de ‘slachtoffers/nabestaanden’ al dan niet door het IDV geïnformeerd worden. Ga het maar uitpluizen… Dat heb ik niet gedaan. Er is (nog?) geen sprake van verlof bij onze boef, dus wat hebben we aan deze stortvloed aan informatie?

En dat staat dus op vier kantjes, enkelzijdig bedrukt, dus vier velletjes, envelop, porto, schrijf- en leestijd… en de toegevoegde waarde is nihil.

Ik kan minder goed dan vorige week begrijpen waar dit mis is gegaan. Mogelijk is het echt wel goed bedoeld, maar hebben de opstellers totaal geen oog gehad voor hun lezers. Ik moet zeggen: ik word daar treurig van. Als lezer en als belastingbetaler.

Systeemfestival: patronen herkend en benut

Ik had gister weer eens een inspiratiedagje: ik ben naar het Systeemfestival van SIOO geweest. Ik heb bij SIOO al vaker een masterclass gedaan en die vond ik altijd goed, via SIOO loopt ook de nieuwe ‘club’ van mensen die adviesvaardigheden doceren (volgende week is de tweede bijeenkomst daarvan). Die dingen zijn me allemaal goed bevallen, vandaar dat ik wel zin had in een dagje op dat festival – meer dan dat zat er qua tijd en geld niet in, maar dat mocht de pret niet drukken.

Aan het begin van de dag deed ik mee aan een ‘rondwandeling’ langs opvattingen in de systeembenadering: een korte opfrisser van de scholen in dat gedachte goed, leuk gevisualiseerd op posters langs de muur:

Daarna begon de ‘specials’ dag over ‘patronen herkennen en benutten’. Die bestond uit twee workshops zonder verder plenair programma. Ik deed eerst een workshop bij Odette Moeskops over haar narratieve systeembenadering en daarna bij Gertjan Schuiling en Joost Kampen over reflectief onderzoek.

Ik vond ze allebei goed, die van Moeskops net wat ‘hechter’ en duidelijker, maar ook dichter bij mijn bed – zij is ook Neerlandicus, dat wist ik niet, maar haar aanpak is zeker ook heel tekstueel. Ik voel me altijd een beetje vreemde eend in de organisatie-veranderingswereld, als neerlandicus/tekstenmens, hoe relevant het ook is voor mijn werk – en daar was ineens nog zo’n eend, zal ik maar zeggen. Sowieso zitten er mensen van divers pluimage.

In de trein terug zette ik de belangrijkste ‘meeneemsels’ op een rijtje, en die bestonden uit: 1 persoonlijk inzicht, 1 idee voor een boek dat ik graag wil lezen, 1 idee om vakinhoudelijk mee aan de slag te gaan (kom ik nog wel een keer op terug), 1 voornemen voor de toekomstige omgang met opdrachtgevers (leidinggevenden meteen ‘waarschuwen’ dat het kan zijn dat zij ook aan de bak moeten als ze vinden dat hun medewerkers beter moeten schrijven), en 1 wens: tot meer intervisie ofzoiets. Want het viel me op hoe snel het me iets opleverde om éven met anderen te praten over een werksituatie.

Een rijke oogst, vind ik. Het was een leuke en nuttige dag geweest!

Liever Rotterdams dan juridisch

Soms vraag ik me af hoe het komt dat er bij instanties toch nog steeds zo slecht geschreven wordt – waarom is dat zo hardnekkig? Vorige week weer. Ik had iets sufs gedaan: mijn fiets geparkeerd op een plek waar dat van de gemeente Rotterdam heel erg niet mag. De dag erna kon ik hem ophalen bij het Fietspunt. Daar kreeg ik er een brief bij waarover ik me nogal heb verbaasd.

In de eerste zin is meteen al sprake van een fietsparkeervoorziening – geen Rotterdamse burger noemt dat zo. Dat gaat samen met van die typische schrijftaal als  ‘is geconstateerd dat’, ‘genoemde locatie’ en ‘niet toelaatbaar’.

In de tweede alinea staat het eerste lid van artikel 5:12, onder a, uit de APV – dat is sowieso niet echt voor lezers natuurlijk. Er staat nog een typfout in ook, althans, ik neem aan dat er een r hoort achter te in ‘te voorkoming van schade’.

Dan komt er een heel lange zin, onder het nietszeggende kopje Overweging:

Het beleid van de gemeente Rotterdam is onder meer gericht op het toegankelijk houden van de openbare ruimte en het tegengaan van verloedering door, onder meer, her en der geparkeerde fietsen op plaatsen waar de parkeerdruk van fietsen hoog is en/of de ruimte daarvoor beperkt is en de normale functie van de weg gehinderd wordt.

Ik vind het eigenlijk best knap om in één zin twee keer ‘onder meer’ te gebruiken. Verder moet ik de zin een paar keer lezen om ‘m aan elkaar te kunnen breien en wat er staat te vertalen naar hoe ik het beleefd heb. Zo van: verloedering, mijn fiets die daar een uurtje stond? Da’s even lastig, zal ik maar zeggen. Ik kom er wel uit, maar niet heel makkelijk.

In het volgende kopje gaat het over ‘spoedeisende bestuursdwang’. Eerlijk gezegd vind ik dat klinken als een enge ziekte, bestuursdwang, waarvoor je met spoed naar de dokter moet – spoedeisend ken ik alleen met hulp erachter, vandaar de medische bijgedachten. De alinea laat verder ook te wensen over:

Wij hebben besloten om over te gaan tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang. Dit houdt in dat de fiets onmiddellijk na constatering op 15-5-2019 is verwijderd. Ter voorkoming van negatieve gevolgen heeft de gemeente een spoedeisend belang bij het direct verwijderen van uw fiets. De kosten van de verwijdering zijn inmiddels bij u in rekening gebracht. De kosten zijn vastgesteld op €20.

Het is dat ik weet hoe het zit, ik heb het zelf meegemaakt, anders zou ik hier niet veel van begrijpen. Dat zit ‘m in ‘overgaan tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang’ wat die enge ziekte combineert aan heel abstracte taal. De derde zin, die met ‘ter voorkoming van…’ past daar niet in de alinea-opbouw en ook niet qua werkwoordstijd, want de fiets is toch in de zin ervoor al verwijderd? Er staat niet veel anders dan in de eerste zin.

En die kosten, die zijn niet net  bij mij ‘in rekening gebracht’, hallo, ik heb ze net betááld. Anders had ik de fiets en deze brief niet kunnen krijgen.

Ik geloof bovendien ook niet dat de verwijdering 20 euro kostte – alles bij elkaar, met de opspoorders, het vervoer, het Fietspunt met z’n medewerkers en de  bureaucratie van dit soort brieven gaat het ongetwijfeld om meer. De 20 euro lijkt me meer een symbolisch bedrag, een soort ‘foei’ – want het zal wel geen boete mogen heten.

De brief eindigt met informatie over hoe je bezwaar kunt maken. Dat staat terecht apart, onder de ondertekening – dat is het sterkste punt van deze brief. Alles bij elkaar vult-ie twee kantjes – da’s lang.

Ik zie in de tekst duidelijk juridische sporen en een poging om allerlei mogelijke uitzonderingen mee te nemen – een soort ‘one size fits all’-brief. Leesbaarheid is daarin gesneuveld. Waarschijnlijk verklaart dat de abominabele kwaliteit – die ik overigens nog erger vind omdat het gaat om een stad die veel laaggeletterde inwoners heeft en ‘geen woorden maar daden’ hoog in het vaandel heeft.

Dus hoe schrijf je zoiets op z’n Rotterdams? Ik zou denken aan iets als:

Uw fiets stond op een plek waar dat niet mag. Daarom is die weggehaald en naar het Fietspunt gebracht. U hebt hem daar zojuist opgehaald. De kosten (20 euro) heeft u ter plekke betaald. Hieronder vindt u de juridische details en informatie voor als u bezwaar wil maken.

Nog steeds niet helemaal bevredigend, want zo staat er niks nieuws in. Er zou van mij nog iets in mogen als ‘daarmee is voor ons de kous af’ of ‘wilt u dit niet meer doen’, maar dat is een grotere wijziging. Zonder zo’n verder gaande strekking zou voor mij een kwitantie genoeg zijn, met een verwijzing naar een website voor de juridische en bezwaar-informatie.

Soms is niet schrijven ook een optie. Niet net doen alsof het een brief is, alsof het iets is wat burgers zouden moeten kunnen lezen. En als je dat wél wilt, die lezende burgers, doe het dan beter.

♫ Into my arms. Always and evermore. ♫

Hoe muziek zorgt voor foregrounding van tekst

De vorige twee weken ging het vak Tekst- en Gespreksanalyse (zie eerder) over multimodaliteit: wat als een tekst gecombineerd wordt met beeld en met muziek? Met beelden houd ik me wel eens vaker bezig, maar met gezongen tekst niet anders dan als luisteraar/liefhebber. Het boek deed alleen aan beelden, dus ik moest op zoek naar literatuur over songteksten en vond een artikel van onderzoeker Yke Schotanus (via hemzelf – dank voor de tip) waarin hij een model presenteert voor het verwerken van tekst-op-muziek

Nouja, ‘moest’, ik wilde dat zelf graag, om recht te doen aan multimodaliteit. Daarbij speelde een rol dat enkele studenten, net als ikzelf, een songtekst hadden uitgekozen voor het vak: we analyseren een eigen tekst, ik op college, zij als opdracht.

Mijn songtekst was ‘Into my arms’, een nummer van Nick Cave dat ik vorig jaar had leren kennen in de versie van Roger Daltrey. Het staat op diens solo-plaat ‘As long as I have you’ met allemaal covers. Bij de eerste keer luisteren viel het nummer mij meteen enorm op: het volgt op een aantal uptempo, Amerikaans aandoende gitaarnummers, en dan ineens start deze piano en zingt Daltrey ineens veel lager, romantischer, melancholieker.

Die klankkleur komt daar weliswaar als verrassing, maar ik ken hem wel van Daltrey. Eén van de redenen waarom ik hem beste popzanger aller tijden vind, is dat hij zo’n breed repertoire aan gevoelens kan uitdrukken: van agressief tot liefdevol. Beide kanten ken ik vanaf het allereerste begin: in 1981 had hij een romantische solo-hit (‘Without your love’– ik vind het nu zelfs over-sentimenteel, typisch jaren ’80 over-geproduceerd) tegelijk met iets agressievers als zanger van The Who (‘You better you bet’ – ook niet hun beste nummer, vind ik nu). Toen ik ontdekte dat die twee songs door dezelfde kerel gezongen werden, raakte ik geïnteresseerd en, kort samengevat: inmiddels noem ik mezelf al 38 jaar Who-fan. Daltreys stem is een rode draad door mijn leven.

En dan zingt hij (achtergrond: Londense working class) daar ineens, bij die piano, ‘I don’t believe in an interventionist God’ – heel nadrukkelijk, heel verstaanbaar. Zo verstaanbaar dat ik meteen bij de eerste keer luisteren dacht ‘welke halve gare schrijft er nou zo’n beginzin van een popliedje, met het woord interventionist erin?’ Ik greep meteen naar het CD-boekje (ja, ik luister nog naar van die ouderwetse schijfjes) en zag: Nick Cave. Tsjonge.

Dat is wat Yke Schotanus foregrounding noemt, of ook wel strikingness: omdat het een songtekst is, kan zo’n zin en zelfs zo’n woord een veel grotere indruk maken dan in wat voor andere context dan ook. Dat zit hem in mijn kennis over muziek en Daltrey die mijn verwachtingen bepaalt, ook die op basis van de eerdere nummer sop de CD: ineens is daar een verrassing, een aandachtstrekker, en dat geeft attention, arousal en emotion. Nogal. Buiten deze context zou de zin me mogelijk niet eens opgevallen zijn.

Dat zit allemaal in het model van Schotanus en het klinkt misschien een beetje nogal wiedes, toch had ik me dit nog nooit zo gerealiseerd. Overigens, goede theorieën in de taalwetenschap hebben wel vaker een hoog nogal-wiedes-gehalte, omdat ze kennis expliciet maken die we allemaal hebben en dagelijks gebruiken – impliciet. Maar dat expliciteren moet je dus wel dóen!

Als ik wel…

Toen ik op zoek ging naar het boekje bij de CD, hoorde ik de rest van de tekst niet meer goed: ik was afgeleid. In Schotanus’ model heeft afleiding een plek, maar dan ‘distraction from elsewhere’, terwijl dit me eerder ‘distraction from within’ leek. Ik heb dat wel vaker, dat ik blijf haken aan een woord of aan een bijzonder grammaticaal dingetje, en dat ik daardoor even niet meer goed luister.

De tekst van ‘Into my arms’ is volgens mij sowieso lastig in één keer te begrijpen, omdat Nick Cave speelt met voorwaardelijkheid, met iets wat hij zegt en toch niet: hij gelooft niet in God, maar ALS hij in God zou geloven, zou hij Hem vragen…. Dus hij vraagt dat eigenlijk niet, maar zingt het wel. Daardoor is het geen simplistisch liefdesliedje; het bezingt geen ongecompliceerde liefde (het wordt dan ook wel aan Cave’s echtscheiding gekoppeld). Dat is wat me in tweede instantie trof aan de tekst: ik houd erg van gelaagdheid in een tekst.

Maar daarmee is het ook geen prototypische songtekst. Schotanus heeft het over de ‘moment-by-moment’ perception van een songtekst: de vluchtigheid van zang/muziek. Daardoor zijn songteksten in principe noodzakelijkerwijs eenvoudiger dan poëzie. Ik had bij vluchtige beluistering de ‘twist’ in dit nummer niet begrepen. Dan is het een liefdesliedje met een vreemde, zware beginzin.

Dat het geen simpele tekst is, bleek me wel kort nadat ik het nummer had leren kennen. Het werd toen in het Nederlands vertolkt bij DWDD in hun ‘Songs in the key of life’-serie, door Frank Boeijen. Als ik het me goed herinner, zei die ter introductie dat hij dat met God maar ingewikkeld had gevonden en er dus uit had gelaten. Ik dacht meteen: wat blijft er dan van over? Nou, niet zo veel inderdaad, en hier is het wél een simpel liefdesliedje – passend bij het thema ‘ware liefde’. Maar interessant is de tekst zo niet meer. Vind ik.

Herhaling en verrassing

Terug naar Daltrey. Gaandeweg het eerste couplet stijgt de muzikale spanning: het tempo versnelt en de toonhoogte stijgt. Die spanning wordt ingelost met tekstuele herhaling: ‘into my arms, o Lord’. En net als die herhaling saai dreigt te worden, komt er variatie en blijft ‘o Lord’ weg – dat is allemaal precies zoals Schotanus het voorspelt.

Het tweede couplet heeft dezelfde soort opbouw en herhaling, maar het derde is iets anders: er zitten minder lettergrepen op de muziek, het couplet eindigt niet al met de eerste ‘into my arms’ maar met ‘always and evermore’ en de laatste ‘into my arms’ in het refrein is anders geïntoneerd. Schotanus voorspelt meer verrassing tegen het eind, en dat klopt dus. Op een verwachtingspatroon dat in twee coupletten is opgebouwd kun je de derde keer variëren.

Bovendien moeten volgens Schotanus verrassingen en herhalingen inhoudelijk bij het nummer kloppen, en ook dat is het geval: de herhaling drukt de wens uit van de zanger en in het meest verrassende gedeelte, dat derde couplet, zet hij uiteen waar hij zelf wel in gelooft, nadat hij eerst heeft verklaard waarin niet: God en engelen. Hij gelooft wel in love – en net daar bereikt Daltreys stem een bijna peilloze diepte.

Always and evermore

Ik vind het een briljante tekst, die mij ontroert en raakt en die ik door hem zo te analyseren nog beter ben gaan begrijpen. Het was bovendien erg leuk om ‘m heel vaak te draaien – voor mijn werk, en op college zelfs.

Wel vind ik de tekst ondertussen een klein tikje seksistisch – dat ontdekte ik naar aanleiding van een eerder onderwerp in het college: het móet bijna wel door een man gezongen worden en – cliché – die wil niet dat z’n geliefde vrouw ooit verandert.

Aan de andere kant vind ik Daltrey een rolmodel in gracieus ouder worden. Zijn stem is er sowieso bepaald niet slechter op geworden met het klimmen der jaren, terwijl hij niet doet alsof hij nog 30 is. Toen hij dit opnam, was hij 74 en hij zingt de tekst veel zwoeler dan Cave in het origineel. Dat vind ik gaaf: op je 74e nog zo veel erotiek in je stem hebben. Cave’s origineel vind ik vlakker en moeilijker te verstaan, al kan ik dat laatste niet meer goed beoordelen: ik ken de tekst van buiten.

Ik ga de tekst ook nooit meer vergeten. Dat is nog iets wat ook Schotanus benoemt: dat songteksten wonderbaarlijk goed in je geheugen blijven hangen. Ik was vorige maand naar een concert van Paul Young, wiens nummers ik zo’n 30 jaar nauwelijks meer had gehoord, en ik zong ze nog zo allemaal mee. Een goede songtekst, die heb je voor always and evermore!

Word niet nieuwsgierig naar een broedactiviteit

Een nieuwe voor mijn collectie bordjes. Aan het Poldervaartpad in Schiedam staat sinds enkele weken dit:

Ik ben niet de enige die daarom moet gniffelen, heb ik al gemerkt. Dat zit ‘m vooral in het woord ‘broedactiviteit’, want het toch wat passieve karakter van broeden lijkt met activiteit te botsen. Of onderschatten wij mensen misschien hoe actief het is?

Maar er is meer. Broedactiviteit roept bij mij de vraag op: van wie of wat dan? Het is gek vaag daarin, waardoor ook de precieze strekking onduidelijk is. Gaat het om de zwaan die daar vaak midden op het fietspad zit – zit er een zwanennest? Kunnen we dat vertrappen? Gaat het om een beschermde vogelsoort? Of is het andersom: lopen betreders risico te worden aangevallen? ‘Vanwege aanwezigheid zwanennest’ had ik informatiever gevonden.

Dat raadsel wordt groter doordat het maar een beperkte zone is die je niet mag betreden: nog geen 100 meter. Nog vóór die oranje fietser in de verte hangt precies zo’n bordje de andere kant op – het is net niet te zien op de foto, in het echt zie je het van deze afstand net wel. Dus het gaat niet om talloze broedactiviteiten overal in die berm, maar slechts om een beperkt stuk ervan. Inderdaad dus ergens één nest van iets? Inderdaad die zwaan?

Berm is het ook niet helemaal, zoals te zien is op de foto. Althans, ik versta onder berm iets smallers dan het groen dat daar te zien is.

Ten slotte lijkt dit bordje me typisch een geval van oproepen wat je niet wilt. Als je kijkt naar het hoog opgeschoten gras en fluitekruid, is het geen groenstuk dat uitnodigt tot betreden. Maar door het bordje kunnen voorbijgangers mogelijk nieuwsgierig worden, net zoals ik: is het inderdaad die zwaan? Waar dan? Hoe broeden zwanen eigenlijk, in een sloot? Zijn er al pulletjes? Zonder dat bordje had ik dat allemaal nooit gedacht.

Met een beetje pech betreden door het bordje méér mensen de berm dan zonder. Oproepen wat je níet wilt, dat is wat verboden en ontkenningen doen – het effect dat bekend staat als ‘denk niet aan een roze olifant’.

Ik heb me ingehouden. Hopelijk zijn straks inderdaad jonge zwaantjes te zien. Al is papa of mama zwaan soms best eng om langs te fietsen.

Studenten lezen efficiënt en strategisch

Zoals ik hier onlangs schreef, zijn we op het college Tekst- en gespreksanalyse bezig geweest met lezen. Als slotopdracht van dat thema interviewden de studenten elk één student-lezer van een niet-talige opleiding (want die weten er misschien te veel van af om onbevangen te reageren) over diens leesgedrag.

Er zijn acht interviews gehouden, dat is te weinig voor generalisaties maar genoeg voor een paar indrukken. Wat me het meest opvalt is dat die studenten als het ware zakelijker lezen dan de zakelijke lezers van wie ik eerder zulke interviews las. Geen van de studenten heeft er veel moeite mee om te scannen en stukken over te slaan: de ‘must’ van alles lineair lezen om het te kunnen onthouden lijkt niet zo zwaar op hun schouders te drukken.

De studenten hebben ook ieder een eigen strategie, en daar zijn ze zich van bewust. Die strategieën lopen uiteen, tot zelfs tegenovergesteld aan elkaar: er is er eentje bij die lineair leest als het belangrijk, want anders raakt ze de draad kwijt, terwijl een ander zegt juist van lineair lezen de draad kwijt te raken – die doet o.a. aan scannen en selecteren. Twee lezers in het medische vakgebied spreken elkaar ook tegen: volgens de een moet je van medische teksten echt alles grondig lezen, de ander kan dat genre juist heel selectief doornemen. Het vakgebied is waarschijnlijk minder bepalend dan ze zelf zijn. Eén van de interviews heeft dan ook als conclusie dat lezen net zo persoonlijk is als je vingerafdruk.

De leesstrategieën zijn vooral gericht op efficiëntie en tijdwinst. Daarbij valt op dat er een paar zijn die zeggen meer over te gaan slaan als de tijd gaat dringen – dat is een riskante strategie. Wat me ook opvalt, is dat twee studenten aangeven het belangrijkste steeds aan het eind van een alinea, paragraaf of tekst te vinden. Hun teksten hebben dus kennelijk geen hoofdboodschap voorop?

Daarnaast lezen de studenten strategisch: gericht op hun eigen leesdoel. Ze maken een inschatting van wat ze moeten doen met een tekst, en kunnen ze dus onderscheid maken in het lezen van een tekst die ze voor een tentamen moeten kennen, ter voorbereiding op een college, om inspiratie uit op te doen voor eigen onderzoek, of voor iets praktisch wat ze moeten doen, zoals in het geval van een patiëntverslag in de geneeskunde. Als er geen helder doel is, ‘moeten’ ze toch wel alles lezen, vinden ze.

Op het college ging het over normen voor goed lezen, en die blijken de studenten ook wel te hanteren, al vergde dat wel wat doorvragen. Eentje zei dat ze ‘gewoon’ las, en dat bleek te zijn: lineair, alles (in de praktijk las ook zij leesdoelgericht overigens). Ook dat ‘de draad kwijtraken’ van hierboven is wel degelijk een norm: dat is niet de bedoeling kennelijk; aandacht erbij houden zodat je begrijpt wat je leest wel, maar dat is best lastig.

Efficiëntie is misschien zelfs dé norm: geen van de geïnterviewden heeft iets gezegd over lezen voor de lol en het is fijn als het verplichte nummer snel voorbij is. Althans, is dat efficiënt of effectief, of het is lui en nonchalant? Dat vragen er twee zichzelf af, en het is natuurlijk maar net hoe je het bekijkt.

Het lezen-als-verplicht-nummer blijkt ook uit één overeenkomst met de zakelijke lezers: de studenten vinden veel van hun leesteksten onnodig lang. Hopelijk weten ze dat nog als ze later in hun beroepspraktijk zelf gaan schrijven.